Zesde week. Maandag
37. DE GAVEN VAN DE HEILIGE GEEST
-De bovennatuurlijke deugden en de zeven gaven van de
Heilige Geest. -De invloed van deze gaven op ons leven. -Tiendaagse
voorbereiding op de komst van de Heilige Geest.
37.1 Wij leven omringd door Gods gaven. Alles wat
we bezitten en wat goed is, al onze geestelijke en lichamelijke kwaliteiten en
ontelbare andere gaven, alle zijn gaven van God en bedoeld om ons gelukkig te
maken in dit leven en opdat we in staat zijn veilig de hemel te bereiken. Maar
het was eerst en bovenal door de doop dat onze Vader en God ons begiftigde met
talloze gaven. Hij wiste de smet van de erfzonde uit onze ziel. Hij verrijkte
ons met de gave van de heiligmakende genade, waardoor Hij ons deelgenoten
maakte van zijn eigen goddelijk leven, en Hij maakte van ons zijn zonen en
dochters. Hij maakte ons ook leden van de Kerk.
Tegelijk met de genade heeft God onze ziel verfraaid met de
bovennatuurlijke deugden en de gaven van de Heilige Geest. De deugden geven ons
de kracht om op bovennatuurlijke wijze te handelen, om de wereld en
gebeurtenissen vanuit een hoger standpunt te bezien -dat van het geloof- en om
ons te gedragen als ware kinderen van God. Zij geven ons het vermogen om God op
intieme wijze te kennen, om Hem lief te hebben zoals Hij zichzelf liefheeft en
om zo te handelen dat het verdienstelijk is voor het eeuwige leven. Onder
invloed van deze deugden wordt ons werk een schat van verdiensten voor de
hemel, hoewel het, menselijk bekeken, van weinig waarde lijkt te zijn.
De bovennatuurlijke deugden maken ons sterk op dezelfde
manier als onze voeten ons de kracht geven om te lopen en onze ogen de kracht
geven om de wereld om ons heen te bekijken. Toch hebben we niet genoeg aan onze
voeten om te reizen of aan onze ogen om een schilderij te bewonderen. Hiervoor
is ook de medewerking van onze eigen vrijheid noodzakelijk, evenals ons
verlangen en onze inzet om werkelijk met de reis te beginnen, of ook, om ons
verstand te gebruiken en zo het schilderij werkelijk in al zijn schoonheid te
kunnen waarderen.
De gaven van de Heilige Geest zijn geschenken die God aan
onze ziel verleent, zodat zij op meer volmaakte wijze en zonder al te veel
moeite de goede werken uit kan voeren waaruit onze liefde voor God -onze
heiligheid- blijkt.1 Deze
gaven helpen ons te leven in Gods tegenwoordigheid, ons werk uit liefde te
doen, en ons gedurende de dag iets te ontzeggen.
Onder invloed van deze gaven «wordt de ziel toegerust en
gesterkt, zodat zij gemakkelijker en sneller Zijn stem en aansporing
gehoorzaamt. Deze gaven zijn bovendien zo doelmatig, dat zij de rechtvaardige
ziel naar de hoogste top van heiligheid voeren, en ze zijn zo buitengewoon dat
ze ook in de hemel blijven bestaan, echter wel op meer volmaakte wijze. Door de
hulp van deze charisma's wordt de ziel aangespoord en geholpen om de
evangelische zaligheden te zoeken en te verkrijgen, die als bloemen bloeiend in
het voorjaar, tekenen en kenmerken zijn van eeuwige gelukzaligheid.»2
De gaven van de Heilige Geest zetten ons aan om ons leven in
overeenstemming te brengen met de eisen van het kindschap Gods. Zij begiftigen
ons met een groter gevoel en bewustzijn om de bewegingen en inspiraties van de
Parakleet op te merken en om deze in praktijk te brengen. Op zo'n manier gaat
Hij voort met ons leven te besturen, kalm en ontspannen. Zo wordt ons leven
geleid door de wil van God en niet door onze eigen grillen en neigingen.
Vandaag vragen wij de Heilige Geest: Maak weer zacht wat
is verstard, in het bijzonder de halsstarrigheid van onze trots; koester
het verkilde hart, dit betekent onze lauwheid in onze omgang met God; leid
wie zelf de weg niet vond3, want de aardse banden die onze voortgang verhinderen zijn
talrijk, bijvoorbeeld de last van begane zonden, de zwakheid van onze wil, onze
onverschilligheid wat betreft de dingen die God meer zouden behagen. Dit zijn
de bronnen van onze nederlagen, zwakheden en onmacht. Zo vragen wij Hem, in ons
gebed, om onze ziel te bevrijden van «het loodzware gewicht, dat ten gevolge
van al haar onzuiverheden op haar drukt en waardoor de ziel aan de grond vast
blijft zitten... zodat zij kan opstijgen tot de goddelijke Majesteit, om geheel
op te gaan in de levende Liefdevlam die Hij is.»4
37.2 Wanneer de Helper komt, die Ik u van de
Vader zal zenden, de Geest der waarheid die van de Vader uitgaat, zal Hij over
Mij getuigenis afleggen.5 Onze Heer kondigt dit nieuws aan in het evangelie van de
Mis van vandaag, en de liturgie van de Kerk nodigt ons op verscheidene manieren
uit om onze zielen voor te bereiden op de werking van de Heilige Geest.
Een resolute strijd tegen elke opzettelijke dagelijkse zonde
bereidt ons voor op het licht en de bescherming die de Vertrooster ons schenkt.
Het licht dat ons verstandelijk vermogen gegeven wordt, geeft ons kennis en
begrip over Gods zaken; de steun die ze verleent aan onze wil, staat ons toe
dagelijks de mogelijkheden te benutten om goed te doen, en om verleidingen en
alles wat ons van God verwijderd houdt, af te wijzen.
De gave van inzicht laat ons met grote helderheid de rijkdom
van het geloof zien. De gave van kennis maakt het ons mogelijk om op een
integere manier de geschapen wereld te beoordelen, en om ons hart op God
gericht te houden en op zaken die ons tot Hem kunnen leiden. De gave van
wijsheid maakt het ons mogelijk om door te dringen in het onpeilbare mysterie
van God en zet ons aan om boven alle andere zaken Hem eerst te zoeken, te
midden van ons gewone werk en onze verplichtingen. De gave van beraad wijst ons
de wegen tot heiligheid -Gods wil in ons gewone dagelijkse leven- en moedigt
ons aan om die mogelijkheid te kiezen die gericht is op Gods eer en het welzijn
van de naaste. De gave van eerbied neigt ons ertoe om God te bejegenen met de intieme
genegenheid van een kind voor zijn vader. De gave van kracht versterkt ons
voortdurend, en helpt om de moeilijkheden die wij onvermijdelijk tegenkomen op
onze weg naar God, te overwinnen. De gave van de vreze zet ons aan om te
vluchten voor elke gelegenheid tot zondigen, om elk kwaad te vermijden dat de
Heilige Geest zou kunnen bedroeven6, en om boven alles het verlies te vrezen van Degene die
wij liefhebben, en die de reden is dat wij leven en zijn.
Dit zijn dagen van voorbereiding op de viering van de
plechtige nederdaling van de Heilige Geest over de Kerk, vertegenwoordigd door
de apostelen en in vereniging met Maria, de Moeder van God, in het Cenakel. Wij
bidden voortdurend dat we nederig zullen zijn en gehoorzaam aan het werk van de
Heilige Geest in onze ziel, en dat Hij nooit zal ophouden om de mensen van onze
tijd, die in het bijzonder hongeren naar de Geest7, en zoveel behoefte hebben aan
zijn bescherming en hulp, te activeren en te inspireren. Wij vragen Hem:
Kom, o Geest des Heren, kom / uit het hemels heiligdom, /
waar Gij staat voor Gods gezicht. / Kom der armen troost, daal neer, / kom en
schenk uw gaven, Heer, / kom, wees in de harten licht. [...] Geef uw gaven
zevenvoud / ieder die op U vertrouwt, / zich geheel op U verlaat. / Sta ons met
uw liefde bij, / dat ons einde zalig zij, / geef ons vreugd die niet vergaat.8
37.3 Om onze devotie tot de Heilige Geest te doen
toenemen, kunnen we beginnen met de menselijke en christelijke deugden te
beoefenen in ons werk en onze dagelijkse omgang met anderen. «Als de christen
strijdt om die deugden te verwerven, is zijn ziel in staat om de genade van de
Heilige Geest met vrucht te ontvangen. En de goede menselijke eigenschappen
worden versterkt door de werking van de Parakleet in zijn binnenste. De derde
persoon van de Allerheiligste Drieëenheid -dulcis hospes animae, zoete gast
van de ziel (Sequentie van Pinksteren)- overstelpt ons met zijn gaven:
wijsheid, verstand, raad, sterkte, wetenschap, godsvrucht, vreze des Heren.»9
Veel vuriger dan wij, verlangt de Heilige Geest ernaar om
zijn gaven zó overvloedig uit te delen, dat ze een stromende rivier in ons
bovennatuurlijk leven vormen en heerlijke vruchten in ons voortbrengen. Hij
wacht er alleen op dat wij mogelijke hindernissen in onze ziel opruimen, en dat
wij Hem vragen om een groot verlangen naar onthechting, èn dat wij Hem, vanuit
het diepste van ons hart, zeggen: Kom, Heilige Geest, vervul de harten van
uw getrouwen. Ontsteek in hen het vuur van uw liefde. Het is zijn enige
wens om ons te vullen met zijn genade en gunsten. Als gij dus, ofschoon ge
slecht zijt, goede gaven aan uw kinderen weet te geven, hoeveel te meer zal dan
uw Vader in de hemel de Heilige Geest geven aan wie Hem erom vragen.10
Gedurende deze dagen van voorbereiding op het Pinksterfeest,
smeken wij de Vader der hemellichten11 nederig om de komst van de Geest van
zijn Zoon in ons hart, roepend: Abba! Vader.12 Wij vragen Christus om vanuit de schoot
van de Vader, degene te zenden die de liturgie als volgt aanroept: Kom, o
Trooster, Heil'ge Geest, zachtheid die de ziel geneest; kom, verkwikking zoet
en mild.13
In de tiendaagse voorbereiding, die begint op het feest van
de Hemelvaart van onze Heer, willen wij meer ontvankelijk worden voor de genade
die de Parakleet ons voortdurend wil schenken. Laten we Hem om zijn gaven
vragen, zodat wij goede instrumenten van Hem worden in onze familiekring, op
ons werk, en in de maatschappij. «Een veilige weg tot de nederigheid is, te
overwegen dat we -ook al hebben we geen talent, naam of fortuin- efficiënte
werktuigen kunnen zijn, als we ons tot de Heilige Geest wenden om te vragen of
Hij ons zijn gaven meedeelt.
»Hoewel de Apostelen drie jaar lang door Jezus waren
onderwezen, vluchtten ze ontzet voor de vijanden van Christus. En toch lieten
ze zich na Pinksteren geselen en opsluiten en gaven ze ten slotte hun leven als
getuigenis van hun geloof.»14
Onze trouw aan de ingevingen en genadegaven die wij ontvangen
van de Heilige Geest, blijkt vaak uit de bereidheid om op onze geestelijke
leiding te reageren; de dagelijkse inzet die wij tonen om die doelen te
bereiken en ons de adviezen eigen te maken die wij hebben ontvangen.
Nemen we onze toevlucht tot Onze Lieve Vrouw, de Bruid van de
Heilige Geest. Dit is de zekerste weg om onze zielen open te stellen voor welke
gave dan ook, die de Parakleet ons wenst te geven.
-1. Vgl. H.
Thomas van Aquino, Summa Theologiae, I-II, q68, a1. -2. Leo xiii, Enc. Divinum illud
munus, 9 mei 1897. -3. Sequentie van Pinksteren. -4. Vgl. H. Jozefmaria Escrivá, De Weg,
886. -5. Joh 15,26. -6. Vgl. Ef 4,30. -7. Johannes Paulus ii, Redemptor hominis, 4 maart
1979, 18. -8. Sequentie van Pinksteren. -9. H. Jozefmaria Escrivá, Vrienden van God, 92. -10. Lc
11,13. -11. Jak 1,17. -12. Gal 4,6. -13. Sequentie van
Pinksteren. -14. H. Jozefmaria
Escrivá, De Voor, 283.
|