Tweede week. Dinsdag
10. DE EERSTE CHRISTENEN. EENHEID
-De door Christus gewilde eenheid is een geschenk van God.
-Wat de broederlijke eenheid verbreekt. -Liefde verenigt, hoogmoed scheidt. De
broederschap van de eerste christenen. Vermijden wat de eenheid kan schaden.
10.1 De menigte die het geloof had aangenomen,
was één van hart en één van ziel.1 Deze woorden uit de Handelingen van de apostelen
zijn als een samenvatting van de diepe eenheid en de broederlijke liefde van de
eerste christenen, die zo de aandacht trekken van hun medeburgers. «De
leerlingen legden getuigenis af van de verrijzenis, niet alleen met woorden,
maar ook met hun deugden.»2 Wat hen doet uitblinken is hun gedrag, voortkomend uit
naastenliefde: zij trachten altijd in eendracht te leven.
De eenheid van de Kerk, die zij vanaf het allereerste begin
getoond heeft, is uitdrukkelijk door Christus gewild. Hij spreekt ons over één
enkele herder3,
Hij wijst met nadruk op de onverbrekelijke eenheid van één koninkrijk4, van één gebouw
dat maar één fundament heeft5... Deze eenheid is altijd gebaseerd op de belijdenis van één
geloof, op het beoefenen van éénzelfde eredienst en op de trouwe
aanhankelijkheid aan één hiërarchisch gezag, dat door dezelfde Christus is
ingesteld. «Er is slechts één Kerk van Christus -onderricht Johannes Paulus ii- die als een grote boom is waarop
wij allemaal geënt zijn. Het gaat om een intense, vitale eenheid, die een
geschenk van God is. Het is niet enkel of vooral een uitwendige eenheid; het is
een geheim en een gave [...].
»De eenheid treedt naar buiten rondom hèm, die in elk bisdom
aangesteld is als herder: de bisschop. En zij is verder zichtbaar in de
verbondenheid van de hele Kerk met de Paus, de opvolger van Petrus.»6 De eenheid van
geloof onder de eerste christenen vormde de ondersteuning voor hun kracht en
voor hun leven, dat zó rijk was, dat het naar buiten trad. Sindsdien hebben
geheel verschillende volken datzelfde christenleven geleid, elk met eigen
individuele en maatschappelijke, raciale en linguïstische kenmerken. Daar waar
gelovigen waren, «waren zij deelgenoten, uitdrukking en doorgevers van één
enkele leer, met dezelfde ziel, met hetzelfde hart en met dezelfde stem».7 De eerste
gelovigen verdedigden vooral die eenheid, toen zij vervolgingen en zelfs de
marteldood moesten ondergaan. De Kerk heeft haar kinderen altijd aangespoord te
waken over de eenheid en ervoor te bidden. De Heer bad ook, bij het laatste
avondmaal, voor de hele Kerk: Ut omnes unum sint... Mogen zij allen één zijn,
Vader, zoals Gij het zijt in Mij, en Ik in U. Mogen zij ook in Ons zijn.8
De eenheid is een geweldig goed waar we elke dag om moeten
smeken, want elk rijk dat innerlijk verdeeld is, vervalt tot een woestenij;
en geen stad of huis, in zichzelf verdeeld, houdt stand.9 Hier gaat de
heilige Johannes Chrysostomus als volgt op verder: «Het huis en de stad worden,
zodra ze verdeeld zijn, verwoest; het geldt in gelijke mate voor het
koninkrijk, dat het sterkste is dat bestaat. De eenheid van de onderdanen
verlenen koninkrijken en dynastieën hun sterkte.»10 Eenheid met de paus, eenheid met de
bisschoppen, eenheid met onze broeders in het geloof en met alle mensen om hen
te brengen tot het geloof van Christus.
10.2 «De eenheid -zo leert de heilige Thomas van
Aquino- sluit niet de veelheid uit, maar de verdeling.»11 Wat ons van Christus scheidt,
brengt verdeling: elke zonde zonder uitzondering, ook al is die scheiding
merkbaarder bij een gebrek aan naastenliefde dat ons van de anderen isoleert,
of bij een gebrek aan gehoorzaamheid jegens de herders die Christus aangesteld
heeft om de Kerk te besturen. Een verscheidenheid van karakters, rassen,
leefstijlen... staat de eenheid niet in de weg. Daardoor kan de Kerk katholiek,
universeel zijn, en een en dezelfde zijn in welke tijd en op welke plaats dan
ook. Het is «deze inwendige eenheid -stelt paus Paulus vi- [...] die haar de verbazingwekkende kracht verleent de
meest uiteenlopende mensen bijeen te brengen, door hen te respecteren, sterker
nog, door hun specifieke kenmerken een nieuwe waarde te geven, zodat deze
positief, dat wil zeggen echt menselijk worden. De inwendige eenheid verleent
haar ook de capaciteit katholiek te zijn, universeel te zijn.»12
De apostelen en hun opvolgers hebben de smart moeten
ondergaan die veroorzaakt wordt door mensen die dwalingen en verdeeldheid
zaaien. «Zij spreken van vrede en voeren oorlog -betreurt de heilige Ireneüs-
slikken de kameel door en ziften de mug uit (vgl. Mt 23,24). De hervormingen
die zij preken, zullen nooit de kwalen van de verbroken eenheid kunnen
genezen.»13 De
eerste christenen waren ervan overtuigd, dat hun geloof «een goede gezondheid
genoot en zij niets te vrezen hadden.»14 Bid veel voor de eenheid van de hele Kerk; dat
wij allen één zijn, dat wij trouw zijn aan het geloof dat we gekregen hebben;
dat we zonder dralen de voorschriften en aanwijzingen van de Romeinse
Opperherder en van de met hem verenigde bisschoppen weten op te volgen.
Eenheid is nauw verbonden met de persoonlijke ascetische
strijd naar heiligheid, meer vereend te zijn met Christus. «Wij zullen in ons
werk maar erg weinig voor de hele Kerk kunnen doen [...], als we niet die nauwe
intimiteit met de Heer Jezus bereiken: als we niet werkelijk bij Hem zijn, naar
waarheid geheiligd zoals Hij; als we zijn woord niet in ons bewaren, door elke
dag te trachten de verborgen rijkdom ervan te ontdekken.»15
De eenheid van de Kerk, van welke eenheid de Heilige Geest
het levend principe is, heeft als middelpunt de heilige eucharistie: «teken van
eenheid, band van liefde».16 Het doen ophouden van onenigheden en het bidden om
eenheid «kan nooit met meer kans op slagen gedaan worden dan wanneer Lichaam en
Bloed zelf van Christus geofferd worden in het Sacrament van brood en wijn».17.
10.3 De heilige Paulus doet verscheidene oproepen
tot eenheid: Ik vraag u met aandrang, smeekt hij de christenen van
Efeze, leidt een leven dat beantwoordt aan de roeping die gij van God
ontvangen hebt, in alle deemoed en zachtheid, in lankmoedigheid, liefdevol
elkaar verdragend. Beijvert u de eenheid des Geestes te behouden door de band
van de vrede.18
Hij gaat verder met een verwijzing naar een oude aanroeping,
die mogelijkerwijs in de primitieve doopliturgie gebruikt werd. Daarin wordt de
eenheid van de Kerk benadrukt als vrucht van de uniciteit van het goddelijk
wezen. Na elkaar worden de Drie Personen van de allerheiligste Drieëenheid, die
werkzaam zijn in de Kerk en oorzaak van haar eenheid, in de gewijde tekst
beschouwd: één Lichaam en één Geest, zoals gij ook geroepen zijt tot één en
dezelfde hoop, waarvoor Gods roeping borg staat. Eén Heer, één geloof, één
doop. Eén God en Vader van allen, die is boven allen en met allen en in allen.19
De heilige Paulus somt verscheidene deugden op: nederigheid,
zachtheid, lankmoedigheid..., verschillende verschijningsvormen van de liefde,
die de band van eenheid is in de Kerk. «De tempel van de Koning zal niet
ineenstorten, uiteenvallen, of verdeeld worden; het cement van de levende
stenen is de liefde.»20 Liefde
vereent, hoogmoed scheidt.
De eerste christenen toonden hun verknochtheid aan de Kerk
door hun liefde die alle maatschappelijke, economische, raciale of culturele
hindernissen overwon. Wie materiële goederen bezat, deelde die met wie er
behoefte aan had.21 Allen
baden zij voor elkaar en spoorden elkaar aan te volharden in het geloof van
Christus. Een van de eerste apologeten beschreef in de tweede eeuw het optreden
van de eerste christenen zo: «Zij houden van elkaar, minachten de weduwen niet
en bevrijden de wees uit handen van de gewelddadige; en wie bezit, geeft zonder
naijver aan wie niet bezit... »22
De voortreffelijkste liefde was erop gericht de broeders en
zusters te sterken in het geloof. De martelaarsakten vermelden op bijna elke
pagina bijzonderheden over deze zorg om de trouw van de anderen. Inderdaad,
«was het niet uit liefde, dat zij zich op weg begaven naar die heidense en
verdorven wereld?»23 Liefde
tot de broeders en zusters in het geloof en liefde tot de heidenen. Wij zullen
onze wereld ook naar God voeren, als wij de eerste christenen weten na te
volgen in ons begrip en onze genegenheid voor allen, ook in situaties waarin
niet gereageerd wordt op onze zorg en aandacht voor de anderen. Sterk de weifelaars
in het geloof met je voorbeeld, je woorden en je altijd vriendelijke en welkome
omgang: De man die zijn broeder helpt, bouwt een ommuurde stad24, leert de
Heilige Schrift.
Laten we uit liefde voor de Kerk alle middelen aanwenden geen
schade, ook niet van verre, te berokkenen aan de eenheid onder de katholieken:
«Onthoud je van klagen, kritiseren en kwaadspreken...: onthoud je volstrekt van
alles wat kan leiden tot onenigheid onder je broeders.»25 We moeten juist alles bevorderen
wat een mogelijkheid biedt tot wederzijds begrip en eensgezindheid. Als je een
keer niets aardigs weet te zeggen, houd dan je mond.26 De liturgie smeekt de Heer: dat
we vandaag de zonde van onenigheid en naijver zullen weten uit te rukken.27
Om goed te weten te komen hoe we de eenheid binnen de Kerk
kunnen beleven, nemen we onze toevlucht tot onze Moeder, de heilige Maria.
«Zij, Moeder van de Liefde en de eenheid, verenigt ons ten diepste, opdat we,
net als de eerste gemeenschap van het Cenakel, één enkel hart, één enkele
ziel zullen zijn. Zij, Moeder van de eenheid, in wier schoot de Zoon van
God zich verenigt met de mensheid en zo op mystieke wijze de huwelijksband van
de Heer met alle mensen vestigt, zij helpt ons 'een' te zijn. Zij helpt ons
werktuigen te worden van de eenheid onder de christenen en onder alle mensen.»28
-1. Eerste lezing van de Mis: Hnd 4,32.
-2. H. Johannes Chrysostomus, Homilieën
over de Handelingen der apostelen, 11. -3. Vgl. Joh 10,16. -4. Vgl. Mt
12,25. -5. Vgl. Mt 16,18. -6. Johannes
Paulus ii, Homilie, 3 november 1982. -7. H. Ireneüs van Lyon, Adversus
haereses, 1,10,2. -8. Vgl. Joh 17,21. -9. Mt 12,25. -10. H. Johannes Chrysostomus, Homilieën
over Matteüs, 48. -11. H. Thomas van
Aquino, Summa Theologiae, I, q30, a3, ad3. -12. Paulus vi, Toespraak, 30
maart 1965. -13. H. Ireneüs van Lyon, o.c.,
4,33,7. -14. Tertullianus, De
praescriptione haereticorum, 2. -15. Johannes
Paulus ii, Boodschap voor de eenheid van de christenen, 23
januari 1981. -16. H. Augustinus, In
Joannis Evangelium, Tractatus XXVI, VI, 13 (PL 35,613).-17. H. Fulgentius van Ruspe, Ad Monimum,
lib. 2,11-12. -18. Ef 4,1-3; vgl. Sagrada Biblia, Epístolas de la
cautividad, Pamplona 1986, bl. 100. -19. Ef 4,4-6. -20. H. Augustinus, Commentaar op Psalm
44. -21. Vgl. Hnd 4,32 e. v. -22. Aristides,
Apologia, 15,5-7. -23. H.
Jozefmaria Escrivá, Vrienden van God, 172. -24. Spr 18,19.
-25. H. Jozefmaria Escrivá, De
Voor, 918. -26. Vgl. H. Jozefmaria
Escrivá, De Weg, 443. -27. Getijdenboek, voorbede van
dinsdag in de 2e week
van de paastijd. -28. Johannes
Paulus ii, Homilie. 24 maart 1980.
|