Boeken over RK geloof en leven
Boeken & DVD's Voor eenheid van geloof en leven 
Home Best verkocht Alle titels Aanbiedingen Bestellijst Help Contact
pijl
Categorie
Kort Bestek
Andere pockets
Arco Reeks
Van Jozefmaria Escrivá
Spreken met God
Andere Boeken
Over Jozefmaria Escrivá
Voor kinderen
Jade Reeks
Theologie/ATRIUM
Video / DVD
Navarre bible

Zoek cadeau
tot € 5,-
van € 5,- tot € 10,-
van € 10,- tot € 20,-
vanaf € 20,-

Zoeken


Meditaties
Uit Spreken met God


Betaal snel & veilig met
Meditaties Uit de serie Spreken met God

Vierde week. Dinsdag

24. DE EERSTE CHRISTENEN. UNIVERSALITEIT VAN HET GELOOF

-De snelle verbreiding van het christendom. De eerste christenen werden heiligen in hun eigen omgeving. -Voorbeeldige burgers midden in de wereld. Christus naar alle milieus brengen. -Christelijke gebruiken in het gezin.

24.1 «De Heer heeft zijn Kerk gevestigd op de zwakte, maar ook op de trouw van een paar mannen, de apostelen, aan wie Hij de blijvende bijstand van de Heilige Geest beloofde [...]. De prediking van het evangelie in Palestina begint niet uit het privé-initiatief van een groep zeer vurige mensen. Wat konden de apostelen doen? Zij telden in hun tijd niet mee. Zij waren niet rijk, niet ontwikkeld, in menselijk opzicht geen helden. Jezus legde een onmetelijke, goddelijke taak op de schouders van deze handvol leerlingen.»1 

Wie zonder bovennatuurlijke visie de eerste apostolische activiteiten van dat groepje had bekeken, zou denken dat het ging om een onderneming die van het begin af tot mislukken gedoemd was. Niettemin hechtten sommige mensen er geloof aan, waren trouw en begonnen naar alle windstreken die ongebruikelijke leer te verkondigen, die frontaal in botsing kwam met veel heidense gewoonten. In korte tijd wist de wereld dat Jezus Christus de Verlosser van de wereld was.

Van meet af aan is de Blijde Boodschap verkondigd aan alle mensen, zonder onderscheid. Zij die zich na de dood van Stefanus verspreid hadden -lezen we in de Mis van vandaag2-, trokken verder tot Fenicië, Cyprus en Antiochië. In die stad waren zoveel bekeerlingen, dat de leerlingen van Christus daar voor het eerst 'christenen' genoemd werden. Een paar jaar later vinden we volgelingen van Jezus in Rome en in het gehele Keizerrijk.

In de beginperiode schoot het geloof alleen wortel bij mensen van eenvoudige afkomst: gewone soldaten, volders, wolkaarders, slaven, kooplui... Denkt maar aan uw eigen roeping, broeders -schreef de heilige Paulus. Naar menselijke maatstaf waren er niet velen geleerd, niet velen machtig, niet velen van hoge afkomst...3 God kent geen aanzien des persoons, en de eerste christenen zouden -onwetend en zwak in de ogen van de mensen- de werktuigen zijn die Hij zou gebruiken voor de uitbreiding van de Kerk. Zo zou nog duidelijker blijken, dat het resultaat goddelijk was.

Onder de eerste christenen bevinden zich, menselijk gesproken, ook ontwikkelde, geleerde, belangrijke personen -een Ethiopische minister, honderdmannen, mannen als Apollos en Dionysius de Areopagiet, vrouwen zoals Lydia-, maar zij vormden een minderheid onder het grote aantal, dat tot het nieuwe geloof bekeerd was. De heilige Thomas merkt op dat «het een eerbewijs aan God is, dat eenvoudige lieden de groten der aarde tot Hem gebracht hebben.»4 

De eerste christenen oefenden alle voor die tijd gewone beroepen uit, behalve die, waarin een gevaar voor hun geloof besloten was, zoals het beroep van droomduider, waarzegger, tempelwachter... En ook al hadden heidense godsdienstige praktijken een plaats in het openbare leven, zij bleven toch allen op dezelfde plaats en in hetzelfde beroep als vóór hun bekering tot het christendom. Zij trachtten hun christelijke levensstijl in de maatschappij ingang te doen vinden door een voorbeeldig gedrag, zonder de omgang met hun buren en medeburgers uit te weg te gaan. Zij speelden integendeel een rol op het forum, op de markt, in het leger... «Wij, christenen, -zal Tertullianus zeggen- leven niet van de wereld afgezonderd, wij komen vaak op het forum, in badhuizen, werkplaatsen, kramen, winkels en in openbare gelegenheden. Wij werken in de scheepvaart, het leger, de landbouw, de handel... »5 

De Heer brengt ons in herinnering, dat hij iedereen, zonder onderscheid naar beroep, sociale staat of ras, uitnodigt. «Wat heb je een medelijden met hen!... Je zou hun willen toeschreeuwen dat ze hun tijd verdoen... Waarom zijn ze zo blind en zien ze niet wat jij -armzalig schepsel- wèl hebt gezien? Waarom komen ze er niet toe om het beste te kiezen? -Bid, doe verstervingen, maak hen dan één voor één wakker -dat is je plicht!- en leg hun -ook weer één voor één- uit dat zij net zo goed als jij een weg tot God kunnen vinden, zonder hun plaats in de maatschappij in de steek te laten.»6 Zo traden onze eerste geloofsbroeders op.

24.2 Tegen het eind van de tweede eeuw zijn er overal in het Keizerrijk christenen: «Er is geen mensensoort, of ze nu barbaar of Griek heten, of welke andere naam ook dragen, of ze nu in een huis wonen, of nomaden zonder woonplaats genoemd worden, of in herderstenten verblijven, dat geen gebeden en dankzeggingen uit naam van de gekruisigde Christus aan de Vader en Maker van alle dingen opdraagt.»7 

Die christenen ontvluchtten de wereld niet om Christus in alle volheid te zoeken: zij beschouwden zich als een onlosmakelijk onderdeel van deze wereld die zij trachtten van binnen uit, met hun gebed, met hun voorbeeld, met een grootmoedige naastenliefde te bezielen: «Wat de ziel is voor het lichaam, dát zijn de christenen voor de wereld.»8 Zij bezielden een wereld, die in veel opzichten het gevoel voor de menselijke waardigheid verloren had, door burgers te zijn zoals anderen, zonder zich in kleding of kentekens van hen te onderscheiden en zonder hun burgerlijke staat te veranderen.9 

Zij waren niet alleen burgers, zij zorgden ervoor het op voorbeeldige wijze te zijn: «zij gehoorzamen de wetten, maar in praktijk gaan zij verder dan de wetten»10, ze voerden ze tot de laatste letter uit, tot welzijn van allen. De heilige Paulus onderricht al, dat tot God gebeden moet worden voor de gezagsdragers.11 

Als voorbeeldige burgers eerden zij de overheid, betaalden zij hun belasting en vervulden hun overige maatschappelijke verplichtingen. Zij deden dat in tijden van vrede, maar ook in tijden van vervolging en openlijke haat. Een voorbeeld van de heldhaftigheid, waarmee de eerste gelovigen deze burgerlijke deugden beoefenden, heeft de heilige martelaar Justinus ons in het midden van de tweede eeuw verschaft: «Zoals we van Hem [Christus] geleerd hebben, moeten wij zorg dragen onze belastingen volledig en prompt aan uw ontvangers te betalen [...]. Wij vereren God alleen, maar wij gehoorzamen u graag in al het overige, openlijk erkennend dat gij de koningen en regeerders der mensen zijt. In ons gebed vragen wij dat u, naast de keizerlijke macht, een regering vol wijsheid ten deel mag vallen.»12 En Tertullianus, die op heftige wijze ten strijde trok tegen de degeneratie van de heidense wereld, schreef dat de gelovigen tijdens hun bijeenkomsten baden voor de keizers, zijn dienaren en de autoriteiten, voor het tijdelijk welzijn en de vrede.13 

In geen enkel tijdperk kunnen christenen onverschillig staan tegenover de maatschappij, waarvan zij deel uitmaken. We zouden ons altijd juist midden in de maatschappij moeten bevinden, om daar op verantwoorde wijze onze dagelijkse bezigheden te verrichten; om de samenleving van binnenuit bekend te maken met een nieuwe geest, met de christelijke naastenliefde. Naarmate de onbekendheid met Christus zich sterker doet voelen, moeten christenen des te intenser op die plaatsen aanwezig zijn om daar, zoals de eerste christenen deden, het zout van Christus te zijn en aan de mensen hun zo veelvuldig verloren menselijke waardigheid terug te geven. «Om in het voetspoor van Christus te treden, hoeft de apostel van vandaag niets te hervormen en zich helemaal niet buiten de historische werkelijkheid te houden waarin hij leeft... -Het is genoeg als hij doet zoals de eerste christenen, en zijn omgeving nieuw leven inblaast.»14 We kunnen ons afvragen, of wij in ons dagelijks leefmilieu het licht van Christus brengen, zoals de eerste christenen deden.

24.3 De wegen die naar het geloof voerden, waren zeer verschillend, sommige zelfs buitengewoon, zoals in het geval van Paulus.15 Anderen riep de Heer door het voorbeeld van een martelaar. In de meeste gevallen kenden zij de Blijde Boodschap via een of andere collega, buur, medegevangene, reisgenoot enz. Het werd al in de tijd van de apostelen gewoonte kinderen te dopen, ook kinderen die nog niet tot de jaren van verstand waren gekomen. De heilige Paulus doopte hele families. Samen met de andere apostelen gaf hij deze gewoonte door aan de hele Kerk. Twee eeuwen later kon Origenes schrijven: «De Kerk heeft van de apostelen de gewoonte meegekregen het doopsel toe te dienen, ook aan kinderen.»16 

De huizen van de eerste christenen bleven van buiten hetzelfde, maar werden echte christelijke woningen. Ouders gaven het geloof door aan hun kinderen, en die weer aan de hunne, en zo werd het gezin een steunpilaar voor de consolidatie van het geloof en van de christelijke gebruiken. Die huizen waren kernen van naastenliefde en rust te midden van het niet zeldzame onbegrip en de laster van de omgeving. Thuis werd geleerd de dag aan God op te dragen, dank te zeggen, bij de maaltijden te bidden, zich in overvloed en in schaarste op God te richten.

Het onderricht van de ouders gaf op vanzelfsprekende wijze het kompas voor het leven. Zo volbracht de familie haar opvoedende taak. Deze zijn de raadgevingen van de heilige Johannes Chrysostomus voor een christelijke echtgenoot: «Toon uw echtgenote hoezeer gij het op prijs stelt met haar te leven en dat gij om haar liever thuis bent dan de straat op te gaan. Verkies haar boven al uw vrienden en ook boven de kinderen die zij u gegeven heeft; houd van hen omwille van haar [...]. Leer de vreze des Heren; al het overige zal stromen als een bron en uw huis zal vervuld worden met talloze goederen.»17 Andere keren is een zoon of dochter het brandpunt van de verbreiding van het christendom in de familie. Hij of zij trekt andere broers en zussen naar het geloof; misschien daarna de ouders; en die hùn broers en zussen... en uiteindelijk raken zelfs de grootouders erbij betrokken.

Er zijn heel wat christelijke gebruiken, die hun plaats kunnen hebben in de schoot van het gezin: het rozenkransgebed, gebeden aan tafel, een beeld van Maria, opzetten van een kerststal en nog veel meer. Als we die gebruiken in ere houden, leveren we er een bijdrage aan dat in ons huis altijd een vriendelijk klimaat heerst, zo karakteristiek voor een christelijk gezin, waar men van jongs af leert op natuurlijke wijze met God en zijn allerheiligste Moeder om te gaan.

-1. H. Jozefmaria Escrivá, De liefde tot de Kerk, 12. -2. Vgl. Hnd 11,19-20. -3. 1 Kor 1,26. -4. H. Thomas van Aquino, Commentaar op de eerste Korintenbrief, in loc. -5. Tertullianus, Apologeticum, 42. -6. H. Jozefmaria Escrivá, De Voor, 182. -7. H. Justinus, Dialoog met Tryphon, 117,5. -8. Brief aan Diognetes, 6,1. -9. Ibidem, 5,1-11. -10. Ibidem, 5,10. -11. Vgl. 1 Tim 2,12. -12. H. Justinus, Apologie I, 17. -13. Tertullianus, o.c., 39,1 e.v. -14. H. Jozefmaria Escrivá, De Voor, 320. -15. Vgl. Hnd 9,19. -16. Origenes, Commentaar op de Brief aan de Romeinen, 5,9. -17. H. Johannes Chrysostomus, Homilieën over de Brief aan de Efesiërs, 20.



Catalogus 2012
Aanbiedingen
De avonturen van Josemaría
van € 12,00 voor € 5,00
De heilige Jozefmaria Escrivá
van € 9,50 voor € 5,00
Meer aanbiedingen ...
Best verkocht
1 Kinderen van God
2 Korte Geschiedenis van de Katholieke Kerk
3 De Bijbel leren kennen
4 De Katholieke Kerk verkennen
Meer over best verkocht ...
Snel zoeken
Sitemaps: xml  html    ©De Boog 08 feb 2012