Zevende week. Donderdag
Noveen voor Pinksteren
47. DE GAVE VAN ONTZAG VOOR GOD
-Het slaafse en het heilige ontzag voor God. De gevolgen van
deze gave voor de ziel. -Het heilige ontzag voor God en de inzet om alle zonde
te verwerpen. -De schakel tussen deze gave en de deugden van nederigheid en
matigheid. Geestelijke fijngevoeligheid en zondebesef.
47.1 De heilige Theresia zegt, dat God ons twee
middelen schenkt om alle verleidingen en beproevingen het hoofd te kunnen
bieden: «Liefde en vrees... Liefde zorgt ervoor dat wij ons haasten, terwijl de
vrees ervoor zorgt dat wij eerst kijken waar we onze voeten zetten, zodat wij
niet vallen.»1
Maar niet elk vrezen is goed. Zo is er de wereldse vrees van
degenen die boven alles het fysieke kwaad vrezen dat hen tijdens dit leven kan
treffen. Zij vluchten voor alle aardse
ongemakken. Sommigen -zodra zij zien dat trouw aan een christelijke manier van
leven tot tegenslag kan leiden- zijn bereid om Christus en zijn Kerk te
verlaten. Vanuit deze vrees ontspringt menselijk opzicht; zij is de oorsprong
van talloze capitulaties en, uiteindelijk, van de ontrouw.
De vrees die slaafs wordt genoemd, is geheel anders. Zij
houdt de ziel af van de zonde, uit angst voor de straf van de hel of om enig
ander motief, dat enigszins zelfzuchtig is, maar wel bovennatuurlijk van aard.
Dit ontzag is positief, want voor velen die ver van God staan, kan het de
eerste stap zijn naar hun bekering en het begin van de liefde.2 Dit moet niet het
hoofdmotief voor een christen zijn, maar vaak is het een goede verdediging
tegen de bekoringen en de attractie van het kwaad.
Wie vreest, is niet volgroeid in de liefde3, schrijft de
apostel Johannes, want de ware christen handelt uit liefde en is geschapen voor
de liefde. Het heilig ontzag voor God, gave van de Heilige Geest, woonde samen
met de andere gaven in de allerheiligste ziel van Christus en vervulde ook de
ziel van de allerheiligste Maagd. Het is de gave van de heiligen, die voor
eeuwig leven in de hemel en daar, samen met de engelen, de Allerheiligste
Drieëenheid voortdurend prijzen. De heilige Thomas van Aquino leert dat deze
gave een gevolg is van de gave der wijsheid en, als het ware, haar uitwendig
teken.4
Deze vrees is als het gevoel van kinderen die hun vader niet
willen beledigen, omdat zij zich door hem bemind en beschermd weten. Haar
resultaat is tweevoudig. Ten eerste -en dit is het belangrijkste, want het is
het enige effect dat in Christus èn in Onze Lieve Vrouw aanwezig was- is een
enorm ontzag voor Gods majesteit, een diepe fijngevoeligheid voor alles wat
heilig is en een grenzeloze blijdschap om zijn vaderlijke goedheid. Zo maakt
deze gave het mogelijk dat de heiligen hun onwaardigheid voor God bekennen.
Ook wij kunnen onze nietigheid erkennen en, misschien als
schietgebed, de woorden herhalen die zo vaak gezegd zijn door de H. Jozefmaria
Escrivá: «Ik ben niets waard, ik heb niets, ik kan niets, ik weet niets, ik ben
niets, helemaal niets!»5 Tegelijkertijd besefte hij de onnoemelijke grootheid van
een kind van God zijn.
Tijdens ons leven op aarde onthult zich nog een tweede
effect, afkomstig van deze gave: een grote afschuw van de zonde en een zeer
levendig berouw, wanneer men het ongeluk heeft gehad toch een zonde te plegen.
Met het licht van het geloof, verhelderd door de glans van de andere gaven,
begrijpt de ziel iets van Gods transcendentie en van de oneindige afstand en de
diepe afgrond die de zonde teweegbrengt tussen God en de mens.
De gave van ontzag verlicht ons en doet ons begrijpen dat de
«zonde de wortel van al het morele kwaad is dat de maatschappij verdeelt en
verscheurt.»6 De
gave van ontzag brengt ons ook ertoe om de opzettelijke dagelijkse zonde te
haten, om energiek te reageren tegen de eerste symptomen van lauwheid,
nalatigheid en middelmatigheid. Op sommige momenten van ons leven kunnen wij de
behoefte voelen om, als een dringend gebed, te herhalen: «Ik wil niet lauw
zijn. Confige timore tuo carnes meas! Doordring mijn vlees met uw vrees.
-Geef mij, mijn God, een kinderlijke vrees die mij wakker maakt!»7
47.2 Liefde en vrees: zij moeten de bagage van
onze levensweg zijn. «Als de liefde de vrees verdrijft, verandert de vrees zelf
in liefde.»8 Het
is de vrees van een kind van God, dat zonder voorbehoud van zijn Vader houdt en
die door niets in de wereld van hem gescheiden wil worden. Dan begrijpt de ziel
beter de oneindige afstand tussen haar en God en, tegelijkertijd, het feit dat
zij kind van Hem is. Nooit heeft zij meer dan nu vertrouwd op God, nooit heeft
zij meer ontzag voor Hem gehad en Hem meer aanbeden. Als de heilige vrees voor
God verloren gaat, wordt het zondebesef vager of verdwijnt zelfs. Dan dringt
lauwheid gemakkelijk de ziel binnen. Het lukt haar dan niet om Gods macht en
majesteit te onderkennen en Hem de passende eer te geven.
Wij kunnen de bovennatuurlijke wereld niet dichterbij brengen door te proberen Gods transcendentie op te
heffen. De juiste weg is de vergoddelijking die door de genade in ons tot stand werd gebracht, de nederigheid en de
liefde die zich uit in de strijd om alle zonde uit ons leven te bannen.
«De eerste vereiste om het kwaad, dat de Heer zo hard
veroordeelt, uit te roeien is zorgen om bij onszelf een duidelijke, tot
gewoonte geworden, blijvende aversie tegen de zonde aan te kweken. Stevig en
oprecht, met hart en hoofd moeten we de doodzonde verafschuwen. Maar ook onze houding
moet getuigen van een diep ingewortelde weerzin tegen de vrijwillig bedreven
dagelijkse zonde, een afkeer van die misstappen die ons niet beroven van de
goddelijke genade, maar wel een bedreiging vormen voor de kanalen waarlangs die
genade ons toestroomt.»9 Tegenwoordig lijkt het erop of veel mensen het ontzag voor
God hebben verloren. Zij vergeten wie God is en wie wij zijn, zij vergeten de
goddelijke rechtvaardigheid en zo moedigen zij zichzelf aan, voort te gaan op
hun dwaalwegen.10
De overweging van onze dood, van de uitersten, van de
definitieve ontmoeting met God, bereidt ons voor om beter die gave van ontzag
van de Heilige Geest te ontvangen die zo dicht bij de liefde staat.
47.3 Onze Heer heeft ons er vaak op gewezen dat
wij nergens bevreesd voor hoeven te zijn, behalve voor de zonde; zij neemt
immers onze vriendschap met God weg. Als wij in aanraking komen met
moeilijkheden, met een vijandelijke omgeving of met een onzekere toekomst,
moeten wij niet bang zijn, maar sterk en moedig, zoals kinderen van God
betaamt. Een christen kan niet in angst leven, maar wel moet hij in zijn hart
een heilig ontzag voor God hebben, die hij niettemin ook zielsveel bemint.
In heel het evangelie
«herhaalt Christus verschillende keren: Vreest niet... weest niet bevreesd.
En tegelijkertijd, samen met deze oproep voor sterkte, klinkt de aansporing: vreest
veeleer Hem die èn ziel èn lichaam in het verderf kan storten in de hel (Mt
10,28). Wij zijn geroepen om sterk te zijn en, tegelijkertijd, om God te
vrezen, en dit behoort een ontzag te zijn dat voortkomt uit liefde: de vrees
van een kind. Alleen als deze houding van ontzag en vrees in onze harten
doordringt, zullen wij zo sterk zijn als de apostelen, de martelaren en de
belijders.»11
Onder de belangrijkste gevolgen die het ontzag voor God
bewerkstelligt in onze ziel, zijn de onthechting van de geschapen dingen en een
innerlijke houding van waakzaamheid om zelfs de geringste aanleiding tot zonde
te vermijden. De ziel verkrijgt een bijzondere gevoeligheid alles aan te voelen
wat de Heilige Geest kan bedroeven.12
De gave van ontzag ligt aan de basis van de nederigheid, want
zij laat de ziel haar kwetsbaarheid zien en leert haar de noodzaak om de wil,
getrouw en liefdevol, onderworpen te houden aan de oneindige majesteit van God.
Wij zijn er niet op uit om Gods plaats in te nemen; tevreden met onze eigen
plaats, verlangen wij niet de eer die bestemd is voor zijn glorie. Eén van de
tekenen van trots is het ontbreken van het ontzag voor God.
Deze gave heeft, net als de nederigheid, verwantschap met de
deugd van de matigheid. Zij brengt ons ertoe om de menselijke goederen met mate
te gebruiken, ondergeschikt aan ons bovennatuurlijk doel. De meest voorkomende
oorzaak van de zonde ligt in het ongeordend zoeken naar zintuiglijke
genietingen en het najagen van materiële zaken. Hier is deze gave werkzaam; zij
zuivert het hart en behoudt ons geheel voor God.
De gave van ontzag is vooral die van de strijd tegen de
zonde. Alle andere gaven helpen ons hierbij: het licht van de gaven van inzicht
en wijsheid laat ons de grootheid van God en de ware betekenis van de zonde
zien; de praktische aanwijzingen van de gave van raad bewaren ons in de juiste
houding ten opzichte van God; de gave van sterkte geeft ons steun om
onvermoeibaar te vechten tegen het kwade.
Deze gave die, samen met de andere, werd uitgestort in het
doopsel, neemt toe in de mate dat wij trouw zijn aan de genade die de Heilige
Geest ons geeft. Zij neemt in het bijzonder toe, wanneer wij Gods grootheid en
majesteit beschouwen, wanneer wij een diepgaand gewetensonderzoek doen en zo
onze tekortkomingen en zonden ontdekken zonder ze te minimaliseren. Het heilige
ontzag voor God leidt ons snel naar het berouw en de spijt die voortkomen uit
de liefde van een kind van God. «Liefde en vrees van God! Dit zijn twee sterke
vestingen van waaruit wij de oorlog met de wereld en met de duivel kunnen
aangaan.» 13
Het heilig ontzag voor God zal ons ongemerkt naar een
verstandig wantrouwen van onszelf leiden om snel te vluchten voor de gelegenheid
tot zondigen. Zij zal onze fijngevoeligheid jegens God en alles wat naar Hem
verwijst doen toenemen. Vragen wij de Heilige Geest ons te helpen om onze
zonden oprecht te erkennen en er werkelijk spijt over te tonen. Moge Hij ons
doen reageren zoals de psalmist: Als bronwellen vloeien mijn tranen: omdat
men úw wet veronachtzaamt.14 Laten wij bidden dat wij, met een fijngevoelige ziel, ons
zondebesef altijd levend houden.
-1. H. Theresia
van Avila, De weg der volmaaktheid, 40,1. -2. Sir 25,12.
-3. 1 Joh 4,18. -4. Vgl. H.
Thomas van Aquino, Summa Theologiae, II-II, q45, a1, ad 3. -5.
Geciteerd door A. Vázquez de Prada, De
stichter van het Opus Dei, Madrid 1983, p. 383. -6. Johannes Paulus ii, Brief bij de 'Instrumentum
laboris' van de 6e bisschoppensynode,
25 januari 1983. -7. Vgl. H. Jozefmaria
Escrivá, De Weg, 326. -8. H.
Gregorius van Nyssa, Homilie 15. -9. H. Jozefmaria Escrivá, Vrienden van
God, 243. -10. Vgl. Idem, De
Weg, 747. -11. Johannes
Paulus ii, Toespraak tot de nieuwe kardinalen, 30 april
1979. -12 Vgl. Ef 4,30. -13. H.
Theresia van Avila, o.c., 40,2. -14. Ps 119,136.
|