Zevende week. Dinsdag
Noveen voor Pinksteren
45. DE GAVE VAN VROOMHEID
-Vroomheid maakt het ons mogelijk om ons goddelijk kindschap
te waarderen, zodat onze verhouding met God de tederheid en liefde krijgt als
van een zoon met zijn vader. -Kinderlijk vertrouwen in het gebed. De gave van
vroomheid en de naastenliefde. -Vroomheid ten opzichte van de allerheiligste
Maagd, de heiligen, de zielen in het vagevuur en onze ouders. Respect voor de
aardse werkelijkheden
45.1 Het goddelijk kindschap is een resultaat van
de gave van vroomheid. Deze bewerkt dat wij ons tot God verhouden met de liefde
en tederheid van een goede zoon ten opzichte van zijn vader en tot de rest van
de mensheid als broeders uit eenzelfde gezin.
In het Oude Testament ziet men deze gave op vele manieren, in
het bijzonder in het voortdurende gebed van het uitverkoren volk: lofprijzing
en smeekgebed; gevoelens van aanbidding van Gods goddelijke majesteit;
persoonlijke ontboezemingen waarin het volk in alle eenvoud uiting geeft aan de
Hemelse Vader van zijn vreugde, verdriet en hoop... Vooral in de psalmen vinden
wij al deze gevoelens, welke de ziel vullen in haar vertrouwd gesprek met God.
Toen de volheid der tijden gekomen was, leerde Christus ons
de juiste manier waarop wij God behoren aan te spreken. Wanneer ge bidt,
zegt dan: Vader...1 In
alle omstandigheden van ons leven moeten wij ons met dit kinderlijk vertrouwen
tot God richten: Vader, Abba. De Heilige Geest heeft gewild dat wij op vele
plaatsen van het Nieuwe Testament het Aramese woord abba vinden, welke
de koosnaam was waarmee de Hebreeuwse kinderen hun vader aanspraken. Dit woord
drukt onze houding ten opzichte van God uit en geeft de juiste richting aan ons
gebed. «De God in wie wij geloven is niet een wezen, ver weg, dat onverschillig
het lot van de mensen, hun verlangens, hun strijd en angsten, gadeslaat. Hij is
een Vader die zijn kinderen liefheeft en wel zó, dat Hij het Woord, de tweede
Persoon van de Heilige Drieëenheid heeft gezonden, opdat Hij, mensgeworden,
voor ons zou sterven en ons zou verlossen. Diezelfde liefhebbende Vader trekt
ons nu met zachte hand tot zich, door de werking van de Heilige Geest, die in
onze harten woont.»2
God wil dat wij tot Hem komen in volledig vertrouwen, zoals
kleine kinderen met problemen dit doen. Heel ons vroomheidsleven wordt gevoed
door dit feit: dat wij kinderen van God zijn. En de Heilige Geest leert en
vergemakkelijkt, door de gave van vroomheid, deze vertrouwde relatie van een
zoon met zijn Vader.
Hoe groot is de liefde die de Vader ons betoond heeft! Wij
worden kinderen van God genoemd, en we zijn het ook.3 «Het lijkt of na de woorden Wij
worden kinderen van God genoemd, Johannes pauzeert, om zijn geest
gelegenheid te geven de oneindigheid van de liefde die de Vader ons gegeven
heeft, te doorgronden, namelijk dat Hij zich niet ertoe beperkt ons eenvoudig
kinderen van God te nóemen, maar dat Hij ons in de meest authentieke zin tot
zijn kinderen máákt. Het is daarom dat Johannes vervolgens uitroept: en we
zijn het ook.»4 De
apostel nodigt ons uit om het enorme voordeel van het goddelijk kindschap te
beschouwen, dat wij ontvangen door de genade van de doop, en hij bemoedigt ons
om volgzaam te zijn ten opzichte van de Heilige Geest, die ons ertoe aanzet God
onze Vader met groot vertrouwen en met tederheid te benaderen.
45.2 Dit kinderlijk vertrouwen kan men in het
bijzonder waarnemen in het gebed dat de Geest zelf in onze harten opwekt. Evenzo
komt de Geest onze zwakheid te hulp. Want wij weten niet eens hoe wij behoren
te bidden, maar de Geest zelf pleit voor ons met onuitsprekelijke
verzuchtingen.5 Dankzij
dit pleiten zijn wij in staat om ons op de juiste toon tot God te wenden, in
een rijk en gevarieerd gebed, zoals het leven zelf. Bij gelegenheid zullen wij
tot onze Vader God spreken op de manier van een kinderlijk klagen: Waarom
sluimert Gij, Heer?6 Of wij zullen ons verlangen uiten naar meer heiligheid: God,
mijn God, naar U blijf ik zoeken, mijn ziel dorst van verlangen naar U; al wat
ik ben, smacht naar U in een troosteloos dor land zonder water.7 Of onze
vereniging met Hem: Doch bij U verlang ik niets meer op aarde.8 Of onze
onwankelbare hoop op zijn barmhartigheid: Gij zijt de God van mijn behoud,U
verbeid ik, elke dag weder.9
Deze kinderlijke gesteltenis van de gave van vroomheid uit zich
ook in de bereidheid om, net als kinderen die iets willen, almaar opnieuw te
vragen, totdat wij krijgen wat we wensen. In het gebed wordt onze wil één met
de wil van onze Vader, die altijd het beste voor zijn kinderen wil. Dit
vertrouwen in het gebed geeft ons een veilig gevoel, maakt ons standvastig en
dapper; het verdrijft bezorgdheid en de onrust die voortkomt uit het alleen
vertrouwen op eigen kracht; het helpt ons om kalm te blijven ten overstaan van
moeilijkheden.
De christen die bewogen wordt door de geest van vroomheid,
begrijpt dat God onze Vader het beste wil voor al zijn kinderen. Hij heeft
alles beschikt tot ons hoogste voordeel. Daarom bestaat ons geluk ook in het
ontdekken van Gods wil op elk moment van ons leven, om dit zonder uitstel uit
te voeren. Vanuit dit vertrouwen in Gods vaderschap krijgen wij rust, want we
weten dat zelfs de dingen die een onherstelbaar kwaad lijken, bijdragen tot het
heil van diegenen die God liefhebben.10 Onze Heer zal ons eenmaal leren wat de noodzaak
was van die of die vernedering, dit faillissement, deze ziekte...
Deze gave van de Heilige
Geest maakt het ons mogelijk om onze plichten van rechtvaardigheid en daden van
naastenliefde direkt en eenvoudig uit te voeren. Ze helpt ons om de mensen met
wie wij leven en die wij elke dag ontmoeten, als kinderen van God te zien,
personen die een onschatbare waarde hebben, omdat Hij hen liefheeft met een
eindeloze liefde en ook hèn heeft verlost met het aan het Kruis vergoten Bloed
van zijn Zoon. De gave van vroomheid beweegt ons tot respect voor onze naaste,
om hun lijden te delen en te proberen hen te helpen. Meer nog, de Heilige Geest
leert ons Christus te zien in de naaste die wij van dienst zijn: Voorwaar,
Ik zeg u: al wat gij gedaan hebt voor een dezer geringsten van mijn broeders
hebt gij voor Mij gedaan.11
Dezelfde gave van vroomheid, met betrekking tot andere
mensen, leidt altijd tot een mild oordeel «dat hand in hand gaat met een
kinderlijke genegenheid voor God, onze gezamenlijke Vader.»12 Ze maakt dat wij
makkelijk elke belediging, zelfs hele zware, vergeven. Dit is wat de Heer ons
heeft bevolen: Bemint uw vijanden en bidt voor wie u vervolgen, opdat gij
kinderen moogt worden van uw Vader in de hemel, die immers de zon laat opgaan
over slechten en goeden en het laat regenen over rechtvaardigen en
onrechtvaardigen.13 Aangezien
de Heer hier al verwijst naar zware tekortkomingen, moeten wij dan zeker niet
de kleine wrijvingen, die eigen zijn aan het omgaan met anderen, door de
vingers zien? Een grootmoedige en onvoorwaardelijke geest van
vergevingsgezindheid is een goed kenmerk van de kinderen van God.
45.3 Deze gave van de Heilige Geest veroorzaakt
bij ons een kinderlijke liefde voor onze hemelse Moeder, die wij innig trachten
lief te hebben. Ook beweegt zij ons tot devotie voor de engelen en heiligen, in
het bijzonder voor diegenen die ons speciaal beschermen14, en ook voor de zielen in het
vagevuur, beminnelijke zielen die onze smeekbeden nodig hebben. Ze zorgt ervoor
dat wij van de paus houden, die de gemeenschappelijke vader is van alle
christenen... De deugd van de vroomheid, die vervolmaakt wordt door deze gave,
houdt in dat wij ook díe personen met eerbied bejegenen die wettig boven ons
gesteld zijn, in de eerste plaats onze ouders.
Het aardse vaderschap is te zien als een delen in, en een
afspiegeling van Gods vaderschap naar wie alle vaderschap in de hemel en op
aarde genoemd wordt.15 «Het respect voor de ouders (de kinderlijke piëteit) is
gebaseerd op de erkentelijkheid voor hen die door de gave van het leven, hun
liefde en hun werk, de kinderen ter wereld gebracht hebben en hun de kans
gegeven hebben om te groeien in gestalte, in wijsheid en genade.»16
Het bewustzijn van ons goddelijk kindschap beweegt ons om
onze ouders meer en meer lief te hebben en te eren en om respect te tonen voor
ouderen (de Heer zal onze zorg voor bejaarde mensen ruim belonen!), evenals
voor de wettige autoriteiten.
De gave van vroomheid komt voort uit en gaat tegelijk verder
dan de handelingen die worden ingegeven door de deugd van godsvrucht.17 Door middel van
deze gave activeert de Heilige Geest alle deugden die op de een of andere
manier verbonden zijn met de rechtvaardigheid. Onder haar valt onze relatie met
God, met de engelen en met andere mensen. Ze betreft zelfs alle geschapen
dingen, «die worden gezien als 'familiebezittingen' van God»18: de vroomheid
brengt ons ertoe ze altijd met respect te behandelen, juist door de relatie die
zij met hun Schepper hebben.
Bewogen door de Heilige Geest, lezen christenen de Bijbel met
liefde en eerbied, want hij is als een brief, gezonden door onze hemelse Vader:
«In de heilige boeken treedt de Vader die in de hemel is, liefdevol zijn
kinderen tegemoet en spreekt met hen.»19 Op gelijke wijze worden wij bewogen om een grote
liefde te hebben voor heilige voorwerpen, in het bijzonder alles wat te maken
heeft met de goddelijke eredienst.
Tot de vruchten die de vroomheid voortbrengt in de zielen die
volgzaam beantwoorden aan de genadegaven van de Trooster, behoren: rust in alle
omstandigheden van het leven; alles in vertrouwen overlaten aan Gods voorzienigheid,
want als God zorgt voor al zijn schepselen, zorgt Hij zeker op een bijzondere
manier voor zijn kinderen20; de vreugde is ook een prijzenswaardige eigenschap van de
kinderen van God. «Laat niemand droefheid of verdriet van je gezicht kunnen
aflezen, als je in de wereld om je heen de zoete geur van je offervaardigheid
verspreidt: kinderen van God moeten altijd zaaiers van vrede en blijdschap
zijn.»21
Als wij iedere dag vaak bedenken dat we zonen en dochters van
God zijn, zal de Heilige Geest ons meer en meer aanmoedigen en opvoeden in deze
kinderlijke en vertrouwvolle omgang met onze hemelse Vader. Ook de beoefening
van de naastenliefde vergemakkelijkt de groei van deze gave in onze zielen.
-1. Lc 11,2. -2. H. Jozefmaria Escrivá, Als Christus nu langs komt, 84.
-3. 1 Joh 3,1. -4. B. Perquin, Abba,
Père. -5. Rom 8,26. -6. Ps 44,24. -7. Ps 63,1. -8. Ps
73,25. -9. Ps 25,5. -10. Vgl. Rom 8,28. -11. Mt 25,40.
-12. R. Garrigou-Lagrange O.P., Het
zieleleven van den christen, I. -13. Mt 5,44-45. -14. Vgl. H. Thomas van Aquino, Summa
Theologiae, II-II, q121. -15. Ef 3,15. -16. Katechismus van de
Katholieke Kerk, 2215. -17. Vgl. M.M.
Philipon, Les dons du Saint-Esprit. -18. Ibidem. -19. Vaticanum ii, Dei Verbum,
21. -20. Vgl. Mt 6,28. -21. H.
Jozefmaria Escrivá, De Voor, 59.
|