Zondag
tussen 2 en 8 januari
Openbaring van de Heer. Driekoningen
44. DE DRIE KONINGEN AANBIDDEN HET KIND
-Blijdschap
bij het vinden van Jezus. Aanbidding in de heilige eucharistie. -De geschenken
van de Wijzen uit het Oosten. Onze offers. -Openbaring van de Heer aan alle
mensen. Apostolaat.
44.1 Zie,
Hij komt, de Heer die hoog verheven is. Hij bezit het koningschap, de macht en
de heerschappij.1
Vandaag viert de Kerk de
Openbaring van de Heer aan de hele wereld. De Wijzen uit het Oosten, die wij
met de traditionele kerstliederen graag aanduiden als de Drie Koningen, zijn de
representanten van de niet-Joden van alle rassen, talen en naties. Zij zijn,
geroepen door God, op weg gegaan om Jezus te aanbidden: De vorsten van
Tarsis, het kustland, zij komen geschenken Hem brengen, de koningen van Sjeba
en Seba, zij dragen hun schatting Hem aan: alle heersers brengen Hem hulde,
alle volken zijn Hem onderhorig.2
Na de raad van Herodes
en de schriftgeleerden verlieten de Wijzen Jeruzalem weer. En zie, de ster die
zij in het oosten gezien hadden, ging voor hen uit, totdat zij boven de plaats
waar het Kind zich bevond, stil bleef staan. Op het zien van de ster werden zij
vervuld van overgrote vreugde.3 Zij waren niet verbaasd, dat zij naar een gehucht geleid
werden en ook niet toen de ster stilhield voor een simpel huisje. Zij waren
verblijd. Zij waren bevangen door een onbedwingbare
vreugde. Wat groot is de blijdschap van deze Wijzen die van zo ver komen om een
koning te zien en naar een huisje in een gehucht geleid worden. Daar kunnen
wij heel wat lering uit trekken. En de eerste les die wij krijgen, is dat de weg die naar Jezus voert, vol
blijdschap is.
Wij lopen misschien het
risico ons niet volledig bewust te zijn, hoe de Heer ons leven nabij is, «want
de Heer dient zich aan onder de onopvallende schijn van een stukje brood. Hij
toont zich niet in zijn glorie, Hij dringt zich niet onweerstaanbaar op. Hij
komt ons leven binnensluipen als een duistere schim in plaats van zijn macht
hoog boven alles te doen weerklinken...
»Er zijn heel wat zielen
die door twijfel bevangen worden, omdat de Heer Zich niet vertoont zoals zij
verwachten...»4 Veel
inwoners van Bethlehem zagen in Jezus een kind als alle anderen. De Wijzen
konden in Hem het Kind zien, dat vanaf dit moment door alle eeuwen aanbeden zou
worden. Door hun geloof zijn zij een bijzonder voorrecht waardig: zij zijn de
eerste heidenen die Hem aanbaden, toen de wereld Hem nog niet kende. Wat een
geweldige blijdschap moeten die mannen, die van verre kwamen, ervaren hebben,
toen zij de Messias konden aanschouwen vlak nadat Hij ter wereld gekomen was.
Wij moeten oplettend
blijven, want de Heer is ook aanwezig in de gewone dagelijkse dingen. Hopelijk
zullen wij dat innerlijke licht brandend kunnen houden waardoor wij de
eentonigheid van dag na dag doorbreken en Jezus ontmoeten in het gewone leven.
Zij gingen het huis
binnen, zagen er het Kind met zijn moeder Maria en op hun knieën neervallend
betuigden zij Het hun hulde.5 «Ook wij knielen neer voor Jezus, de onder zijn mensheid
verborgen God. Wij herhalen, dat wij zijn goddelijke roepstem nooit meer zullen
afwijzen, dat wij onze weg vrij willen maken van alles wat een beletsel is voor
de trouw, dat wij oprecht verlangen zijn ingevingen te volgen.»6
Zij betuigden Het hun
hulde. Zij wisten wie de Messias was: de mens geworden God. Het Concilie
van Trente citeert uitdrukkelijk deze passage van de aanbidding door de Wijzen,
als het spreekt over de eredienst die verschuldigd is aan Christus in de
eucharistie. Christus in het tabernakel is dezelfde Messias als de Wijzen zagen
in de armen van Maria. Misschien moeten wij ons afvragen hoe wij Hem aanbidden,
als Hij uitgesteld is in de monstrans of in een ciborie; hoe wij Hem aanbidden
als Hij verscholen is in het tabernakel; met hoeveel godsvrucht en eerbied wij
op de voorgeschreven momenten tijdens de heilige Mis neergeknield zijn of bij
het passeren van de plaatsen die voorbehouden zijn aan het Allerheiligste.
44.2 De
Wijzen haalden hun schatten te voorschijn en boden Het geschenken aan: goud,
wierook en mirre.7 De
kostbaarste geschenken uit het Morgenland. Zij gaven Hem goud ten geschenke ten
teken van zijn koningschap. Wij willen Christus ook aanwezig stellen in al ons
menselijk handelen, opdat Hij zijn koningschap van gerechtigheid, heiligheid en
vrede zal kunnen uitoefenen over alle zielen. Ons geschenk is ook «het fijne
goud van de geest van onthechting van geld en materiële dingen. Wij zullen niet
vergeten, dat het goede dingen zijn, die uit Gods hand komen. Maar de Heer
heeft gewild dat wij er gebruik van maken zonder er ons met hart en ziel aan te
hechten. Hij wil dat we ze inzetten voor het welzijn van alle mensen.»8
Wij bieden Hem wierook
aan, de reukstof die elke avond op het altaar gebrand werd als symbool van de
hoop op de Messias. De wierook die wij aanbieden, bestaat in «onze wens om een
rechtschapen leven te leiden, waaruit de bonus odor Christi (2 Kor
2,15), de goede geur van Christus opstijgt naar de Heer. Onze woorden en daden
geheel vervullen van de bonus odor, dat is: begrip en vriendschap
verspreiden. Ons leven moet het leven van de mensen om ons heen vergezellen,
opdat niemand eenzaam is of zich eenzaam voelt. Onze liefde moet vol menselijke
warmte en genegenheid zijn [...].
»De geur van de wierook
wordt gevoed door een gloed die onopvallend korrel na korrel verteert. De
mensen bemerken de bonus odor Christi niet aan 't opflakkeren van een
strovuur, maar aan de verborgen, werkzame gloed van de deugden: gerechtigheid,
betrouwbaarheid, trouw, begrip, edelmoedigheid en blijdschap.»9
Met de drie Koningen
offeren wij ook mirre, opdat de vleesgeworden God onze zwakheden op zich zal
nemen en zich zal belasten met onze smarten. Mirre is «het offer namelijk, dat
in het leven van een christen niet mag ontbreken. De mirre herinnert ons aan
het lijden van de Heer. Aan het kruis geven zij Hem mirre met wijn te drinken
(vgl. Mc 15,23) en met mirre zalfden ze zijn Lichaam kort voor de begrafenis
(vgl. Joh 19,39). Als wij over de noodzaak van het offer en de versterving
nadenken, dan mag u niet menen dat het feest, dat wij vandaag vieren, daardoor
een trieste bijsmaak moet krijgen.
Versterving is niet de
uitdrukking van pessimisme en ook niet van verbittering.»10 Versterving moet
meer in verband gebracht worden met blijdschap, liefde, met het veraangenamen
van andermans leven. Versterving bestaat in het algemeen niet «in het verzaken
aan grote dingen (de gelegenheid daartoe doet zich ook niet zo vaak voor) maar
in kleine overwinningen op zichzelf: hem, die ongelegen komt, vriendelijk
ontvangen, aan het lichaam het aangename van overbodige dingen ontzeggen, naar
anderen leren luisteren, de ons door God gegeven tijd goed gebruiken... en veel
andere schijnbaar onbeduidende kleinigheden die wij in de loop van de dag
tegenkomen zonder dat we ze zoeken: tegenvallers, moeilijkheden en vervelende
dingen.»11
Dagelijks brengen wij ons
offer aan de Heer, want elke dag kunnen wij een ontmoeting met Hem hebben in de
heilige Mis en de communie. Wij kunnen ons offer, gemaakt van kleine dingen,
ook op de pateen leggen die de priester offert en die Christus zal aanvaarden.
Als wij dat met een zuiver oogmerk doen, verkrijgen deze kleine dingen een grotere
waarde dan goud, wierook en mirre, want zij worden verenigd met het offer van
Christus, Zoon van God, dat Hij daar opdraagt.12.
44.3
Vervolgens gaan de Wijzen, gehoor gevend aan de stem van een engel, langs
een andere weg naar hun land13, deelt
de evangelist ons mee. Wat zullen die mannen tot aan het eind van hun dagen hun
ziel doorlicht gehouden hebben nu zij het Kind en zijn Moeder gezien hebben!
Wij zien die buitengewone
persoonlijkheden in de duizenden zielen over heel de aarde die zich op weg
begeven om de Heer te aanbidden. Er zijn twintig eeuwen verstreken sedert die
eerste aanbidding en deze lange stoet uit het heidenrijk trekt nog steeds op
naar Christus.
Door middel van dit feest
verkondigt de Kerk de verschijning van de Heer aan alle mensen, van alle
tijden, zonder onderscheid van ras of natie. «Uit Joden en heidenen heeft Hij
de menigte geroepen die [...] het nieuwe godsvolk zou zijn.»14
Het feest van Epifanie, of
Openbaring van de Heer, brengt alle christenen ertoe, deel te hebben aan de
doeleinden en inspanningen van de Kerk die «bidt en werkt, opdat heel de
wereld, zo groot als deze is, zou binnengaan in het volk van God, het lichaam
van Christus en de tempel van de Heilige Geest.»15
Wij kunnen diegenen zijn
die, middenin de wereld, te midden van de tijdelijke werkelijkheden de ster van
Gods roeping gezien hebben. Wij dragen dat innerlijke licht dat voortkomt uit
de dagelijkse omgang met Christus. Daardoor voelen wij ons genoopt weifelaars
en onwetenden zover te krijgen, dat zij naderen tot de Heer en hun leven
zuiveren. De Openbaring des Heren is het feest van het geloof en het feest van
de verbreiding van het geloof. «Aan dit feest wordt deelgenomen door hen die
het geloof al omarmd hebben, zowel als door hen die er nog naar op weg zijn.
Dankzeggend voor de gave van het geloof nemen zij deel en werpen zich, net als
de Koningen, op de knieën voor het Kind. Aan dit feest neemt de Kerk deel, die
zich elk jaar bewuster is van de omvang van haar zending. Aan hoeveel mensen
moet het geloof nog gebracht worden! Hoeveel mensen moeten herwonnen worden
voor het geloof dat zij verloren hebben, wat vaak moeilijker is dan de bekering
van een heiden.
De Kerk die zich bewust is
van dat grote geschenk, de Menswording van God, kan daar niet mee ophouden, zal
daar nooit mee kunnen uitscheiden. Zij zal ononderbroken de weg naar Bethlehem
moeten zoeken voor alle mensen en voor alle tijden. Epifanie is het feest van
de uitdaging van God.»16 Door het feest van Driekoningen worden wij ons ervan
bewust, dat wij alle middelen moeten aangrijpen, opdat onze vrienden,
familieleden, collega's zich tot Jezus wenden. Sommigen zullen geholpen worden
door het lezen van een boek met zuivere inhoud, anderen door een paar bezielde
woorden om te besluiten op weg te gaan; met weer een ander zal gepraat moeten
worden over de noodzaak van geestelijke vorming.
Aan het eind van het gebed
van vandaag vragen wij de Wijzen uit het Oosten niet ons goud, wierook en mirre
te geven. Het lijkt veel vanzelfsprekender hun te vragen ons de weg te wijzen
die naar Christus voert, opdat wij Hem elke dag ons goud, onze wierook en onze
mirre brengen. Vragen wij ook «de Moeder Gods, die ook onze Moeder is, ons de
weg te bereiden voor de volmaakte liefde: Cor Mariae dulcissimum, iter para
tutum! Haar allerzoetst hart kent de veilige weg waarlangs wij tot Christus
komen.
»De Wijzen hadden een
ster: wij hebben Maria, Sterre der Zee, Morgenster.»17
-1. Introïtus
van de Mis van vandaag. -2. Tussenzang uit de Mis, Ps
72(71),10-11. -3. Mt 2,9-10. -4. J.
Leclercq, En suivant l'année liturgique. -5. Mt 2,11. -6. H. Jozefmaria Escrivá, Als Christus
nu langs komt, 35. -7. Mt 2,11. -8.
H. Jozefmaria Escrivá, o.c., 35. -9. Ibidem, 36. -10. Ibidem,
37. -11. Ibidem, 37. -12. Vgl. Gebed over de gaven uit de Mis van
Driekoningen. -13. Mt 2,12. -14. Vaticanum ii,
Dogm. const. Lumen Gentium, 9. -15. Ibidem, 17. -16. Johannes Paulus ii, Homilie,
6 januari 1979. -17. H. Jozefmaria
Escrivá, o.c., 38.
|