Negende week door het jaar. Vrijdag
17. DE ENGELBEWAARDER
-Voortdurende aanwezigheid van de engelbewaarder. -Devotie
tot de engelbewaarder. Hulp in het gewone leven en in het apostolaat.
-Toevlucht nemen tot zijn steun in het inwendig leven.
17.1 Naast de schepping van de
zichtbare wereld en van de mens, wilde God zijn goedheid verder verbreiden door
het aanzijn te geven aan de engelen, louter geestelijke wezens, van een allerhoogste
volmaaktheid.
De engelen, zuivere geesten -niet samengesteld uit stof, zonder
lichaam- zijn in het geheel van de schepping de volmaaktste schepselen.
Enerzijds werkt hun intelligentie met een eenvoud en een scherpzinnigheid
waartoe de mens niet in staat is, en hun wil is volmaakter dan die van de mens.
Anderzijds is hun reeds de gelukzalige aanschouwing, de visio
beatifica, verleend, zijn zij verheerlijkte schepselen die God van
aangezicht tot aangezicht zien. Deze grotere voortreffelijkheid die zij van
nature en door de genade bezitten, maakt van de engelen de gewone dienaren van
God -die zich in het besturen der wereld gewoonlijk bedient van causas secundas, tweede oorzaken- en stelt hen in staat
invloed uit te oefenen op het bestaan van de mensen en de lagere wezens. «De
naam waarmee de Heilige Schrift hen aanduidt, geeft aan dat wat het meest telt
in de openbaring, de werkelijkheid is van de werkzaamheden van de engelen jegens
de mensen: engel betekent feitelijk boodschapper.»1
Op veel plaatsen in het Nieuwe en het Oude Testament is
sprake van engelen, en wel op zo duidelijke wijze, dat hun aanwezigheid
onlosmakelijk is van het heilswerk van God voor de mensen.2
Naast hun tussenkomst in bijzondere gebeurtenissen in de
mensengeschiedenis, treden de engelen voortdurend handelend op in het
persoonlijk leven van de mensen, want «de goddelijke Voorzienigheid heeft aan
de engelen als taak gegeven het mensdom te beschermen en iedere mens
afzonderlijk ter zijde te staan».3 Zij zijn het
zoveelste blijk van de goddelijke goedheid voor ons, daarom helpen zij ons,
moedigen zij ons aan, beuren zij ons op, sporen zij ons aan tot het goede, tot
vertrouwen en tot gemoedsrust. Een heel boek van het Oude Testament is gewijd
aan het relaas over de hulp van een aartsengel, Rafaël, aan de familie van
Tobias.4 Zonder bekend te maken een engel te
zijn, vergezelde hij de jonge Tobias op een lange en moeilijke reis. Hij gaf
hem raad, verleende hem zeer waardevolle diensten. Aan het eind van het verhaal
presenteert hij zich: Ik ben Rafaël, een van de zeven
engelen die staan voor de troon van Gods heerlijkheid en Hem de gebeden der
heiligen aanbieden.5 De Heer kende het
eerzame gedrag van die familie goed: Toen ge onder tranen
uw gebeden verrichtte, toen ge de doden begroeft en uw eten ervoor liet staan,
toen ge overdag de doden in uw huis gingt verbergen om hen 's nachts te
begraven, toen droeg ik uw gebeden op aan de Heer.6
Ons leven is ook een lange weg. Aan het eind ervan, als wij
door de hulp van de genade in het huis van onze Vader God zijn, zal onze
engelbewaarder kunnen zeggen: «ik was met u». De engelbewaarders hebben immers
de opdracht de mensen te helpen, het bovennatuurlijk doel waartoe zij door God
geroepen zijn, te bereiken. Ik zend mijn engel voor u uit
-zegt de Heer tot Mozes- om u onderweg te beschermen en u
te brengen naar de plaats die Ik heb vastgesteld.7
Laten wij de Heer danken, dat Hij ons heeft willen aanbevelen
aan deze hemelvorsten die zo'n groot verstand hebben en zo doeltreffend zijn in
hun optreden. Laten wij vaak de achting uiten die wij voor hen koesteren.
17.2 De Handelingen van de
Apostelen bevatten een paar episodes die ons leren hoe zorgzaam de engelen voor
de mens zijn: de bevrijding van de apostelen uit de gevangenis, vooral die van
Petrus die door Herodes met de dood bedreigd werd; of de tussenkomst van een
engel in de bekering van Cornelius en zijn gezin; of de engel die de diaken
Filippus naar de dienaar van koningin Kandake bracht, op de weg van Jeruzalem
naar Gaza.8
Paus Johannes Paulus ii
gebruikte deze feiten bij wijze van voorbeeld in zijn catechese over de
engelen. Hij zei: «Men begrijpt hoe zich in de Kerk de overtuiging heeft kunnen
vormen over het dienstwerk dat aan de engelen ten gunste van de mensen is
toevertrouwd. Op grond van dit dienstwerk belijdt de Kerk haar geloof in de
engelbewaarders. Zij vereert hen in de liturgie met een eigen feest, en beveelt
ons aan onze toevlucht te nemen tot hun bescherming door herhaald bidden, zoals
bijvoorbeeld het gebed Engel van God. Dit gebed
lijkt de schone woorden van de heilige Basilius te vergaren: 'Elke gelovige
heeft naast zich een engel, als leidsman en herder om hem ten leven te
voeren'.»9
Dit gebed, Engel van God, dat veel
christenen geleerd hebben uit de mond van hun ouders, wordt in het Nederlands
als volgt gebeden: «Engel van God, die mijn bewaarder zijt, aan wie de
goddelijke goedheid mij heeft toevertrouwd, verlicht, bewaar, geleid en bestuur
mij. Amen.» Het is een kort gebed, dat men van jongs af kan zeggen, en dat zijn
diensten nog zal bewijzen als een groot deel van ons leven al verstreken is, en
wij nog steeds dezelfde behoefte hebben aan bescherming en beschutting. Als wij
het voornemen maken vandaag gedurende de dag meer met onze engelbewaarder om te
gaan, zullen wij zijn aanwezigheid merken, en veel genade en hulp verkrijgen
door zijn bemiddeling. Naast zijn geestelijke hulp biedt hij ons ook steun en
medewerking in de kleine noden van het gewone leven: iets vinden, wat wij kwijt
waren; ons herinneren aan iets wat wij vergeten hadden, maar waar wij aan
moesten denken; stipt zijn... In alles wat zich richt op het verheerlijken van
God -en al het eerlijk menselijke kan daarheen gericht en geleid worden- kunnen
wij rekenen op de steun van onze engelbewaarder.10
Wij kunnen ons ook wenden tot de engelbewaarders van onze
vrienden, vooral om die vrienden dichter bij God te brengen, en te voorkomen
dat zij zich van Hem afwenden: om subtiel een ander gespreksonderwerp aan te
snijden, om een initiatief te steunen zodat zij gaan biechten, of om ze deel te
doen nemen aan activiteiten voor ascetische of leerstellige vorming...
De christelijke vroomheid meent al vanaf de oudheid, dat daar
waar de Allerheiligste Eucharistie bewaard wordt, er engelen zijn om Jezus
voortdurend te aanbidden in het sacrament. De christelijke kunst die deze volksvroomheid
weerspiegelt, heeft vaak engelen uitgebeeld die een monstrans omgeven, het
gelaat verborgen achter hun vleugels, omdat zij zich niet waardig achten voor
zijn aangezicht te treden. Zo groot is zijn majesteit! Laten wij hun vragen ons
te leren met liefde, en tegelijkertijd met de grootste eerbied waartoe wij in
staat zijn, om te gaan met Jezus, werkelijk aanwezig in het tabernakel.
17.3 Ondanks de volmaaktheid van
hun geestelijke natuur hebben de engelen geen goddelijke macht of wijsheid: zij
kunnen niet lezen in het binnenste van de gewetens, want zij zijn niet onbegrensd
in hun kennisvermogen. Daarom is het noodzakelijk, dat wij hun laten weten wat
wij op een bepaald moment van hen nodig hebben. We hoeven daarvoor geen woorden
tot hen te spreken; het is voldoende zich geestelijk tot hen te wenden, want
hun verstand is in staat te kennen wat wij ons expliciet voorstellen of denken.
Vandaar de steeds terugkerende aanbeveling een diepe vriendschap met de
engelbewaarder te koesteren.
In de tastbare orde is de omgang met de engelbewaarder minder
voelbaar dan die met een aardse vriend, maar de werkzaamheid ervan is veel
groter. Zijn raadgevingen komen van God en dringen veel dieper door dan de menselijke
stem. Hij is in staat ons onmetelijk veel beter te horen en te begrijpen dan
onze beste vriend. Niet alleen omdat hij ononderbroken aan onze zijde verblijft,
maar ook omdat hij veel dieper doordringt in wat wij nodig hebben of uiten.
De bijstand die hij ons in ons innerlijk leven weet te
bieden, is zeer waardevol: hij vergemakkelijkt onze vroomheid, oriënteert ons
inwendig gebed en onze mondelinge gebeden en, in het bijzonder, onze tegenwoordigheid
van God. Onze bewaarengel zal onze verbeelding desgevraagd kunnen vergrendelen,
als deze ons werk en onze omgang met God voortdurend blijft bemoeilijken. Hij
zal ons voornemens tot verbetering suggereren, of een eenvoudige en handige
manier aan de hand doen om een goed verlangen, dat tot nu toe werkeloos bleef,
in daden om te zetten. Laten wij ons altijd vertrouwensvol tot hem wenden om te
vragen, zich ten gunste van ons tot de Heer te wenden en Hem dat te zeggen, wat
wij, onhandig als wij zijn, in het persoonlijk gebed niet in woorden weten te
vatten.11 Ook kunnen wij hem vragen, de passende
woorden in te fluisteren om in alle volheid de eenvoud en oprechtheid ons in de
geestelijke leiding te beleven, nadat wij aan zijn zijde het gewetensonderzoek
gedaan hebben. Op momenten van zwakte zal onze omgang met hem ons rust
verschaffen.
De zending van de engelbewaarder begint op aarde, maar zal
zijn vervulling vinden in de hemel, omdat zijn vriendschap geroepen is zich
voort te zetten voor eeuwig. De inhoud daarvan is zo intiem en persoonlijk, dat
de bovennatuurlijke vriendschapsbanden die op aarde ontstonden, voortbestaan in
de hemel. Op het moment waarop wij God rekenschap zullen moeten geven van ons
leven, zal hij een grote bondgenoot zijn. «Hij zal bij het bijzonder oordeel na
je dood de attenties die je in de loop van je leven aan de Heer hebt bewezen,
naar voren brengen. Meer nog: als je je verloren zult voelen door de vreselijke
aanklachten van de vijand, zal je engel aankomen met die diepe uitingen van je
gevoel die je ooit tot God de Vader, God de Zoon en God de Heilige Geest hebt
gericht en die je zelf misschien al vergeten bent. -Daarom moet je je
Engelbewaarder nooit vergeten en dan zal deze Hemelvorst je niet in de steek
laten, nu niet en niet op het beslissende ogenblik.»12
Hij zal onze beste vriend hier op aarde zijn, en later in de eeuwigheid.
-1. Johannes Paulus ii, Algemene audiëntie, 30 juli 1986. -2. Vgl. Idem, Algemene audiëntie, 9
juli 1986. -3. Romeinse catechismus,
IV,9,4. -4. Eerste lezing van de mis, cyclus I: Tob 11,5-17.
-5. Tob 12,15. -6. Tob 12,12-13.
-7. Ex 23,20. -8. Vgl. Hnd
5,18-20; 12,5-10; 10,3-8; 8,26 e.v. -9. Johannes Paulus
ii, Algemene audiëntie, 6 augustus
1986. -10. Vgl. G. Huber, Gods
engelen waken over ons, Lommel 1973, bl. 128. -11. Vgl. H. Jozefmaria Escrivá, De Smidse, 272. -12. Idem, De Voor, 693.
|