Zevende week. Maandag
Noveen voor Pinksteren
44. DE GAVE VAN RAAD
-De gave van raad en de deugd van verstandigheid. -De gave
van raad helpt ons om een zuiver geweten te houden. -De raadgevingen van de
geestelijke leiding. Middelen om deze gave werkzamer te doen zijn.
44.1 Er zijn veel momenten waarop wij van de weg
die naar God leidt kunnen afdwalen. Er zijn veel zijpaden die we in kunnen
slaan. God verzekert ons echter: Inzicht geef Ik u, onderrichting, omtrent
de weg die gij gaan moet. Ik geef u raad. Mijn oog is op u.1 De Heilige Geest
is onze beste raadgever, onze beste leraar, onze beste gids. De belofte van de
Heer aan zijn apostelen, voor het geval zij in buitengewoon moeilijke situaties
zouden komen, is hartversterkend: Maakt u echter, wanneer men u overlevert,
niet bezorgd over het hoe of wat van uw spreken: op dat ogenblik zal u worden
ingegeven wat gij moet zeggen. Want niet gij zijt het die spreekt, maar door u
spreekt dan de Geest van uw Vader.2 Zij zouden de hulp van de Heilige Geest zelf
ontvangen, zoals alle christenen die door de eeuwen heen ontvangen hebben
wanneer ze in soortgelijke situaties terecht waren gekomen.
De houding van de vele christelijke martelaars laat ons zien
hoe deze belofte, door Jezus gegeven, vervuld is in het leven van de Kerk. Het
is ontroerend om in de ons overgeleverde documenten de rust en wijsheid te zien
van mensen, veelal met een geringe scholing,
en zelfs van kinderen. De Heilige Geest, die ons zelfs in het kleinste
probleem helpt, zal dit op bijzondere wijze doen in tijden van nood, als het
ogenblik is gekomen om ons geloof te belijden.
Door de gave van raad vervolmaakt de Heilige Geest de
handelingen van de deugd der verstandigheid. Deze deugd doet ons inzien, welke
middelen wij in een bepaalde situatie moeten gebruiken. Vaak moeten wij een
beslissing nemen; soms gaat het om een zaak van belang, andere keren is dit niet
het geval. Maar altijd staat onze heiliging, op de een of andere manier, op het
spel. God schenkt de gave van raad aan degenen die gehoorzaam zijn aan de
werking van de Heilige Geest, zodat zij in staat zijn om snel de juiste
beslissing te nemen. Deze gave werkt als het ware als een bovennatuurlijk
instinct, zodat wij de weg vinden die God de meeste eer geeft. Net zoals de
natuurlijke verstandigheid alle daden van de mens begeleidt, zo is ook de
Heilige Geest, door de gave van raad, het licht en het leidend principe van de
daden van wie bovennatuurlijk wil leven. De Trooster inspireert ons als wij de
juiste middelen moeten kiezen om Gods wil te volbrengen. Hij leidt ons langs
paden van mildheid, vrede, vreugde, offer, plichtsvervulling en getrouwheid in
kleine zaken. Elk moment zet Hij zo ons pad uit.
Het eerste terrein waarop deze gave betrekking heeft, is ons
eigen innerlijke leven. Daar, in onze ziel in staat van genade, werkt de
Trooster op stille wijze, zacht maar krachtig. «Onze o zo wijze Leraar kent
zulke vakkundige methoden om ons te onderrichten, dat je verbaasd staat als je
er kennis van neemt. Ze bestaan uit louter beminnelijkheid, liefde, goedheid,
voorzichtigheid en tact.»3 Uit deze onderrichtingen èn uit het licht dat wij in onze
ziel dragen, komen deze impulsen en ook de roep om steeds beter aan Gods Liefde
te beantwoorden. Van de Heilige Geest komen de krachtige beslissingen die een
leven veranderen of het begin zijn van een daadwerkelijke verbetering in onze
relatie met God in ons werk en in het netwerk van activiteiten die onze dag in
beslag nemen.
Wij moeten toestaan dat de Trooster ons beschermt en raad
geeft; we moeten helemaal van God willen zijn en geen beperkingen opleggen aan
zijn genadewerk. Wij zouden God moeten zoeken voor wat Hij in zichzelf is, onze
liefde oneindig waardig, zonder andere beloningen of genoegdoening te willen
ontvangen. Dit zouden we moeten doen, zowel in tijden van geestelijke ijver als
in tijden van geestelijke dorheid. «Wij moeten God onzelfzuchtig zoeken, dienen
en liefhebben, niet om een verlangen naar deugdzaamheid, niet om heiligheid of
genade of zelfs de hemel te verwerven, noch om het geluk van Hem te bezitten,
maar louter en alleen om Hem lief te hebben. En als Hij ons gunsten aanbiedt en
gaven, dan moeten we Hem zeggen dat wij alleen de gave van de liefde willen
hebben om Hem te kunnen liefhebben. Als Hij ons zegt: Vraag Mij alles wat je
wilt, dan moeten wij niets anders vragen dan liefde en nog meer liefde, om Hem
te kunnen liefhebben en Hem nog meer te kunnen liefhebben.»4 Deze liefde van
God is de vervulling van alle hartewensen.
44.2 De gave van raad veronderstelt dat wij alle
middelen die noodzakelijk zijn om met verstandigheid te handelen, hebben
gebruikt: dat wij de noodzakelijke gegevens verkrijgen; dat wij de mogelijke
consequenties van ons handelen inschatten; dat wij leren van soortgelijke
ervaringen uit het verleden; dat wij, als het nodig is, hulp vragen. Dit is de
natuurlijke verstandigheid die versterkt wordt door genade. Op deze basis werkt
de gave van raad, die ervoor zorgt dat we sneller en zekerder de middelen
kiezen die we moeten aanwenden of het antwoord dat we moeten geven of de weg
die wij moeten bewandelen. Soms is het onmogelijk om een beslissing uit te
stellen, zoals toen de Heer een antwoord moest geven aan de farizeeën die Hem
in geveinsde oprechtheid vroegen of het gerechtvaardigd was om de keizer
belasting te betalen of niet. Jezus verzocht hun een munt te tonen waarmee de
belasting gewoonlijk werd voldaan en vroeg hun: Van wie is deze beeldenaar
en dit opschrift? Zij antwoordden: Van de keizer. Daarop sprak Hij tot hen:
Geeft dan aan de keizer wat de keizer toekomt, en aan God wat God toekomt. Toen
zij dit hoorden, stonden zij verwonderd; zij lieten Hem met rust en gingen
heen.5
De gave van raad is een grote steun om een zuiver geweten te
bewaren zonder het te laten misvormen. Als wij gehoorzaam zijn aan het licht en
de raadgevingen van de Heilige Geest, zullen wij onze verantwoordelijkheid niet
ontvluchten of ons verontschuldigen voor fouten en zonden. Eerder zullen wij
berouwvol zijn en zeer bedroefd omdat wij God beledigd hebben. Deze gave
verlicht op zó'n heldere manier de ziel die trouw is aan God, dat zij de morele
wetten niet foutief toepast, zich niet laat leiden door menselijk opzicht en
ook niet meegaat met de mode en de trends van de dag, maar altijd bestuurd
wordt door Gods wil. De Trooster geeft ons raad, rechtstreeks of via anderen,
aangaande de goede weg om te volgen. Dit kan een weg zijn die geheel verschilt
van die, welke door de 'geest van de wereld' aanbevolen wordt. Iemand die
ophoudt om de morele normen op zijn gedrag toe te passen, of het hier nu gaat
om belangrijke of minder belangrijke zaken, doet dit omdat hij zijn eigen wil
boven de wil van God verkiest.
Gehoorzaam zijn aan het licht en de ingevingen van de Heilige
Geest in ons hart, sluit in geen geval uit dat wij «advies vragen aan anderen
of nederig luisteren naar aanwijzingen van de Kerk. Integendeel, de heiligen
zijn altijd ijverig geweest om hun meerderen te gehoorzamen, ervan overtuigd
zijnde dat gehoorzaamheid een koninklijke weg is en de meest zekere en snelste
weg naar de grootste heiligheid. De Heilige Geest zelf inspireert tot een
kinderlijke onderworpenheid aan de wettige vertegenwoordigers van Christus'
Kerk: Wie naar u luistert, luistert naar Mij; en wie u verstoot, verstoot
Mij (Lc 10,16).»6
44.3 De gave van raad is in het bijzonder nodig
voor diegenen, wier opdracht bestaat in het begeleiden en sturen van andere
mensen. De heilige Thomas van Aquino leert dat «ieder goed advies ten aanzien
van 's mensen redding van de Heilige Geest zelf komt.»7 De raad die wij bij onze
geestelijke begeleiding krijgen -waarin het zo vaak duidelijk is dat de Heilige
Geest tot ons spreekt- behoort te worden ontvangen met de vreugde van een
wandelaar die eindelijk het lang gezochte voetpad gevonden heeft, met
dankbaarheid jegens God en degene die namens Hem sprak en met de vaste wil om
het advies in praktijk te brengen. Soms kan zo'n advies, direkt geïnspireerd door
de Heilige Geest, op bijzondere manier weerklank vinden in de persoon die het
ontvangt.
De gave van raad is noodzakelijk voor het alledaagse leven,
zowel voor onszelf alsook om onze vrienden raad te kunnen geven in geestelijke
en aardse aangelegenheden. Deze gave is verbonden met de zaligspreking over de
barmhartigen8,
«want iemand moet wel werkelijk barmhartig zijn om te weten hoe men aan degenen
die dit nodig hebben, op discrete wijze, nuttig advies kan geven; zo'n advies
ontmoedigt in het geheel niet, maar zal hen juist mild maar krachtig
bemoedigen.»9
Vandaag vragen wij aan de Heilige Geest of Hij ons wil helpen
om gehoorzaam te zijn aan zijn influisteringen, want het grootste obstakel dat
verhindert dat de gave van raad in onze ziel wortel schiet, is de gehechtheid
aan ons eigen oordeel, het niet kunnen toegeven, ons gebrek aan nederigheid en
overhaasting. Wij bevorderen de werkzaamheid van deze gave, als wij ons eraan
wennen om alle belangrijke beslissingen in ons gebed op te nemen: «Neem geen
beslissing -lezen we in De Weg- zonder de aangelegenheid in tegenwoordigheid
van God overwogen te hebben»10; als we proberen onthecht te raken van onze eigen mening:
«Laat geen gelegenheid onbenut om je eigen oordeel prijs te geven»11; als we helemaal
oprecht zijn bij het vragen om raad in de geestelijke leiding of bij het zoeken
van advies inzake een morele kwestie die ons direct ter harte gaat: of het nu
de beroepsethiek betreft, de vraag of God meer edelmoedigheid van ons verlangt
om een groter gezin te vormen of wat dan ook... Als wij nederig zijn, als wij
onze beperkingen accepteren, dan zullen we van tijd tot tijd de behoefte voelen
om advies te vragen. In zulke gevallen behoren wij niet naar de eerste de beste
persoon te gaan, maar naar «iemand die bekwaam is en, net als wijzelf, vervuld
van de wil God met oprecht verlangen te beminnen en trouw te volgen. Het is
niet voldoende een mening te vragen; we moeten hem vragen aan iemand die hem
belangeloos en eerlijk kan geven. [...] We leren in ons leven evenwichtige vrienden
en collega's kennen die objectief zijn, die niet uit hartstocht de weegschaal
naar de kant van de minste weerstand laten doorslaan. In die mensen hebben wij,
bijna instinctief, vertrouwen omdat ze zich zonder aanmatiging en zonder koude
drukte steeds goed en rechtschapen gedragen.»12
Wie Mij volgt, dwaalt niet rond in de duisternis, maar
zal het licht van het leven bezitten.13 Als wij
Jezus elke dag van ons leven proberen te volgen, zullen we geen ogenblik gebrek
hebben aan het licht van de Heilige Geest. Als wij een zuivere mening hebben,
zal Hij niet toestaan dat wij dwalen. Maria, Moeder van Goede Raad, zal voor
ons de genadegaven verkrijgen die wij nodig hebben, als wij met de nederigheid
van degenen, die weten dat zij uit zichzelf vaak struikelen en de weg
kwijtraken, tot haar onze toevlucht nemen.
-1. Ps 32,8. -2. Mt 10,19-20. -3. F.J. del Valle, Kom, Heilige Geest. -4.
Ibidem. -5. Mt 22,20-22. -6. M.M.
Philipon, Les dons du Saint-Esprit. -7. H. Thomas van Aquino, Commentaar over het Onze Vader.
-8. Idem, Summa Theologiae, II-II,
q52, a4. -9. R. Garrigou-Lagrange O.P., Het
zieleleven van den christen. II. -10. H.
Jozefmaria Escrivá, De Weg, 266. -11. Ibidem, 177. -12.
Idem, Vrienden van God,
86 en 88. -13. Joh 8,12.
|