Derde week. Vrijdag
20. DE GEMEENSCHAP VAN DE HEILIGEN
-De gemeenschap van de genade. De schat van de Kerk. -Beschikbaar
voor alle christenen. De ontelbare echo's van onze goede daden. -Aflaten.
20.1 De heilige Paulus verwijst in zijn
geschriften naar de fundamentele gebeurtenis in zijn leven, waarover we in de
eerste lezing van de Mis van vandaag lezen. Het was voor altijd in zijn geest
ingeprent gebleven. Toen hij op zijn tocht Damascus naderde, omstraalde hem
plotseling een licht uit de hemel. Hij viel ter aarde en hoorde een stem die
hem zei: Saul, Saul, waarom vervolgt gij Mij? Hij sprak: Wie zijt gij Heer? Hij
antwoordde: Ik ben Jezus die gij vervolgt.1 In deze eerste openbaring toont Jezus
zichzelf als persoonlijk en innig verbonden met zijn leerlingen die door Paulus
worden vervolgd.
Later zou de leer van het mystieke Lichaam van Christus, een
van de kernpunten in zijn prediking, deze diepgaande eenheid onder de
christenen, ter wille van hun verbondenheid met hun Hoofd dat Christus is,
laten zien. Wanneer één lid lijdt, delen alle ledematen in het lijden; wordt
één lid geëerd, alle delen in de vreugde.2 Dit onwankelbaar geloof in de eenheid
van de gelovigen, leidde de Apostel ertoe om de eerste christenen in Rome, die
hij nog niet persoonlijk kende, hun gebed te vragen om verlost te worden van de
ongelovigen die hij in Judea zou ontmoeten.3 Hij voelde zich altijd zeer verbonden
met zijn broers in het geloof, die hij in zijn brieven aansprak als 'heiligen':
Van Paulus en Timóteüs, dienstknechten van Christus Jezus, aan alle heiligen
in Christus Jezus te Filippi.4 Vanaf de eerste tijden van de Kerk hebben de christenen in
de apostolische geloofsbelijdenis als een van de belangrijkste geloofswaarheden
verklaard: Ik geloof in de gemeenschap van de heiligen. Het bestaat uit
een gemeenschappelijk bezit van geestelijke goederen waarin ieder meedeelt. Het
is dus geen delen in aardse goederen van materiële, culturele of kunstzinnige
aard, maar een gemeenschap van onvergankelijke goederen, waarmee wij elkaar
geestelijke hulp van onschatbare waarde kunnen bieden. Door vandaag ons werk,
ons gebed, onze vreugde en verdriet aan de Heer op te dragen, stellen wij een
onmetelijk goede daad ten gunste van onze medegelovigen waar ter wereld zij
zich ook mogen bevinden.
«Laat iedereen de gemeenschap van de heiligen intens beleven.
Dan zal hij, zowel tijdens de innerlijke strijd als bij de uitoefening van zijn
beroep, de vreugde en de kracht voelen van niet alleen te staan».5 De heilige
Theresia van Avila, bewust van de schade veroorzaakt door de protestantse
dwalingen in de Kerk, kende ook deze steun die we elkaar kunnen geven: «De zaken
van de dienst van God staan er zo slecht voor -zei zij- dat degenen van ons die
Hem werkelijk dienen, met de rug tegen elkaar moeten staan om enigszins vooruit
te gaan.»6 Deze
leer is in de geschiedenis van de Kerk altijd in praktijk gebracht.7
«Wat betekent de gemeenschap van de heiligen voor ons in de
praktijk? Het betekent, dat wij allen verbonden met Christus -de heiligen in de
hemel, de zielen in het vagevuur, en wij op aarde- bedacht moeten zijn op de
noden van elkaar... De heiligen 'moeten' de zielen liefhebben die God liefheeft.
De liefde, die de gezegenden in de Hemel voor de zielen in het vagevuur en de
zielen op aarde hebben, is geen passieve liefde. Wij zouden het een actieve,
'hongerige' liefde kunnen noemen. De heiligen verlangen ernaar alle zielen
vooruit te helpen naar de hemel, waarvan ze de kostbare waarde nu als nooit
tevoren beseffen. En als het gebed van een goed mens op aarde invloed heeft bij
God, is de invloed van de gebeden die de heiligen voor ons opdragen niet te
schatten. Zij zijn de helden van God, zijn intieme vrienden en
vertrouwelingen.»8
20.2 De gemeenschap van de heiligen strekt zich
zelfs uit tot de meest onfortuinlijke
christen: hoezeer hij zich alleen voelt, hij weet dat hij nooit alleen
sterft: de hele Kerk staat naast hem om hem aan God, zijn Schepper, terug te
geven.
De gemeenschap van de heiligen is een feit dat verder reikt
dan de tijd. Elke daad die wij met liefde doen, heeft onbegrensde gevolgen. Op
de laatste dag zullen de ontelbare echo's, die de woorden, daden of vaste
gebruiken van een heilige, en die van ons, in de geschiedenis van de wereld
hebben gehad, ons geopenbaard worden.
Wij hebben elkaar allemaal nodig. Wij kunnen allemaal elkaar
helpen. In feite delen wij voortdurend in de geestelijke goederen die de Kerk
als gemeenschap bezit. Op dit ogenblik is iemand voor ons aan het bidden, en
wordt onze ziel nieuw leven ingeblazen door het lijden, het werk of het gebed
van mensen, die wij wellicht zelfs niet kennen. Eenmaal, in de tegenwoordigheid
van God op het ogenblik van het bijzondere oordeel, zullen wij die waardevolle
bijdragen zien, die ons in veel gevallen er bovenop hielden en in andere
gevallen ons hielpen een beetje dichter bij God te komen.
Als wij trouw zijn, zullen wij ook met een onnoemelijke
vreugde overwegen hoe onze offers, werk en gebeden doeltreffend waren om andere
mensen te helpen. Wellicht zullen wij begrijpen dat de redding van anderen in
grote mate toe te schrijven is aan ons gebed, onze versterving, onze goede
daden...
Wij delen in deze gemeenschap van geestelijke goederen op een
zeer bijzondere wijze door de heilige Mis. De eenheid van alle leden van de
Kerk, zelfs van degenen die het meest vervreemd zijn, wordt elke dag
vervolmaakt door het Lichaam van Christus dat voor zijn Kerk en voor de hele
mensheid wordt opgedragen. «Alle christenen ontvangen, door de Gemeenschap der
Heiligen, de genade van iedere Mis, of zij nu wordt opgedragen in
tegenwoordigheid van duizenden personen of alleen van een kind, dat misschien
verstrooid is.»9
De heilige Gregorius drukt de wonderbaarlijke
doeltreffendheid van de Mis op een aanschouwelijke en opvoedkundige wijze uit.
«Het schijnt mij toe -zegt hij in een van zijn preken- dat velen van jullie het
verhaal kennen, dat ik jullie nu ga vertellen. Men zegt, dat niet lang geleden
een man gevangen genomen werd door zijn vijanden en naar een verafgelegen deel
van het land gebracht werd. Omdat hij daar lange tijd was, en zijn vrouw hem
niet naar huis zag komen, dacht zij dat hij dood was. Dus liet zij elke week
een Mis voor hem opdragen. En telkens als zijn vrouw de Mis liet opdragen voor
de vergeving van zijn zonden, werden de ketenen van zijn gevangenschap losser.
Toen hij later terugkwam in zijn eigen stad, vertelde hij zijn vrouw hoe
verbaasd hij was dat op bepaalde dagen van de week de kettingen, die hem in
zijn cel vasthielden, losser werden. Toen zij nadacht over de tijdstippen en de
dagen dat dit gebeurde, ontdekte zij, voor zover zij het zich kon herinneren,
dat hij werd losgemaakt als het Heilig Offer voor zijn ziel werd opgedragen.»10 Vele ketenen
worden elke dag voor ons verbroken dankzij het gebed van anderen.
20.3 De onzichtbare eenheid van de Kerk kent vele
zichtbare symbolen. Een bevoorrecht ogenblik van die eenheid heeft plaats met
het sacrament dat zeer juist 'communie' heet, in dat majesteitelijk Offer dat
hetzelfde is over de hele wereld. Eén is de Priester die het opdraagt, één is
het Slachtoffer, één de mensen die het ook opdragen, één de God aan wie het wordt
opgedragen, en één het resultaat van de offergave. Omdat het brood één is,
vormen wij allen te zamen één lichaam, want allen hebben wij deel aan het ene
brood.11 Precies
zoals dat brood gisteren een handvol aparte graankorrels was, zo ook worden
wij, in de mate van onze eenheid met Christus, samengesmolten tot één lichaam,
zelfs als wij van zeer verschillende plaatsen en posities komen. «Door het
sacrament van het eucharistisch brood -zegt het Tweede Vaticaanse Concilie-
wordt de eenwording van de gelovigen uitgebeeld en bewerkt.»12 Het is het
sacrament van de Liefde13, dat eenheid veronderstelt onder de broeders en zusters.
Het is ook een waarheid van het geloof, dat eenzelfde
uitwisseling van geestelijke weldaden bestaat tussen de gelovigen die de triomferende
Kerk in de Hemel vormen, de lijdende Kerk in het vagevuur en de strijdende Kerk
op aarde. Wij kunnen onszelf toevertrouwen aan, en zo hulp verkrijgen van de
heiligen in de hemel, van de engelen, van de zielen die nog gezuiverd worden in
het vagevuur (voor wie wij, vanaf onze aarde, veel kunnen doen om hun last te
verlichten) en van onze broers en zussen die, zoals wij, nog op pelgrimstocht
zijn naar het hemels vaderland.
Als wij de vrome plicht
vervullen van gebed en het opdragen van smeekbeden voor de zielen van de
overledenen, moeten wij in het bijzonder rekening houden met degenen,
met wie wij op aarde nauwere banden hadden: ouders, broers en zusters, vrienden
en verwanten. Zij rekenen op ons gebed. De heilige Mis is ook bij uitstek het
beste smeekgebed dat wij voor de overledenen kunnen opdragen.
Op dit dogma van de gemeenschap der heiligen is de leer van
de aflaten gebaseerd. Door aflaten beheert de Kerk met gezag de genade verdiend
door Christus, de heilige Maagd en de heiligen; onder bepaalde voorwaarden
maakt de Kerk gebruik van deze genade om de straf te compenseren, verschuldigd
voor onze zonden, en ook de schuld uit te boeten van de zielen in het vagevuur.
Deze leer over de uitwisseling van geestelijke weldaden
behoort een grote prikkel voor ons te zijn om onze plichten getrouw te
vervullen, om zodoende al onze daden aan God op te offeren, wetend dat al onze
bezigheden, ziekten, moeilijkheden en gebeden een aanzienlijke hulp zijn voor
anderen. Niets, dat wij met een oprechte bedoeling doen, gaat ooit verloren.
Ons leven zou vruchtbaarder zijn, als wij deze werkelijkheid van ons geloof
beter in praktijk zouden brengen.
«Een gedachte die je in moeilijke ogenblikken zou kunnen
helpen: hoe groter mijn trouw zal worden, des te meer zal ik ertoe bijdragen,
dat anderen in die deugd kunnen groeien. En het is zo aantrekkelijk om te
voelen, dat we door elkaar worden gesteund!»14
Als wij onszelf eraan herinneren dat op dit ogenblik iemand
voor ons tussenbeide komt, en dat iemand anders op ons gebed hoopt om een
moeilijke situatie te boven te komen, of om hem te helpen te besluiten dichter
bij onze Heer te blijven, dan worden wij gedrongen ons geloof vandaag dieper te
beleven.
-1. Hnd 9,3-5. -2. 1 Kor 12,26. -3. Rom
15,30-31. -4. Fil 1,1. -5. H.
Jozefmaria Escrivá, De Weg, 545. -6. H. Theresia van Avila, Het boek van haar leven, 7-8.
-7. Vgl. H. Ignatius van Antiochië, Brief
aan de Efesiërs, 2,2-5; H.
Cyprianus, Brief 60; H.
Clemens van Rome, Brief aan de Korintiërs, 36,1 e.v.; H. Ambrosius, Verhandeling over Kaïn
en Abel, 1 e.v. -8. L. Trese, The
faith explained. -9. H. Jozefmaria
Escrivá, Als Christus nu langs komt, 69. -10. H. Gregorius de Grote, Preken over
de Evangeliën, 37. -11. 1 Kor 10,17. -12. Vaticanum ii, Dogm. const. Lumen
Gentium, 3. -13. H. Thomas van
Aquino, Summa Theologiae, III, q73, a3. -14. H. Jozefmaria Escrivá, De Weg,
948.
|