Achtentwintigste zondag door het jaar (A)
55. De genodigden aan het feestmaal
-Ons wacht de hemel. De roep van de Heer beantwoorden.
Anderen helpen aan de uitnodiging gehoor te geven. -De roep om deel te nemen
aan de intimiteit met God. Er zijn geen goede redenen om niet aanwezig te zijn
bij het gastmaal van de Heer. -De wil van Christus om te redden. Onze apostolische
inzet behoort op iedereen gericht te zijn.
55.1 De
liturgie van vandaag vergelijkt het heil met een koningsmaal, symbool van al
wat goed is, waarvoor God ons uitnodigt. In die dagen zal de Heer van de hemelse machten op de berg
Sion voor alle volken een maaltijd aanrichten, een maaltijd van vette spijzen
en van belegen wijnen... Hij zal de sluier verscheuren die ligt over de volkeren,
en het floers dat de naties bedekt... Hij zal de dood voor eeuwig vernietigen en
van alle aangezichten zal Hij, de Heer, de tranen wissen...1 Vanaf het begin hadden de profeten, gebruik makend
van symbolen uit het dagelijkse leven, over de hemel gesproken. God zelf leidt
ons naar deze heilige berg.
De psalm van de tussenzang van vandaag drukt deze werkelijkheid ontroerend uit:
De Heer is mijn herder... Hij voert
mij naar wateren der rust... Hij behoedt mijn ziel voor verdwalen... Moest ik gaan
door het dal van de schaduw des doods, kwaad zou ik niet vrezen. Want naast mij
gaat Gij, uw stok en uw staf zij doen mij getroost zijn... Zo zijn dan geluk en
genade om mijn schreden al de dagen mijns levens. Verblijven mag ik in het huis
van de Heer tot in lengte van dagen.2
Jezus is onze herder. Hij nodigt ons uit Hem op duizend
verschillende manieren te volgen. Toch wil Hij onze vrijheid respecteren. Dit
is dan ook het geheim van het kwaad: mannen en vrouwen kunnen Gods uitnodiging
afslaan. Vandaag vertelt het evangelie ons over zo'n weigering. Het rijk der hemelen gelijkt op een
koning die een bruiloftsfeest gaf voor zijn zoon.3 Volgens de gewoonten van die tijd had de koning zijn
dienaren naar de reeds uitgenodigde gasten gestuurd om ze te zeggen dat alles
klaar was. De koning wachtte op hun komst. En dan weigeren de gasten om te
komen, tot verbazing van de koning. Dan zendt de koning meer dienaren om zijn
zorg duidelijk te maken. Daarop
zond hij andere dienaars met de opdracht: Zegt aan de genodigden: zie ik heb
mijn maaltijd klaar... De goedheid van God wordt duidelijk gemaakt
door de vasthoudendheid van de koning en de waarde van het feestmaal: mijn ossen en het gemeste vee zijn
geslacht; alles staat gereed. Ondanks al deze toewijding waren de
gasten niet geïnteresseerd, zij
gingen weg, de een naar zijn akker, de ander naar zijn zaken. De overigen
grepen zijn dienaars vast, mishandelden en doodden hen. In andere
parabels hebben wij gezien dat de Heer vraagt om wat Hem toebehoort.
Bijvoorbeeld in de parabel van de wijngaard staat de heer de pachters toe zijn
land te gebruiken. Maar in deze parabel zien wij dat de heer gratis een gave aanbiedt.
En deze wordt geweigerd. De Heer biedt de mooiste dingen aan die wij maar al te
vaak niet echt waarderen. Jezus moet deze parabel met intens verdriet verteld
hebben. Het is de afwijzing door de eeuwen heen van de liefde van God.
De genode gasten staan voor degenen die volkomen in hun eigen
bezigheden opgaan. Zij denken, dat zij God niet nodig hebben. Wanneer zij horen
dat God hen roept, dan handelen zij zoals in de parabel door met geweld te
reageren. «Jij hebt de plicht je niet afzijdig te houden van de mensen om je
heen, hen wakker te schudden, hun verburgerlijkt en egoïstisch bestaan te
verrijken met nieuwe, weidse horizonten, hun op heilige wijze het leven
ingewikkeld te maken, hen zichzelf te doen vergeten en hun begrip bij te
brengen voor de problemen van de anderen. -Anders zul jij geen goede broer van
je broeders, de mensen, zijn die behoefte hebben aan deze gaudium cum pace, aan deze blijdschap en deze
vrede die zij misschien nooit hebben leren kennen of vergeten zijn.»4 In feite zullen velen ons apostolaat beantwoorden en
het feestmaal op tijd bereiken.
55.2 Het
beeld van een feestmaal wordt overal in de Heilige Schrift gebruikt om de
innigheid van een relatie en van redding weer te geven. Ik sta voor de deur en Ik klop. Als iemand mijn stem hoort
en de deur opent, zal Ik bij hem binnenkomen en maaltijd met hem houden en hij
met Mij.5 God herhaalt zijn
verlangen om telkens weer een liefdevolle dialoog aan te gaan met zijn
schepselen, een dialoog die een voltooide vorm in de hemel zal aannemen. Doe open, mijn zuster, mijn vriendin,
mijn duifje, mijn schoonste. Mijn hoofd is nat van de dauw, mijn lokken zijn
vochtig van de nachtelijke nevels.6
Wat is tot nu toe ons antwoord geweest op de duizend uitnodigingen die wij
voortdurend van de Heer krijgen? Hoe is ons gebed? Komen wij tot een hechte
vriendschap met de Heer? Verontschuldigen wij ons, dat het leven dat wij
leiden, niet meer Hem toegewijd is? Voelen wij ons verantwoordelijk om de
goddelijke uitnodiging ook aan anderen door te geven? Zijn wij bezorgd om het
heil van de mensen die wij kennen?
Het afwijzen van de uitnodiging van de Heer, leven alsof God
maar weinig betekent en ons niet op zijn komst voorbereiden, is een heel
ernstige zaak. Er zijn geen goede redenen om niet aan het feestmaal van de Heer
deel te nemen: niet land, niet bezittingen, niet gezondheid noch enige andere
soort van welzijn. De voorwendsels die tegenwoordig door sommigen gebruikt
worden om de lieflijke uitnodigingen van de Heer niet aan te nemen, zijn
vergelijkbaar met die uit de parabel: hun aardse beslommeringen, alsof dit ondermaanse
het laatste is waar het om gaat; andere verschillen, «maar feit blijft, dat het
nog steeds om hetzelfde gaat: zij aanvaarden de redding door God niet en
sluiten zich vrijwillig buiten omdat hun voorkeur naar andere zaken uitgaat.
Zij blijven achter met wat ze verkozen, en verliezen wat ze verwierpen.»7 Hoe verbijsterend dat er zoveel mensen te vinden
zijn die innerlijke verbondenheid met God en eeuwige zaligheid afwijzen ten gunste
van wereldlijke belangen.
Maar de Heer wil zijn huis vol krijgen. Hij geeft zijn
pogingen tot redding nooit op: Ga
naar de hoeken van de straten in de stad en nodig ieder die je kunt vinden uit
voor de bruiloft. De dienaren vertrokken dus naar de hoeken van de straten en
brachten allen mee die zij konden vinden, zowel goeden als kwaden.
Niemand wordt uitgesloten bij de goddelijke roep tot redding. De enige die
uitgesloten wordt is de persoon die de herhaalde uitnodigingen van de Heer
liever negeert.
De heilige Augustinus roept uit: «Help ons, Heer, onze valse
verontschuldigingen te verwerpen. Wij willen deelnemen aan het feestmaal... Sta
niet toe dat onze trots of zinnelijkheid of gehechtheid of zinloze
nieuwsgierigheid onze aanwezigheid
verhinderen. Zorg dat wij zeker komen... Wie zal er tenslotte zijn?
Bedelaars, zieken, kreupelen, blinden... Wij zullen aankomen als de armen die wij
zijn. Wij zijn uitgenodigd door de rijke die
om ons arm geworden is en die daardoor de armoede van de armen verrijkt heeft. Wij zullen komen als zieken, omdat wij de
goddelijke dokter nodig hebben om onze kwalen te genezen. Wij zullen komen als lammen en wij zullen Hem zeggen: Richt, door uw belofte, mijn voetstap (Ps
119,133). Wij zullen komen als blinden en wij zullen Hem vragen: Wil Gij verlichten mijn ogen, dat ik
niet inslaap ten dode (Ps 13,4).»8
55.3 Gaat naar de hoeken van de straten en
nodigt wie ge er maar vindt tot de bruiloft... De Heer richt deze
woorden tot iedere christen omdat zijn wil om te redden universeel is.9 Deze omvat alle mensen van elk ras, van iedere stand
en geloof, van alle eeuwen. Christus wacht geduldig op de bekering van iedere
individuele mens. Daarom doorstond Hij de doodstrijd aan het kruis. Iedereen
mag met betrekking tot Jezus zeggen: Ik ben met Christus gekruisigd... die Mij heeft liefgehad en
zichzelf voor Mij gegeven.10 Als
wij echte leerlingen zijn, mogen wij ons aansluiten bij de wil van de Heer om
te redden. Deze dienaren gingen
dus uit naar de hoeken van de straten en brachten ieder mee die zij konden
vinden... Zoals Jezus moeten wij
geïnteresseerd zijn in de redding van alle mensen -van de liftbediende,
de huisarts, iemand die bij ons op de bus stapt, de jongens en meisjes op een
speelplaats, een hoogleraar op de universiteit... Ieder is het middelpunt van een
mateloze goddelijke liefde, en daarmee een belangrijk deel van onze
apostolische inspanningen.
«Let goed op: er zijn op de wereld veel mannen en vrouwen en
voor geen van hen laat de Meester zijn oproep achterwege. Hij roept hen tot een
christenleven, een heilig leven, een uitverkoren leven, een eeuwig leven.»11
Het is heel belangrijk dat wij de mensen één voor één naar de
Heer brengen. Wij moeten niet aflatende zorg hebben voor de mensen met wie wij
dagelijks werken. «Verdraag iedereen, zoals de Heer dit doet met jou.»12 Wij mogen nieuwe horizonten openen voor onze
vrienden die misschien lijden onder een bekrompen menselijke visie. Wij kunnen
hun de noodzaak laten zien om God met vertrouwen te benaderen. Laten wij hen
aanmoedigen om hun werk aan de Heer op te dragen. Laten wij hen helpen tot de
kern te gaan van die innerlijke leegte die zij regelmatig ervaren... Niemand zou
in onze nabijheid mogen vertoeven zonder in de kennis van God te groeien door
onze woorden en ons voorbeeld. Wij moeten proberen een gelegenheid te zoeken om
met hen geduldig over eeuwig leven en aards geluk te spreken.
Onze moeder Maria zal ons
leren hoe wij iedere persoon tegemoet moeten treden met de zorgzaamheid
en belangstelling en het respect dat zij voor haar Zoon toonde.
-1. Eerste lezing, Jes 25,6-10. -2. Tussenzang, Ps 23,1-6. -3. Mt 22,2-14. -4. H. Jozefmaria Escrivá, De Smidse, 900. -5. Apok 3,20. -6. Hl 5,2. -7. F.
Suárez, Después,
Madrid 1978, bl. 132. -8. H. Augustinus, Preek 112 8. -9. Vgl. 1 Tim 2,4. -10. Gal 2,20. -11. H. Jozefmaria Escrivá, o.c., 13. -12. H. Ignatius
van Antiochië, Brief
aan de heilige Polycarpus, 1,2.
|