Zesde week. Zaterdag
Noveen voor Pinksteren
42. DE GAVE VAN KENNIS
-Deze gave doet ons begrijpen wat de geschapen dingen zijn
volgens Gods plan. -De gave van kennis en de heiliging van tijdelijke
werkelijkheden. -Echte waarde en betekenis van deze wereld. Onthechting en
nederigheid om deze gave te kunnen ontvangen.
42.1 «De schepselen zijn als het ware een afdruk
van Gods voetstap. In hen vindt men sporen terug van zijn grootheid, macht,
wijsheid en andere goddelijke eigenschappen.»1 Zij zijn als een spiegel, en daarin
weerspiegelt zich de pracht van zijn schoonheid, zijn goedheid, zijn macht...: De
hemel verkondigt de majesteit Gods, het zwerk meldt het werk zijner handen.2
Toch weten mensen, als gevolg van de erfzonde en persoonlijke
zonden, in veel gevallen dit spoor van God in de wereld niet te herkennen. Zij
komen er niet toe te vatten wie de bron van alle dingen is: zij zijn niet in
staat geweest uit de zichtbare goederen de goddelijke Kunstenaar te kennen.
Bekoord door de fraaiheid van de geschapen dingen zijn zij deze gaan houden
voor goden. Zij hadden moeten leren begrijpen -vervolgt de Heilige Schrift-
hoeveel voortreffelijker de Heer van dat alles is, want Hij die het geschapen
heeft, is de oorsprong van de schoonheid.3
De gave van kennis maakt het de mens makkelijk de geschapen
dingen op te vatten als tekenen die naar God verwijzen, en wat de betekenis is
van de verheffing tot de bovennatuurlijke orde. Door de wereld van de natuur en
die van de genade doet de Heilige Geest ons de oneindige wijsheid, de almacht,
de goedheid, de eigen natuur van God waarnemen en beschouwen. «Het is een gave
van de beschouwing en net als de gaven van verstand en wijsheid doet zij de
blik dóórdringen in het mysterie zelf van God.»4
Dankzij deze gave ziet en begrijpt de christen in alle
helderheid, «dat de hele schepping, de beweging van de aarde en de andere
hemellichamen, het goede streven van de mens en al wat positief is in de
vooruitgang van de geschiedenis, dat dit alles van God komt en in Hem zijn
laatste bestemming heeft.»5 Een bovennatuurlijke gesteltenis doet de ziel deelhebben
aan Gods eigen kennis. Zij ontdekt de verbanden tussen al het geschapene en de
Schepper ervan en ontdekt welk middel en welke weg de mens dienen om zijn
laatste doel te bereiken.
Een blijk van de gave van kennis vinden we in het boek
Daniël, in het Loflied van de drie jongelingen dat velen bidden als
dankzegging na de Mis. Alle geschapen dingen wordt gevraagd de Schepper te
loven en te prijzen: Benedicite, omnia opera Domini Domino... Looft de Heer,
alle werken des Heren; prijst en verheft Hem voor eeuwig. Looft de Heer, gij
engelen des Heren. Hemelen... alle wateren boven de hemel... zon en maan... sterren
des hemels... dauw en regen... alle winden... hitte en koude... rijp en dauw... nacht en
dag... licht en donker... bergen en heuvels... alle gewassen op aarde... waterbronnen...
zeeën en stromen... zeegedrochten en al wat in het water wemelt... vogels in de
lucht... wilde en tamme dieren... priesters van de Heer... rechtvaardige geesten en
zielen... heiligen en ootmoedigen van hart... prijst en verheft Hem, want zijn
barmhartigheid is eeuwig.6
Deze prachtige lofzang van de hele schepping, van bezielde
wezens en van schepselen die geen leven hebben, brengt eer aan haar Schepper.
Het is «een van de zuiverste en vurigste uitdrukkingen van de gave van kennis:
dat de hemelen en de hele schepping de glorie van God zingen.»7 Het zal voor ons
bij vele gelegenheden ook een steun zijn in de dankzegging na deelgenomen te
hebben aan wat de grootste lofzang tot God is: de heilige Mis.
42.2 Door de gave van kennis weet degene die
volgzaam is jegens de Heilige Geest, zonder enige aarzeling onderscheid te
maken tussen dat wat naar God voert en dat wat van Hem scheidt. Dat geldt voor
de kunsten, voor het milieu, voor de mode, voor ideologieën... Hij kan naar
waarheid zeggen: De Heer voert de rechtvaardige langs rechte paden en geeft
hem de kennis van het heilige.8 De Parakleet waarschuwt ook, als zaken die op zich goed en
juist zijn, kunnen veranderen in dingen die slecht zijn voor de mens, omdat ze
hem van zijn bovennatuurlijk doel afhouden: door een ongeordende zucht naar
bezit, door een verknochtheid van het hart aan aardse goederen die zó sterk is,
dat het niet meer vrij is voor God enzovoort.
De christen, die geheiligd wil worden te midden van de
wereld, heeft deze gave in bijzondere mate nodig om alle aardse activiteiten op
God te richten door deze aan te wenden als middelen tot heiligheid en
apostolaat. Door middel van de gave van kennis begrijpt een moeder beter, dat
haar huishoudelijke bezigheden de weg vormen die naar God voert, als zij gedaan
zijn met de juiste bedoeling en het verlangen God te behagen. Zo begrijpt een
student op dezelfde manier, dat zijn studie de gewone weg is om God te kunnen
beminnen, apostolaat uit te oefenen en de samenleving ten nutte te zijn. Voor
de architect zijn het zijn ontwerpen en projecten in uitvoering; voor de
verpleegster haar zorg voor de zieken enz. Dan is het ook duidelijk waarom wij
de wereld en de gewone aardse bezigheden op hun juiste waarde weten te
schatten. Dan begrijp je hoe er «in elke situatie, hoe alledaags ook, 'iets'
heiligs, 'iets' goddelijks te vinden is. Aan jou de taak dat te ontdekken.»9 «Zo zal» -zegt de heilige Jozefmaria Escrivá verder-
«als een christen de onbenulligste kleinigheid van elke dag met liefde
doet, die kleinigheid met de grootheid van God vervuld worden. Dat is de reden
waarom ik er steeds maar weer op hamer, dat de christelijke roeping erin
bestaat van het proza van elke dag heldendichten te maken.»10
Houd van de zaken van de wereld, maar schat ze op de juiste
waarde: de waarde die ze voor God hebben. Zo zullen wij er groot belang aan
hechten tempels van de Heilige Geest te zijn, want «als God in onze ziel
woont, is al het overige -hoe belangrijk het ook lijkt- bijzaak, voorbijgaand.
Daarentegen zijn wij, in God, het blijvende.»11 Meer dan de aardse goederen, dan het
leven zelf, beschouwen we het geloof als de grootste schat die we gekregen
hebben en we zouden eerder bereid moeten zijn al het andere achter te laten,
dan deze schat te verliezen. Met het licht van deze gave kennen we, bijvoorbeeld,
de waarde van het gebed en van de versterving en de beslissende invloed die ze
op ons leven hebben. Dat zal ons ertoe aanzetten ze onder geen enkele
omstandigheid te verwaarlozen.
42.3 Met het licht van deze kennis ziet de
christen de geringe waarde van het tijdelijke, als dit hem niet verder helpt op
weg naar het eeuwige; ziet hij hoe kort het mensenleven op aarde is; hoe pover
het geluk is, dat deze wereld kan bieden in vergelijking met wat God beloofd
heeft aan wie Hem wil liefhebben; de nutteloosheid van zoveel inspanningen die
niet voor het aanschijn van de Heer verricht zijn... Bij het overzien van het
voorbije leven, waarin God misschien niet op de eerste plaats kwam, voelt de
ziel een diep berouw om zoveel kwaad, om zoveel verloren kansen. Dan groeit in
haar het verlangen de verspilde tijd goed te maken door de Heer trouwer te
zijn.
Alles van deze wereld -waar we van houden en wat we moeten
heiligen- blijkt in het licht van deze gave het stempel te dragen van
vergankelijkheid, terwijl de gave van kennis het bovennatuurlijk doel van de
mens in volle glans doet uitkomen, waaraan we alle aardse realiteiten
ondergeschikt moeten maken.
Deze kijk van het geloof op wereld, gebeurtenissen en mensen
zou verduisterd kunnen worden, verblind zelfs door wat de heilige Johannes
noemt het begeren der ogen.12 Dan lijkt het alsof de geest het ware licht niet
aanneemt, en de aardse werkelijkheden niet op God weet te richten, maar ze tot
haar doel maakt. Het ongeordend verlangen naar materiële goederen, het meten
van geluk met de maat van hier beneden, belemmert of vernietigt de werking van
deze gave. De ziel vervalt dan tot een soort blindheid, waardoor zij niet in
staat is de echte goede dingen -de blijvende dingen- te herkennen en ervan te
genieten. De bovennatuurlijke hoop wordt dan vervangen door een steeds
groeiende zucht naar materieel welzijn en de ziel vlucht voor alles wat
versterving en offer vraagt.
Een louter menselijke kijk op de werkelijkheid zal
uiteindelijk uitmonden in onwetendheid omtrent de waarheden over God, of men
zou die hoogstens als 'academische waarheden' beschouwen, zonder praktische
betekenis voor het gewone leven, zonder de mogelijkheid inzicht te verschaffen
in het normale bestaan. Zonden tegen deze gave laten de mens in het duister
achter. Dat verklaart die grote onwetendheid omtrent God die over de wereld
waart. Soms gaat het om een reële onmogelijkheid het bovennatuurlijke te
begrijpen of aan te nemen, omdat men de ogen van de ziel volledig afgewend
heeft naar dingen die wel voor een deel goed, maar ook bedrieglijk kunnen zijn
en de ogen voor de echt goede dingen gesloten houdt.
Om ons in de juiste gesteldheid te brengen deze gave te
ontvangen, is het nodig de Heilige Geest te vragen, dat Hij ons helpt om te
leven in vrijheid en onthechting van aardse goederen. En of Hij ons wil helpen
nederig te zijn, om onderricht te kunnen worden inzake de werkelijke waarde der
dingen. Naast deze gesteldheden zullen we de aanwezigheid van God koesteren,
wat helpt de Heer te zien te midden van ons werk. Laten we het vaste besluit
maken die gebeurtenissen in ons gebed op te nemen, die bepalend zijn voor ons
leven en ook de realiteit van elke dag: het gezin, de collega's die schouder
aan schouder voor hetzelfde karwei staan, dat wat ons het meest bezighoudt... Het
gebed is altijd een machtige schijnwerper die de echte werkelijkheid van de
dingen en gebeurtenissen in het juiste licht plaatst.
Om deze gave te verkrijgen, om de capaciteit te verwerven
haar in bezit te houden, zullen we onze toevlucht nemen tot de heilige maagd
Maria. Zij is de Moeder van de Schone Liefde, en van godsvrucht, en van
kennis en van de heilige hoop.13 «Moeder van kennis is Maria, omdat van haar de
belangrijkste les geleerd wordt: dat niets de moeite waard is, als wij niet naast
de Heer staan; dat alle wonderen der aarde, alle bevredigde ambities tot niets
dienen, als in onze borst niet de vlam van een levende liefde brandt, het licht
van de heilige hoop die een voorproef is van de oneindige liefde in ons
definitieve Vaderland.»14
-1. H. Johannes
van het Kruis, Geestelijk Hooglied, 3,5. -2. Ps 19,1. -3. Wijsh
13,1-3. -4. M.M. Philipon, Les
dons du Saint-Esprit. -5. H.
Jozefmaria Escrivá, Als Christus nu langs komt, 130. -6. Vgl. Dan
3,52-90. -7. M.M. Philipon, o.c.
-8. Wijsh 10,10. -9. Gesprekken met Mgr. Escrivá, 114. -10. Ibidem,
115. -11. H. Jozefmaria Escrivá, Vrienden
van God, 92. -12. 1 Joh 2,16. -13. Sir 24,18. -14. H. Jozefmaria Escrivá, Vrienden van
God, 278.
|