Tiende week door het jaar. Woensdag
24. De genade van bijstand
-Noodzaak van genade om het goede te verwezenlijken. -Genade
van bijstand. -Beantwoording aan de genade.
24.1 De menselijke natuur heeft,
door de erfzonde, de staat van heiligheid verloren waartoe zij door God verheven
was, en blijft als gevolg daarvan ook verstoken van de gaafheid en de
innerlijke orde die zij bezat. Sindsdien mist de mens voldoende kracht en wil
om te voldoen aan alle morele voorschriften die hij kent. Het is moeilijk
geworden om het goede te doen na de verschijning van de zonde op aarde. En «dit
is -leert het Tweede Vaticaans Concilie- wat de innerlijke gespletenheid van de
mens verklaart; heel het menselijk leven, het individuele en het
gemeenschappelijke, doet zich voor als een strijd, die zeker dramatisch is,
tussen het goede en het kwade, tussen het licht en de duisternis.»1
De hulp van God is voor ons absoluut noodzakelijk om daden te
stellen die ons op weg helpen naar het bovennatuurlijk leven. Nogmaals, dit betekent niet dat wij uit onszelf bekwaam zijn,
zodat wij ons enige verdienste kunnen toeschrijven. Heel onze bekwaamheid komt
van God.2 Bovendien wordt deze hulp na de
erfzonde nog noodzakelijker. «Niemand wordt door zichzelf en uit eigen kracht
van de zonde bevrijd en boven zichzelf verheven; niemand wordt geheel en al
verlost van zijn zwakheid, eenzaamheid of slavernij»3;
maar allemaal hebben wij Christus nodig, toonbeeld, geneesheer, bevrijder,
verlosser en levendmaker.4 Zonder Hem vermogen
wij niets; met Hem kunnen wij alles.
Hoewel de menselijke natuur niet bedorven is door de erfzonde,
ervaren wij -ook na het doopsel- een neiging tot het kwade, en het kost ons
moeite om het goede te doen: het is de zogenaamde fomes
peccati of zondige begeerte, die -zonder in zichzelf een zonde te zijn-
voortkomt uit de zonde en overhaalt tot zonde.5
De vrijheid zelf, hoewel niet onderdrukt, is verzwakt.
Zo begrijpen wij, in het licht van deze leer, dat onze goede
werken, onze vruchten van heiligheid en apostolaat, in de eerste plaats van God
zijn; op de tweede plaats -ver op de tweede plaats- zijn zij het resultaat van
ons antwoorden aan de genade als werktuigen, altijd slap en zonder juiste verhouding.
De Heer vraagt ons, dat we altijd rekening houden met de armzaligheid van onze
toestand, door het gevaar van een verwaande zelfingenomenheid te vermijden.
Want dikwijls, verzekert ons de heilige Alfonsus van Liguori, «is de man die
beheerst wordt door de hoogmoed, een dief, slechter dan andere dieven, omdat
hij geen aardse goederen rooft, maar de eer van God [...]. Wij kunnen in feite,
volgens de Apostel, uit onszelf geen goede werken verrichten, zelfs niet een
goede gedachte hebben (vgl. 2 Kor 3,5) [...] En
daar dit zo is, moeten we de Heer zeggen, wanneer we iets goeds doen: Wij schenken U slechts wat wij uit uw hand ontvangen hebben (1 Kron 29,14).»6 Dit moeten we
doen met welke vrucht dan ook die we in onze handen aantreffen: deze opnieuw
aan God aanbieden, want we weten goed dat het slechte, de tekortkomingen, van
ons zijn; het schone en het goede zijn van Hem.
24.2 Zoals wij opmaken uit de
bladzijden van het evangelie, waren de ontmoetingen van die mannen en vrouwen
met Christus enig en eenmalig: Nikodemus, Zacheüs, de overspelige vrouw, de rouwmoedige
rover, de apostelen... De kracht van God had reeds langzaam deze zielen erop
voorbereid, zich te openen voor de Heer op het geschikte ogenblik; en zo, ná
deze buitengewone en beslissende ontmoeting, zal de genade van God hen blijven
begeleiden, terwijl zij in hun zielen een nieuwe bekering en vooruitgang zoeken
en verwezenlijken. Andere personages antwoordden niet, geheel of gedeeltelijk,
op het licht van God.
Onze ontmoetingen met Christus zijn ook enig en eenmalig
geweest, zoals die van die mensen die zich bevonden in het land van Galilea,
dichtbij het meer van Gennesaret, in Jeruzalem of in een willekeurig dorp in
Samaria toen Hij daar doorheen trok. Jezus is evenzeer in ons leven aanwezig,
en wij ontvangen ook, door de goedheid van God, de kracht en de hulp om tot Hem
te naderen, om een karwei tot het einde toe af te maken, om een versterving te
doen of een akte van geloof, om onszelf te overwinnen uit liefde tot God bij
iets wat ons moeite kost...: Het is de genade van bijstand, kosteloze en tijdelijke
gave van God, die op elke ziel op een speciale manier zijn uitwerking heeft.
Hoeveel genaden van bijstand hebben we elke dag ontvangen! Hoeveel meer zullen
we er ontvangen, als we de poort van onze ziel niet sluiten voor dit stille en
doeltreffende handelen van de Heiligmaker!
Door de genade verleent God aan elke man, aan elke vrouw,
niet slechts het gemak om het goede te doen, maar zelfs de mogelijkheid om het
te verwezenlijken, want de schepselen zijn niet in staat -op onze eigen kracht
alleen- de geboden na te komen en andere bovennatuurlijke werken te doen. Want los van Mij kunt gij niets7,
zegt de Heer stellig. En de heilige Paulus leert dat het heil niet afhangt van de wil of de inspanning van de mens, maar van
Gods ontferming8, van een onafgebroken en
oneindige ontferming. Hoezeer hebben wij dit ervaren!
De Heilige Geest verlicht ons opdat wij de waarheid leren
kennen, hij bezielt en beweegt ons, door onze goede daden voor te gaan, te
vergezellen en te vervolmaken. Want God is het, die naar zijn
welbehagen in u het willen uitwerkt en het handelen.9 Toch onderdrukt de genade de vrijheid niet, want we
zijn het zelf die willen en handelen.
Wij moeten de Heer de praktische wijsheid vragen, om altijd op
hem te steunen en niet op onszelf, om in Hem onze sterkte te zoeken en niet in
de bedrevenheid van ons verstand of in andere eigen middelen; wij moeten
dikwijls luisteren, in het dagelijks leven, naar de liefdevolle aanmaning van
de meester: los van Mij kunt gij niets. In het
bovennatuurlijk leven zullen wij altijd beginners blijven,
strijdend met de volgzaamheid en de toewijding van een kind, dat in alles de
hulp van volwassenen nodig heeft. De heilige Franciscus van Sales illustreert
met dit voorbeeld de fijngevoeligheid van Gods liefde voor de mensen: «Wanneer
een moeder haar kindje leert lopen, helpt en ondersteunt ze het wanneer het
nodig is, en ze laat het een paar stapjes nemen op vlakkere en minder gevaarlijke
plekken, neemt het bij de hand en houdt het vast, of pakt het op in haar handen
en draagt het. Op dezelfde wijze past de Heer steeds op zijn kinderen.»10 Zo staan ook wij tegenover God: als kleine kinderen
die nog niet klaar zijn met leren te lopen.
Het is aan ons om te antwoorden, om onze goede wil te tonen,
om te beginnen en opnieuw te beginnen, terwijl we oprecht zijn in de
geestelijke leiding, en een zeer concreet bijzonder
gewetensonderzoek hebben (dat punt waarin we op een bijzondere wijze
strijden). Onze dagen zullen veelvuldig samen te vatten zijn als: hulp vragen,
beantwoorden aan deze hulp en dankbaarheid betonen.
24.3 God gaat met elke ziel om
met een oneindig respect, want Hij dwingt onze wil niet, de mens kan zich
verzetten tegen de genade en het goddelijke verlangen onvruchtbaar maken. In
feite zeggen we gedurende de dag, wellicht in kleine dingen, soms nee tegen God. En we moeten onze best doen om vele malen
'ja' te zeggen tegen hetgeen de Heer van ons vraagt, en 'nee' tegen het
egoïsme, tegen onze neigingen tot hoogmoed, tegen onze luiheid.
Ons vrijwillig antwoord op de genade van God moet gegeven
worden in onze gedachten, met woorden en met daden.11
Het geloof alleen is niet genoeg om op doeltreffende wijze mee te werken: God
vraagt onze persoonlijke inspanning, daden, initiatieven, doelmatige
verlangens... Hoewel de Heer, met zijn dood aan het kruis, voor ons een
oneindige schat aan goeds heeft verdiend, worden deze genaden ons desondanks
niet alle in een keer verleend; en naarmate wij meer of minder aan de genade
beantwoorden, wordt ze ons gegeven. Wanneer wij bereid zijn om de Heer 'ja' te zeggen in alles, trekken we een waarlijke regen van
gaven aan.12 De genade, de liefde tot God,
overspoelt ons, wanneer wij trouw zijn bij de kleine influisteringen van elke
dag: wanneer we 's morgens de 'heldhaftige minuut' beleven, en er ons best voor
doen dat onze eerste gedachte voor God is; wanneer we ons voorbereiden op de
heilige mis, en de verstrooiingen die ons willen verwijderen van wat belangrijk
is, afwijzen; wanneer we ons werk opdragen...
Niemand zal kunnen zeggen dat hij vergeten of in de steek gelaten
is door God, als hij alles doet wat er binnen zijn bereik ligt, want de Heer
verleent zijn hulp aan iedereen, ook aan diegene die buiten zijn schuld buiten
de Kerk staat.13 De Heer, oneindig barmhartig en
geduldig, heeft bovendien keer op keer, en op duizend verschillende manieren,
gedaan gekregen dat iemand, die er met de erfenis vandoor was gegaan en
daardoor in een beklagenswaardige situatie terecht was gekomen, terugkeert.
Elke dag gaat hij hem opwachten en beweegt zijn hart, opdat het opnieuw de weg
neemt die naar het vaderhuis leidt. En wanneer hij een positief antwoord
krijgt, overstelpt Hij hem met hulp en genade, en doet zijn uiterste best om de
ziel meer en meer op te heffen.
Als we in dit persoonlijke gebed merken, dat het ons moeite
kost om op de genade te antwoorden, laten we dan deze raad opvolgen: «Begin een
gesprek met de heilige Maria en vertrouw je aan haar toe: Vrouwe, om het ideaal
te beleven dat God mij in het hart gelegd heeft, moet ik vliegen... hoger, hoger
(...).»14 En dichtbij Maria ontmoeten wij altijd
Jozef, haar allertrouwste echtgenoot, die zo goed en zo voortvarend wist te
verwerkelijken wat God, door middel van zijn engel, hem openbaarde. Tot hem
kunnen wij ons wenden in de loop van de dag, opdat hij ons helpt om de stem van
de Heilige Geest helder te horen in zoveel details en kleine voorvallen, en
opdat we sterk zijn om die stem in de praktijk te brengen.
-1. Vgl. Vaticanum ii,
Past. const. Gaudium et spes, 13. -2. Eerste lezing van de mis. Jaar I. 2
Kor 3,5. -3. H. Ireneüs, Contra
haereses, 3,15,3. -4. Vgl. Vaticanum ii,
Decr. Ad gentes, 8. -5. Vgl. Concilie van Trente, De peccato
originale, 5. -6. H. Alfonsus Maria van Liguori,
Selva di materie predicabili. -7. Joh 15,5. -8. Rom 9,16. -9. Fil 2,13. -10. H. Franciscus
van Sales, Traktaat van de liefde tot God,
3,4. -11. Vgl. Vaticanum ii, Dogm. const. Lumen gentium, 14. -12. Vgl. Pius xii,
Enc. Mystici corporis, 29 juli 1943. -13. Vgl. Vaticanum ii, Dogm. const. Lumen
gentium, 16. -14. H. Jozefmaria
Escrivá, De Smidse, 994.
|