Vierde week. Dinsdag
24. DE EERSTE CHRISTENEN. UNIVERSALITEIT VAN HET GELOOF
-De snelle verbreiding van het christendom. De eerste
christenen werden heiligen in hun eigen omgeving. -Voorbeeldige burgers midden
in de wereld. Christus naar alle milieus brengen. -Christelijke gebruiken in
het gezin.
24.1 «De Heer heeft zijn Kerk gevestigd op de
zwakte, maar ook op de trouw van een paar mannen, de apostelen, aan wie Hij de
blijvende bijstand van de Heilige Geest beloofde [...]. De prediking van het
evangelie in Palestina begint niet uit het privé-initiatief van een groep zeer
vurige mensen. Wat konden de apostelen doen? Zij telden in hun tijd niet mee.
Zij waren niet rijk, niet ontwikkeld, in menselijk opzicht geen helden. Jezus
legde een onmetelijke, goddelijke taak op de schouders van deze handvol
leerlingen.»1
Wie zonder bovennatuurlijke visie de eerste apostolische
activiteiten van dat groepje had bekeken, zou denken dat het ging om een
onderneming die van het begin af tot mislukken gedoemd was. Niettemin hechtten
sommige mensen er geloof aan, waren trouw en begonnen naar alle windstreken die
ongebruikelijke leer te verkondigen, die frontaal in botsing kwam met veel
heidense gewoonten. In korte tijd wist de wereld dat Jezus Christus de
Verlosser van de wereld was.
Van meet af aan is de Blijde Boodschap verkondigd aan alle
mensen, zonder onderscheid. Zij die zich na de dood van Stefanus verspreid
hadden -lezen we in de Mis van vandaag2-, trokken verder tot Fenicië, Cyprus en
Antiochië. In die stad waren zoveel bekeerlingen, dat de leerlingen van
Christus daar voor het eerst 'christenen' genoemd werden. Een paar jaar later
vinden we volgelingen van Jezus in Rome en in het gehele Keizerrijk.
In de beginperiode schoot het geloof alleen wortel bij mensen
van eenvoudige afkomst: gewone soldaten, volders, wolkaarders, slaven, kooplui...
Denkt maar aan uw eigen roeping, broeders -schreef de heilige Paulus. Naar
menselijke maatstaf waren er niet velen geleerd, niet velen machtig, niet velen
van hoge afkomst...3 God
kent geen aanzien des persoons, en de eerste christenen zouden -onwetend en
zwak in de ogen van de mensen- de werktuigen zijn die Hij zou gebruiken voor de
uitbreiding van de Kerk. Zo zou nog duidelijker blijken, dat het resultaat
goddelijk was.
Onder de eerste christenen bevinden zich, menselijk
gesproken, ook ontwikkelde, geleerde, belangrijke personen -een Ethiopische
minister, honderdmannen, mannen als Apollos en
Dionysius de Areopagiet, vrouwen zoals Lydia-, maar zij vormden een
minderheid onder het grote aantal, dat tot het nieuwe geloof bekeerd was. De
heilige Thomas merkt op dat «het een eerbewijs aan God is, dat eenvoudige
lieden de groten der aarde tot Hem gebracht hebben.»4
De eerste christenen oefenden alle voor die tijd gewone
beroepen uit, behalve die, waarin een gevaar voor hun geloof besloten was,
zoals het beroep van droomduider, waarzegger, tempelwachter... En ook al hadden
heidense godsdienstige praktijken een plaats in het openbare leven, zij bleven
toch allen op dezelfde plaats en in hetzelfde beroep als vóór hun bekering tot
het christendom. Zij trachtten hun christelijke levensstijl in de maatschappij
ingang te doen vinden door een voorbeeldig gedrag, zonder de omgang met hun
buren en medeburgers uit te weg te gaan. Zij speelden integendeel een rol op
het forum, op de markt, in het leger... «Wij, christenen, -zal Tertullianus
zeggen- leven niet van de wereld afgezonderd, wij komen vaak op het forum, in
badhuizen, werkplaatsen, kramen, winkels en in openbare gelegenheden. Wij
werken in de scheepvaart, het leger, de landbouw, de handel... »5
De Heer brengt ons in herinnering, dat hij iedereen, zonder
onderscheid naar beroep, sociale staat of ras, uitnodigt. «Wat heb je een
medelijden met hen!... Je zou hun willen
toeschreeuwen dat ze hun tijd verdoen... Waarom zijn ze zo blind en zien
ze niet wat jij -armzalig schepsel- wèl hebt gezien? Waarom komen ze er niet
toe om het beste te kiezen? -Bid, doe
verstervingen, maak hen dan één voor één wakker -dat is je plicht!- en
leg hun -ook weer één voor één- uit dat zij net zo goed als jij een weg tot God
kunnen vinden, zonder hun plaats in de maatschappij in de steek te laten.»6 Zo traden onze
eerste geloofsbroeders op.
24.2 Tegen het eind van de tweede eeuw zijn er overal in
het Keizerrijk christenen: «Er is geen mensensoort, of ze nu barbaar of Griek heten, of welke andere naam ook
dragen, of ze nu in een huis wonen, of nomaden zonder woonplaats genoemd
worden, of in herderstenten verblijven, dat geen gebeden en dankzeggingen uit
naam van de gekruisigde Christus aan de Vader en Maker van alle dingen
opdraagt.»7
Die christenen ontvluchtten de wereld niet om Christus in
alle volheid te zoeken: zij beschouwden zich als een onlosmakelijk onderdeel
van deze wereld die zij trachtten van binnen uit, met hun gebed, met hun
voorbeeld, met een grootmoedige naastenliefde te bezielen: «Wat de ziel is voor
het lichaam, dát zijn de christenen voor de wereld.»8 Zij bezielden een wereld, die in
veel opzichten het gevoel voor de menselijke waardigheid verloren had, door
burgers te zijn zoals anderen, zonder zich in kleding of kentekens van hen te
onderscheiden en zonder hun burgerlijke staat te veranderen.9
Zij waren niet alleen burgers, zij zorgden ervoor het op
voorbeeldige wijze te zijn: «zij gehoorzamen de wetten, maar in praktijk gaan
zij verder dan de wetten»10, ze voerden ze tot de laatste letter uit, tot welzijn van
allen. De heilige Paulus onderricht al, dat tot God gebeden moet worden voor de
gezagsdragers.11
Als voorbeeldige burgers eerden zij de overheid, betaalden
zij hun belasting en vervulden hun overige maatschappelijke verplichtingen. Zij
deden dat in tijden van vrede, maar ook in tijden van vervolging en openlijke
haat. Een voorbeeld van de heldhaftigheid, waarmee de eerste gelovigen deze
burgerlijke deugden beoefenden, heeft de heilige martelaar Justinus ons in het
midden van de tweede eeuw verschaft: «Zoals we van Hem [Christus] geleerd
hebben, moeten wij zorg dragen onze belastingen volledig en prompt aan uw
ontvangers te betalen [...]. Wij vereren God alleen, maar wij gehoorzamen u graag
in al het overige, openlijk erkennend dat gij de koningen en regeerders der
mensen zijt. In ons gebed vragen wij dat u, naast de keizerlijke macht, een
regering vol wijsheid ten deel mag vallen.»12 En Tertullianus, die op heftige wijze
ten strijde trok tegen de degeneratie van de heidense wereld, schreef dat de
gelovigen tijdens hun bijeenkomsten baden voor de keizers, zijn dienaren en de
autoriteiten, voor het tijdelijk welzijn en de vrede.13
In geen enkel tijdperk kunnen christenen onverschillig staan
tegenover de maatschappij, waarvan zij deel uitmaken. We zouden ons altijd
juist midden in de maatschappij moeten bevinden, om daar op verantwoorde wijze
onze dagelijkse bezigheden te verrichten; om de samenleving van binnenuit
bekend te maken met een nieuwe geest, met de christelijke naastenliefde.
Naarmate de onbekendheid met Christus zich sterker doet voelen, moeten
christenen des te intenser op die plaatsen aanwezig zijn om daar, zoals de
eerste christenen deden, het zout van Christus te zijn en aan de mensen hun zo
veelvuldig verloren menselijke waardigheid terug te geven. «Om in het voetspoor
van Christus te treden, hoeft de apostel van vandaag niets te hervormen en zich
helemaal niet buiten de historische werkelijkheid te houden waarin hij leeft...
-Het is genoeg als hij doet zoals de eerste christenen, en zijn omgeving nieuw
leven inblaast.»14 We
kunnen ons afvragen, of wij in ons dagelijks leefmilieu het licht van Christus
brengen, zoals de eerste christenen deden.
24.3 De wegen die naar het geloof voerden, waren
zeer verschillend, sommige zelfs buitengewoon, zoals in het geval van Paulus.15 Anderen riep de
Heer door het voorbeeld van een martelaar. In de meeste gevallen kenden zij de
Blijde Boodschap via een of andere collega, buur, medegevangene, reisgenoot
enz. Het werd al in de tijd van de apostelen gewoonte kinderen te dopen, ook
kinderen die nog niet tot de jaren van verstand waren gekomen. De heilige
Paulus doopte hele families. Samen met de andere apostelen gaf hij deze
gewoonte door aan de hele Kerk. Twee eeuwen later kon Origenes schrijven: «De
Kerk heeft van de apostelen de gewoonte meegekregen het doopsel toe te dienen,
ook aan kinderen.»16
De huizen van de eerste christenen bleven van buiten
hetzelfde, maar werden echte christelijke woningen. Ouders gaven het geloof
door aan hun kinderen, en die weer aan de hunne, en zo werd het gezin een
steunpilaar voor de consolidatie van het geloof en van de christelijke
gebruiken. Die huizen waren kernen van naastenliefde en rust te midden van het
niet zeldzame onbegrip en de laster van de omgeving. Thuis werd geleerd de dag
aan God op te dragen, dank te zeggen, bij de maaltijden te bidden, zich in
overvloed en in schaarste op God te richten.
Het onderricht van de ouders gaf op vanzelfsprekende wijze
het kompas voor het leven. Zo volbracht de familie haar opvoedende taak. Deze
zijn de raadgevingen van de heilige Johannes Chrysostomus voor een christelijke
echtgenoot: «Toon uw echtgenote hoezeer gij het op prijs stelt met haar te
leven en dat gij om haar liever thuis bent dan de straat op te gaan. Verkies
haar boven al uw vrienden en ook boven de kinderen die zij u gegeven heeft;
houd van hen omwille van haar [...]. Leer de vreze des Heren; al het overige zal
stromen als een bron en uw huis zal vervuld worden met talloze goederen.»17 Andere keren is
een zoon of dochter het brandpunt van de verbreiding van het christendom in de
familie. Hij of zij trekt andere broers en zussen naar het geloof; misschien
daarna de ouders; en die hùn broers en zussen... en uiteindelijk raken zelfs de
grootouders erbij betrokken.
Er zijn heel wat christelijke gebruiken, die hun plaats
kunnen hebben in de schoot van het gezin: het rozenkransgebed, gebeden aan
tafel, een beeld van Maria, opzetten van een kerststal en nog veel meer. Als we
die gebruiken in ere houden, leveren we er een bijdrage aan dat in ons huis
altijd een vriendelijk klimaat heerst, zo karakteristiek voor een christelijk
gezin, waar men van jongs af leert op natuurlijke wijze met God en zijn
allerheiligste Moeder om te gaan.
-1. H. Jozefmaria
Escrivá, De liefde tot de Kerk, 12. -2. Vgl. Hnd 11,19-20.
-3. 1 Kor 1,26. -4. H.
Thomas van Aquino, Commentaar op de eerste Korintenbrief, in loc.
-5. Tertullianus, Apologeticum,
42. -6. H. Jozefmaria Escrivá, De
Voor, 182. -7. H. Justinus, Dialoog
met Tryphon, 117,5. -8. Brief aan Diognetes, 6,1. -9. Ibidem,
5,1-11. -10. Ibidem, 5,10. -11. Vgl. 1 Tim 2,12. -12. H. Justinus, Apologie I, 17.
-13. Tertullianus, o.c.,
39,1 e.v. -14. H. Jozefmaria Escrivá,
De Voor, 320. -15. Vgl. Hnd 9,19. -16. Origenes, Commentaar op de Brief aan de Romeinen, 5,9.
-17. H. Johannes Chrysostomus, Homilieën
over de Brief aan de Efesiërs, 20.
|