Boeken over RK geloof en leven
Boeken & DVD's Voor eenheid van geloof en leven 
Home Best verkocht Alle titels Aanbiedingen Bestellijst Help Contact
pijl
Categorie
Kort Bestek
Andere pockets
Arco Reeks
Van Jozefmaria Escrivá
Spreken met God
Andere Boeken
Over Jozefmaria Escrivá
Voor kinderen
Jade Reeks
Theologie/ATRIUM
Video / DVD
Navarre bible

Zoek cadeau
tot € 5,-
van € 5,- tot € 10,-
van € 10,- tot € 20,-
vanaf € 20,-

Zoeken


Meditaties
Uit Spreken met God


Betaal snel & veilig met
Meditaties Uit de serie Spreken met God

Zevende week. Donderdag
Noveen voor Pinksteren

47. DE GAVE VAN ONTZAG VOOR GOD

-Het slaafse en het heilige ontzag voor God. De gevolgen van deze gave voor de ziel. -Het heilige ontzag voor God en de inzet om alle zonde te verwerpen. -De schakel tussen deze gave en de deugden van nederigheid en matigheid. Geestelijke fijngevoeligheid en zondebesef.

47.1 De heilige Theresia zegt, dat God ons twee middelen schenkt om alle verleidingen en beproevingen het hoofd te kunnen bieden: «Liefde en vrees... Liefde zorgt ervoor dat wij ons haasten, terwijl de vrees ervoor zorgt dat wij eerst kijken waar we onze voeten zetten, zodat wij niet vallen.»1 

Maar niet elk vrezen is goed. Zo is er de wereldse vrees van degenen die boven alles het fysieke kwaad vrezen dat hen tijdens dit leven kan treffen. Zij vluchten voor alle aardse ongemakken. Sommigen -zodra zij zien dat trouw aan een christelijke manier van leven tot tegenslag kan leiden- zijn bereid om Christus en zijn Kerk te verlaten. Vanuit deze vrees ontspringt menselijk opzicht; zij is de oorsprong van talloze capitulaties en, uiteindelijk, van de ontrouw.

De vrees die slaafs wordt genoemd, is geheel anders. Zij houdt de ziel af van de zonde, uit angst voor de straf van de hel of om enig ander motief, dat enigszins zelfzuchtig is, maar wel bovennatuurlijk van aard. Dit ontzag is positief, want voor velen die ver van God staan, kan het de eerste stap zijn naar hun bekering en het begin van de liefde.2 Dit moet niet het hoofdmotief voor een christen zijn, maar vaak is het een goede verdediging tegen de bekoringen en de attractie van het kwaad.

Wie vreest, is niet volgroeid in de liefde3, schrijft de apostel Johannes, want de ware christen handelt uit liefde en is geschapen voor de liefde. Het heilig ontzag voor God, gave van de Heilige Geest, woonde samen met de andere gaven in de allerheiligste ziel van Christus en vervulde ook de ziel van de allerheiligste Maagd. Het is de gave van de heiligen, die voor eeuwig leven in de hemel en daar, samen met de engelen, de Allerheiligste Drieëenheid voortdurend prijzen. De heilige Thomas van Aquino leert dat deze gave een gevolg is van de gave der wijsheid en, als het ware, haar uitwendig teken.4 

Deze vrees is als het gevoel van kinderen die hun vader niet willen beledigen, omdat zij zich door hem bemind en beschermd weten. Haar resultaat is tweevoudig. Ten eerste -en dit is het belangrijkste, want het is het enige effect dat in Christus èn in Onze Lieve Vrouw aanwezig was- is een enorm ontzag voor Gods majesteit, een diepe fijngevoeligheid voor alles wat heilig is en een grenzeloze blijdschap om zijn vaderlijke goedheid. Zo maakt deze gave het mogelijk dat de heiligen hun onwaardigheid voor God bekennen.

Ook wij kunnen onze nietigheid erkennen en, misschien als schietgebed, de woorden herhalen die zo vaak gezegd zijn door de H. Jozefmaria Escrivá: «Ik ben niets waard, ik heb niets, ik kan niets, ik weet niets, ik ben niets, helemaal niets!»5 Tegelijkertijd besefte hij de onnoemelijke grootheid van een kind van God zijn.

Tijdens ons leven op aarde onthult zich nog een tweede effect, afkomstig van deze gave: een grote afschuw van de zonde en een zeer levendig berouw, wanneer men het ongeluk heeft gehad toch een zonde te plegen. Met het licht van het geloof, verhelderd door de glans van de andere gaven, begrijpt de ziel iets van Gods transcendentie en van de oneindige afstand en de diepe afgrond die de zonde teweegbrengt tussen God en de mens.

De gave van ontzag verlicht ons en doet ons begrijpen dat de «zonde de wortel van al het morele kwaad is dat de maatschappij verdeelt en verscheurt.»6 De gave van ontzag brengt ons ook ertoe om de opzettelijke dagelijkse zonde te haten, om energiek te reageren tegen de eerste symptomen van lauwheid, nalatigheid en middelmatigheid. Op sommige momenten van ons leven kunnen wij de behoefte voelen om, als een dringend gebed, te herhalen: «Ik wil niet lauw zijn. Confige timore tuo carnes meas! Doordring mijn vlees met uw vrees. -Geef mij, mijn God, een kinderlijke vrees die mij wakker maakt!»7 

47.2 Liefde en vrees: zij moeten de bagage van onze levensweg zijn. «Als de liefde de vrees verdrijft, verandert de vrees zelf in liefde.»8 Het is de vrees van een kind van God, dat zonder voorbehoud van zijn Vader houdt en die door niets in de wereld van hem gescheiden wil worden. Dan begrijpt de ziel beter de oneindige afstand tussen haar en God en, tegelijkertijd, het feit dat zij kind van Hem is. Nooit heeft zij meer dan nu vertrouwd op God, nooit heeft zij meer ontzag voor Hem gehad en Hem meer aanbeden. Als de heilige vrees voor God verloren gaat, wordt het zondebesef vager of verdwijnt zelfs. Dan dringt lauwheid gemakkelijk de ziel binnen. Het lukt haar dan niet om Gods macht en majesteit te onderkennen en Hem de passende eer te geven.

Wij kunnen de bovennatuurlijke wereld niet dichterbij brengen door te proberen Gods transcendentie op te heffen. De juiste weg is de vergoddelijking die door de genade in ons tot stand werd gebracht, de nederigheid en de liefde die zich uit in de strijd om alle zonde uit ons leven te bannen.

«De eerste vereiste om het kwaad, dat de Heer zo hard veroordeelt, uit te roeien is zorgen om bij onszelf een duidelijke, tot gewoonte geworden, blijvende aversie tegen de zonde aan te kweken. Stevig en oprecht, met hart en hoofd moeten we de doodzonde verafschuwen. Maar ook onze houding moet getuigen van een diep ingewortelde weerzin tegen de vrijwillig bedreven dagelijkse zonde, een afkeer van die misstappen die ons niet beroven van de goddelijke genade, maar wel een bedreiging vormen voor de kanalen waarlangs die genade ons toestroomt.»9 Tegenwoordig lijkt het erop of veel mensen het ontzag voor God hebben verloren. Zij vergeten wie God is en wie wij zijn, zij vergeten de goddelijke rechtvaardigheid en zo moedigen zij zichzelf aan, voort te gaan op hun dwaalwegen.10

De overweging van onze dood, van de uitersten, van de definitieve ontmoeting met God, bereidt ons voor om beter die gave van ontzag van de Heilige Geest te ontvangen die zo dicht bij de liefde staat.

47.3 Onze Heer heeft ons er vaak op gewezen dat wij nergens bevreesd voor hoeven te zijn, behalve voor de zonde; zij neemt immers onze vriendschap met God weg. Als wij in aanraking komen met moeilijkheden, met een vijandelijke omgeving of met een onzekere toekomst, moeten wij niet bang zijn, maar sterk en moedig, zoals kinderen van God betaamt. Een christen kan niet in angst leven, maar wel moet hij in zijn hart een heilig ontzag voor God hebben, die hij niettemin ook zielsveel bemint.

In heel het evangelie «herhaalt Christus verschillende keren: Vreest niet... weest niet bevreesd. En tegelijkertijd, samen met deze oproep voor sterkte, klinkt de aansporing: vreest veeleer Hem die èn ziel èn lichaam in het verderf kan storten in de hel (Mt 10,28). Wij zijn geroepen om sterk te zijn en, tegelijkertijd, om God te vrezen, en dit behoort een ontzag te zijn dat voortkomt uit liefde: de vrees van een kind. Alleen als deze houding van ontzag en vrees in onze harten doordringt, zullen wij zo sterk zijn als de apostelen, de martelaren en de belijders.»11 

Onder de belangrijkste gevolgen die het ontzag voor God bewerkstelligt in onze ziel, zijn de onthechting van de geschapen dingen en een innerlijke houding van waakzaam­heid om zelfs de geringste aanleiding tot zonde te vermijden. De ziel verkrijgt een bijzondere gevoeligheid alles aan te voelen wat de Heilige Geest kan bedroeven.12 

De gave van ontzag ligt aan de basis van de nederigheid, want zij laat de ziel haar kwetsbaarheid zien en leert haar de noodzaak om de wil, getrouw en liefdevol, onderworpen te houden aan de oneindige majesteit van God. Wij zijn er niet op uit om Gods plaats in te nemen; tevreden met onze eigen plaats, verlangen wij niet de eer die bestemd is voor zijn glorie. Eén van de tekenen van trots is het ontbreken van het ontzag voor God.

Deze gave heeft, net als de nederigheid, verwantschap met de deugd van de matigheid. Zij brengt ons ertoe om de menselijke goederen met mate te gebruiken, ondergeschikt aan ons bovennatuurlijk doel. De meest voorkomende oorzaak van de zonde ligt in het ongeordend zoeken naar zintuiglijke genietingen en het najagen van materiële zaken. Hier is deze gave werkzaam; zij zuivert het hart en behoudt ons geheel voor God.

De gave van ontzag is vooral die van de strijd tegen de zonde. Alle andere gaven helpen ons hierbij: het licht van de gaven van inzicht en wijsheid laat ons de grootheid van God en de ware betekenis van de zonde zien; de praktische aanwijzingen van de gave van raad bewaren ons in de juiste houding ten opzichte van God; de gave van sterkte geeft ons steun om onvermoeibaar te vechten tegen het kwade.

Deze gave die, samen met de andere, werd uitgestort in het doopsel, neemt toe in de mate dat wij trouw zijn aan de genade die de Heilige Geest ons geeft. Zij neemt in het bijzonder toe, wanneer wij Gods grootheid en majesteit beschouwen, wanneer wij een diepgaand gewetensonderzoek doen en zo onze tekortkomingen en zonden ontdekken zonder ze te minimaliseren. Het heilige ontzag voor God leidt ons snel naar het berouw en de spijt die voortkomen uit de liefde van een kind van God. «Liefde en vrees van God! Dit zijn twee sterke vestingen van waaruit wij de oorlog met de wereld en met de duivel kunnen aangaan.» 13 

Het heilig ontzag voor God zal ons ongemerkt naar een verstandig wantrouwen van onszelf leiden om snel te vluchten voor de gelegenheid tot zondigen. Zij zal onze fijngevoeligheid jegens God en alles wat naar Hem verwijst doen toenemen. Vragen wij de Heilige Geest ons te helpen om onze zonden oprecht te erkennen en er werkelijk spijt over te tonen. Moge Hij ons doen reageren zoals de psalmist: Als bronwellen vloeien mijn tranen: omdat men úw wet veronachtzaamt.14 Laten wij bidden dat wij, met een fijngevoelige ziel, ons zondebesef altijd levend houden.

-1. H. Theresia van Avila, De weg der volmaaktheid, 40,1. -2. Sir 25,12. -3. 1 Joh 4,18. -4. Vgl. H. Thomas van Aquino, Summa Theologiae, II-II, q45, a1, ad 3. -5. Geciteerd door A. Vázquez de Prada, De stichter van het Opus Dei, Madrid 1983, p. 383. -6. Johannes Paulus ii, Brief bij de 'Instrumentum laboris' van de 6e bisschoppensynode, 25 januari 1983. -7. Vgl. H. Jozefmaria Escrivá, De Weg, 326. -8. H. Gregorius van Nyssa, Homilie 15. -9. H. Jozefmaria Escrivá, Vrienden van God, 243. -10. Vgl. Idem, De Weg, 747. -11. Johannes Paulus ii, Toespraak tot de nieuwe kardinalen, 30 april 1979. -12 Vgl. Ef 4,30. -13. H. Theresia van Avila, o.c., 40,2. -14. Ps 119,136.



Catalogus 2012
Aanbiedingen
De avonturen van Josemaría
van € 12,00 voor € 5,00
De heilige Jozefmaria Escrivá
van € 9,50 voor € 5,00
Meer aanbiedingen ...
Best verkocht
1 Kinderen van God
2 Korte Geschiedenis van de Katholieke Kerk
3 De Bijbel leren kennen
4 De Katholieke Kerk verkennen
Meer over best verkocht ...
Snel zoeken
Sitemaps: xml  html    ©De Boog 08 feb 2012