Zesde week. Vrijdag
Noveen voor Pinksteren
41. DE GAVE VAN VERSTAND
-Door deze gave is het ons gegeven een diepere kennis te
hebben van de geheimen van het geloof. Zij is een voorwaarde voor de volheid
van het christelijk leven. -Alle christenen verkrijgen deze gave, maar de
ontplooiing ervan vergt de staat van genade en een ernstig streven naar
persoonlijke heiligheid. -De noodzaak de ziel te zuiveren. De gave van verstand
en het contemplatieve leven.
41.1 Elke pagina van de Heilige Schrift is een
blijk van de zorgzaamheid, waarmee God zich naar ons toewendt om ons naar de
heiligheid te voeren. God toont zich in het Oude Testament als het werkelijke
licht van Israël, zonder welk het volk verdwaalt en in duisternis tastend zijn
weg zoekt. De grote figuren uit het Oude Verbond wenden zich steeds opnieuw tot
Jahwe, opdat Hij hen in moeilijke tijden zal leiden. Laat mij weten wat uw
plannen zijn1,
bidt Mozes om het volk naar het beloofde land te kunnen voeren. Zonder het
goddelijk onderricht voelt hij zich verloren. En koning David bidt: Geef mij
verstand opdat ik uw wet onderhoud en met heel mijn hart daaraan trouw blijf.2
Jezus belooft de Geest van waarheid die de opdracht zal
hebben de gehele Kerk te verlichten.3 «Christus voltooit [...] door de zending van de Geest der
waarheid de openbaring en brengt haar zo tot volmaaktheid, en Hij bevestigt
haar door het goddelijk getuigenis.»4 De apostelen zelf zullen later de betekenis van de woorden
van de Heer begrijpen, die hun vóór Pinksteren nog duister was. «De Heilige
Geest is de ziel van de Kerk -onderricht paus Paulus vi-. Hij is het, die de gelovigen de
diepe betekenis van de lering van Jezus en zijn mysterie verklaart.»5
De Parakleet voert ons van de eerste inzichten in het geloof
naar een «dieper verstaan van de openbaring».6 Door de gave van verstand krijgt de
christen een grotere kennis van de geopenbaarde geheimen. De Heilige Geest
verlicht het verstand met een machtig licht waardoor de diepe betekenis van de
geheimen van het geloof met een tot dan ongekende helderheid gekend worden.
«Wij kennen het mysterie al lange tijd. Wij hebben dit woord menigmaal gehoord
en overwogen. Op een gegeven moment vat onze geest
het op een nieuwe wijze op, het lijkt alsof we er tot op dat moment nog
niets werkelijk van begrepen hadden.»7 Onder die invloed heeft de ziel een grotere
zekerheid over wat zij gelooft, alles is
duidelijker. In het licht dat de bovennatuurlijke waarheden beter doet kennen, ervaren we een onbeschrijflijke
vreugde, een voorsmaak van het hemels Licht.
Dankzij deze gave -zegt de heilige Thomas van Aquino- «wordt
hier beneden al een glimp van God opgevangen»8 door de verhelderde blik van diegenen
die zich volgzaam laten leiden door de stuwingen van de Geest, ook als de geloofsgeheimen in zekere mate in duisternis gehuld
blijven.
Voor het verwerven van een dergelijke kennis volstaat het
gewone licht van het geloof niet. Er is een bijzondere uitstorting van de
Heilige Geest nodig, die wij ontvangen door met de genade mee te werken, door
het zuiveren van ons hart, door te verlangen naar heiligheid. De gave van
verstand maakt het mogelijk dat de ziel, met gemak, deelheeft aan de blik van
God, die alles doorziet. Deze gave spoort de ziel ertoe aan, de grootheid van
God te vereren, Hem met een kinderlijke genegenheid te bejegenen, de geschapen
dingen juist te beoordelen... «Beetje bij beetje, in de mate waarin de liefde
toeneemt in de ziel, zal het verstand van de mens meer en meer schitteren met
de helderheid van God»9 en ons een grote vertrouwdheid verschaffen met de
verborgen geheimen van God.
Op deze eerste dag van onze voorbereiding op Pinksteren
zouden we ons kunnen afvragen, hoe het staat met het verlangen de ziel te
reinigen en of dit verlangen ook blijkt uit het vertrouwvol steunen op de
genade van de vorige biecht. Gaan we zó regelmatig biechten, als we ons
voorgenomen hadden? Onderzoeken we als voorbereiding ons geweten met volstrekte
oprechtheid? Vragen we de Heilige Geest ons te helpen bij het opwekken van
berouw en van een groot verlangen elke zonde of bewuste tekortkoming te
vermijden?
41.2 De Heilige Geest doet de ziel door de gave
van verstand dóórdringen in de diepten van de geopenbaarde mysteries. Op
bovennatuurlijke, en als zodanig genadevolle wijze, onderricht Hij in de
intimiteit van het hart wat in de diepste waarheden van het geloof verborgen
is. «De ziel is als iemand die zonder te hebben leren lezen of daarvoor enige
inspanning te hebben aangewend, ja, zonder iets bestudeerd te hebben -legt de
heilige Theresia van Avila uit-, alle wetenschap in zich vindt opgenomen,
zonder dat hij weet hoe of vanwaar die gekomen is. Nooit deed hij er immers
enige moeite voor, zelfs niet om het alfabet te leren. Deze laatste
vergelijking geeft, dunkt me, enige verklaring van deze hemelse gave, want de
ziel schouwt in één moment het mysterie van de Allerheiligste Drieëenheid en andere
hoogverheven dingen met een dergelijke helderheid dat er geen theoloog is met
wie zij deze grote waarheden niet zou durven bespreken.»10
De gave van verstand doet ons de diepste betekenis van de
Heilige Schrift, van het leven van de genade, van de aanwezigheid van Christus
inzien in elk sacrament, en op een werkelijke en substantiële wijze in dat van
de heilige Eucharistie. Deze gave verleent ons als het ware een goddelijk
instinct voor al het bovennatuurlijke in de wereld.
Voor de blik van de gelovige, die verlicht is door de Heilige
Geest, ontplooit zich een geheel nieuwe wereld. De geheimen van de
Allerheiligste Drieëenheid, van de Menswording, de Verlossing, de Kerk
veranderen tot buitengewoon levende, actuele werkelijkheden die richting geven aan
het leven en een beslissende invloed hebben op het gedrag... Deze invloed maakt
het gebed eenvoudiger en dieper.
Wie de inspiraties van de Heilige Geest volgzaam aanneemt,
zuivert zijn ziel, houdt het geloof wakker, ontdekt God in alle geschapen
dingen en in de gebeurtenissen van elke dag. Wie in lauwheid leeft, neemt de
oproep van de genade al niet waar. Hij houdt zijn ziel afgesloten voor het
goddelijke. Hij heeft de zin van het geloof, van de eisen die het stelt, van de
verrukkingen die het oplevert, verloren.
De gave van verstand doet ons God beschouwen te midden van de
gewone bezigheden en aangename of pijnlijke gebeurtenissen in het leven van
iedereen. De weg om de volheid van die gave te bereiken is het persoonlijk
gebed, waarin we de waarheden van het geloof overwegen, en de blijde en
liefdevolle strijd om in de loop van de dag de aanwezigheid van God te zoeken,
door akten van berouw op te wekken, wanneer we ons van God verwijderd hebben.
Het gaat niet om een buitengewone bovennatuurlijke hulp die alleen aan
uitzonderlijke personen wordt toebedeeld. Iedereen krijgt haar, mits men de
Heer trouw wil zijn, door arbeid en ontspanning te heiligen in vreugde en
verdriet.
41.3 Om op deze weg naar de heiligheid voort te
gaan, hebben we ingetogenheid nodig. Dit betekent: de zintuigen niet laten
ronddwalen, zich niet laten afleiden door allerlei zaken, God niet vergeten. We
hebben versterving nodig, niet alleen van de uitwendige zintuigen, maar ook van
de innerlijke -door de nutteloze gedachten uit onze verbeelding of ons geheugen
weg te jagen- om in de tegenwoordigheid van God te leven en zijn hand te zien
in alle wederwaardigheden van ons bestaan.
Het is nodig het hart te zuiveren, want alleen de zuiveren
van hart zijn in staat God te zien.11 Onzuiverheid, gehechtheid aan de aardse goederen, het
toegeven aan alle grillen van het lichaam houden de ziel af van de zaken van
God. De natuurlijke mens aanvaardt niet wat komt van de Geest Gods. Hij
beschouwt het als dwaasheid. Hij is niet eens in staat deze dingen te vatten;
alleen de Geest onderscheidt ze.12 De geestelijke mens is de christen, die de Heilige Geest
in zijn ziel in dank meevoert en die zijn geest en gedachten op Christus
gericht houdt. Zijn zuiver, sober en verstorven leven is de beste voorbereiding
voor een verblijf dat de Heilige Geest waardig is, die er met al zijn gaven
zijn intrek zal nemen.
Als de Heilige Geest een ziel in de juiste gesteldheid
aantreft, zal Hij zich er meester van maken en haar voeren langs de wegen van
een groeiend gebedsleven, totdat «woorden uiteindelijk maar pover zijn... Men
laat de goddelijke intimiteit haar gang gaan door een beschouwen van God zonder
rust of nalatigheid. Wij leven dan verder als in boeien, in een heilige Kerker.
Terwijl wij de werkzaamheden die passen bij onze omstandigheden en ons beroep,
ondanks onze vergissingen en beperkingen, zo volmaakt mogelijk verrichten,
verlangt de ziel zich daarvan los te maken. Zij gaat naar God, als een stuk
ijzer dat door de magneet wordt aangetrokken. Zij gaat Jezus liefhebben, met
meer intensiteit, met een ontroerende liefde.»13
De heilige Jozefmaria Escrivá beschreef het pad dat mensen
-met om het even welke opleiding, beroep, staat enz., in de meest gewone
situaties van het leven- volgen om te komen tot het bereiken van het
contemplatieve gebed. Voor velen begint de weg met de herhaalde overweging van
het Allerheiligst Menszijn van onze Heer. En zij komen via de heilige Maagd -en
onherroepelijk ook langs het kruis- ten slotte bij de Allerheiligste
Drieëenheid. «Daarna heeft het hart behoefte aan het onderscheiden en aanbidden
van ieder van de drie goddelijke Personen afzonderlijk. Het is op de een of
andere manier een ontdekking die de ziel doet in het bovennatuurlijk leven,
zoals die van een baby die de ogen gaat openen voor de werkelijkheid. En de
ziel onderhoudt zich liefdevol met de Vader en met de Zoon en met de Heilige
Geest. En zij onderwerpt zich gemakkelijk aan de werking van de levendmakende
Parakleet die ons, zonder dat wij het verdienen, zijn gaven en de bovennatuurlijke
deugden instort.»14
Bij het einde van dit gebed richten we ons tot Maria, die
hier op aarde al de volheid van het geloof en de gaven van de Heilige Geest
bezat, en vragen wij haar of zij ons leert innig met de Heilige Geest om te
gaan en Hem altijd te beminnen, maar in het bijzonder in deze dagen voor
Pinksteren. Wij vragen haar ook, dat wij niet halverwege blijven steken op het
pad dat voert naar de heiligheid waartoe wij geroepen zijn.
-1. Ex 33,13. -2. Ps 119,34. -3. Vgl. Joh
16,13. -4. Vaticanum ii, Dogm.
const. Dei Verbum, 4. -5. Paulus vi,
Apost. exhort. Evangelii nuntiandi, 75. -6. Vaticanum ii, o.c., 5. -7. A. Riaud, L'action de l'Esprit-Saint
dans les âmes. -8. H. Thomas van
Aquino, Summa Theologiae, i-ii,
q69 a2 ad3. -9. M.M. Philipon, Les
dons du Saint-Esprit. -10. H.
Theresia van Avila, Het boek van haar leven, 27,10. -11. Vgl. Mt
5,8. -12. 1 Kor 2,14. -13. H.
Jozefmaria Escrivá, Vrienden van God, 296. -14. Ibidem,
306.
|