Vijfde week. Zaterdag
39.
De gevangenneming van Jezus
-Het verraad van Judas. Getrouwheid in de dingen van elke
dag. -Hoopvol naar de Heer terugkeren. -De vlucht van de leerlingen. De
noodzaak van gebed.
39.1 Toen Hij zijn gebed
in de tuin van Getsemane had beëindigd, stond Hij op en maakte nog één keer
zijn leerlingen wakker die door vermoeidheid en ontmoediging in slaap waren
gevallen. Staat op, laten we gaan, zegt Hij tegen hen. Mijn verrader
is nabij. Hij was nog niet uitgesproken, of daar kwam Judas, een van de twaalf,
vergezeld van een grote bende met zwaarden en knuppels.1
Het verraad wordt gepleegd
met een grootse vertoning van vriendschap. Hij ging recht op Jezus af en
zei: Gegroet Rabbi, en hij kuste Hem.2 Het schijnt onmogelijk voor ons, dat een man die
Christus zo goed gekend had in staat zou zijn Hem te verraden. Wat gebeurde er
in de ziel van Judas? Want hij was
aanwezig geweest bij vele wonderen, en hij kende de mildheid van het hart van onze Heer voor alle mensen zo goed. Bovenal
had hij de voorliefde van Jezus ondervonden, zijn bijzondere liefde voor zijn
meest vertrouwde vrienden. Aangetrokken door zijn woord was hijzelf één van de
twaalf geworden. Hij was door de Heer zelf gekozen en geroepen om een apostel
te zijn. Na de Hemelvaart, toen het nodig bleek dat Judas' plaats werd
opgevuld, zal Petrus zeggen: Hij behoorde tot ons getal en had aan dit ambt
zijn deel gekregen.3 Ook
hij werd uitgezonden om te preken en zal de overvloedige vruchten van zijn
apostolaat hebben gezien. En hij heeft misschien wonderen gedaan zoals de
anderen. En hij zal zeer vertrouwelijke en persoonlijke gesprekken met de
Meester hebben gehad zoals de andere Apostelen. Wat kan er met zijn ziel zijn
gebeurd dat hij nu de Heer zou verraden voor dertig zilverlingen?
Om dat te kunnen verklaren
moet er achter het verraad van die nacht een lange geschiedenis hebben
gezeten. Aan de oppervlakte zal hij normaal zijn gebleven, maar binnenin moet
hij veranderd en koel zijn geworden. De breuk met de Meester, het verlies van
zijn geloof en zijn roeping moet beetje bij beetje zijn gekomen, naarmate hij
concessies deed bij steeds belangrijker zaken. Er is een moment dat Judas
protesteert omdat de kleine blijken van genegenheid, die anderen aan de Heer
hebben getoond, hem mateloos overdreven toeschenen. Hij vermomt zelfs zijn
protest met zijn 'liefde voor de armen'. Maar de heilige Johannes vertelt ons
de ware reden: Hij zei dat niet omdat hij bezorgd was om de armen, maar
omdat hij een dief was en uit de beurs die hij bewaarde wegnam wat erin kwam.4
Hij had zijn liefde voor de Heer laten bekoelen, en er bleef
alleen de uiterlijke schijn van leerling-zijn over. Zijn leven van liefdevolle
overgave aan God was een schijnvertoning geworden; meer dan één keer zou hij
denken dat het beter zou zijn geweest de Heer helemaal niet gevolgd te hebben.
Hij herinnert zich nu niet meer de wonderen, de genezingen, de gelukkige
ogenblikken met de Meester, zijn vriendschap met de andere Apostelen. Hij is nu
een man die de weg kwijt is, buiten bereik, volkomen in staat om de
waanzinnigheid te begaan die voor ons zo moeilijk te begrijpen zal zijn. De
daad, nu gepleegd, is voorafgegaan door daden van toenemende grotere ontrouw.
Het is het uiteindelijke gevolg van een lang innerlijk proces.
Volharding daarentegen is de
kleine dingen die ons elke dag bezighouden, doen met geloof; ondersteund
door de nederigheid van het opnieuw beginnen als we door zwakte de verkeerde weg opgaan. «Een huis wordt niet door
een snel voorbijgaande krachtige stoot vernietigd; vaker doordat er een
oud mankement in zijn constructie aanwezig is. Soms is het de aanhoudende
verwaarlozing door zijn bewoners die het mogelijk maakt dat er water insijpelt.
Eerst, druppel voor druppel, tast het vocht onmerkbaar het houtwerk aan en
vreet zelfs in op de structuur van het metselwerk. Dan met de tijd wordt een
kleine scheur groter en veroorzaakt aanzienlijke schade. Ten slotte stroomt de
regen naar binnen. Het resultaat is een vervallen bouwwerk.»5
Volhouden in onze eigen roeping is beantwoorden aan de
herhaalde oproepen die de Heer in de loop van ons leven tot ons richt, ondanks
hindernissen en moeilijkheden, of zelfs incidentele nederlagen en zonden.
Terwijl wij deze taferelen van het Lijden van Christus
beschouwen, overwegen we onze trouw in de kleine details van onze eigen
roeping. Is er enige aanwijzing voor een dubbel leven? Ben ik trouw aan mijn
eigen plichten? Zorg ik ervoor dat mijn verhouding tot de Heer oprecht is?
Vermijd ik gehecht te raken aan materiële zaken, aangetrokken te worden door
'de dertig zilverstukken'?
39.2 «Maar de Heer liet
de kans niet voorbijgaan om iemand goed te doen die Hem kwaad had gedaan. Na
Judas oprecht te hebben begroet, berispte Hij hem, niet met de hardheid die hij verdiende, maar met de
voorkomendheid waarmee een zieke wordt behandeld. Hij noemde hem bij zijn naam;
dat is een teken van vriendschap... Judas, verraadt ge de Mensenzoon met een
kus? (Lc 22,48) Zou je met een teken van vrede mij bestrijden? En om hem
zelfs te bewegen zijn schuld nog beter in te zien, stelde de Heer hem liefdevol
een andere vraag: Vriend, zijt gij daarvoor hier? (Mt 26,50) Omdat je
mijn vriend geweest bent, zijn de belediging en de pijn die je Mij aandoet des
te groter. Als het een vijand was die Mij belasterde, zou Ik het kunnen
verdragen, maar jij, mijn vriend, mijn boezemvriend, waarmee Ik zo na was...
(Ps 55,13) Jij bent een vriend geweest en je behoort er nog steeds een te zijn;
voor mijn part kun je opnieuw vriend zijn. Ik ben bereid verder je vriend te
zijn. Zelfs als je Mij niet graag ziet, Ik zie jou graag. Mijn vriend, waarom
doe je dit? Waarvoor ben je gekomen?»6
Het is door de doodzonde dat de christen Jezus verraadt. Alle
zonde, zelfs de dagelijkse zonde, is onontkoombaar en mysterieus verbonden met het Lijden en de Dood van de Heer. Ons leven is een bevestiging of een ontkenning
van Christus. Maar zelfs na de ernstigste beledigingen is Hij altijd bereid om opnieuw met ons de vriendschap te beleven.
Judas wees de hand die de Heer naar hem
uitstak af. Zonder Jezus was zijn leven
geruïneerd en had nu zijn betekenis verloren.
Na Hem verraden te hebben moet Judas de rechtszitting tegen
Jezus met grote beroering hebben gevolgd. Hoe zou alles eindigen? Hij ontdekte
spoedig dat de hogepriesters Jezus ter dood hadden veroordeeld. Misschien had
hij nooit zo'n zware veroordeling verwacht; misschien zag hij nu in hoe de
Meester werd behandeld... zeker is, dat toen hij Jezus zag veroordeeld, hij spijt
had over wat hij gedaan had en de dertig zilverstukken teruggaf. Hij had spijt
over zijn daad van waanzin, maar hij paste de deugd van de hoop niet toe -want
hij zou nog steeds vergeving van onze Heer hebben kunnen verkrijgen- en de
nederigheid ontbrak hem om naar Christus terug te gaan. Hij had een van de
twaalf stichters van de Kerk kunnen zijn, niettegenstaande de enormiteit van
zijn schuld, als hij God om vergiffenis had gevraagd.
Want, ondanks onze zonden en
fouten, wacht de Heer ons op als wij terugkeren in vertrouwvol gebed en in de
biecht. «Hij, die ons verbiedt te zondigen, geeft het nooit op om op ons te
wachten, om ons vergeving te schenken nadat een zonde is bedreven. Zie, hoe Hij
die wij afwijzen ons roept. Want hoewel wij ons van Hem afscheiden, scheidt Hij
zich niet van ons af.»7
Hoe groot onze zonden ook
mogen zijn, de Heer wacht altijd op ons om ons te vergeven. Hij houdt rekening
met menselijke zwakheden, gebreken en vergissingen. Hij staat altijd klaar om
ons opnieuw zijn vriend te noemen, ons de nodige genade te geven om verder te
gaan als we oprecht zijn en willen strijden. Wanneer geconfronteerd met de
duidelijke mislukking van veel van onze pogingen, moeten we niet vergeten dat
God niet zozeer om succes vraagt, maar om de nederigheid van opnieuw te
beginnen; ons niet te permitteren ontmoedigd en pessimistisch te worden, maar
in plaats daarvan de goddelijke deugd van de hoop toe te passen.
39.3 Het is ontroerend om in
dit tafereel de zorg van Jezus voor zijn leerlingen te beschouwen terwijl Hij
het zelf was die in gevaar was: Als gij Mij zoekt, zei Hij tegen hen die
bij Judas waren, laat deze mensen dan gaan.8 De Heer zorgt voor de zijnen.
Dan grepen zij Jezus vast en
brachten Hem naar het huis van de hogepriester.9 De heilige Johannes zegt dat zij Jezus boeiden.10 En zij deden dit met geweld, zonder enige
toegeeflijkheid. De massa duwde Hem voort onder woedende beledigingen en wild
geschreeuw. De leerlingen, bevreesd en verbijsterd, vergaten hun beloften van
trouw, gedaan bij dat gedenkwaardige avondmaal. Allen lieten Hem in de steek
-zegt de evangelist- en zij vluchtten.11
Jezus is alleen gelaten. Eén
voor één zijn de leerlingen verdwenen. «De Heer werd gegeseld en niemand stak
een vinger uit om Hem te helpen. Hij werd bespuwd en niemand beschermde Hem.
Hij werd met doornen gekroond en niemand kwam tussenbeide. Hij werd gekruisigd
en niemand wrikte de nagels los.»12 Hij is alleen met alle zonden en gemeenheid van
alle tijden. En ook onze zonden en afschuwelijke daden had Hij daar voor ogen.
Petrus volgde Hem op een afstand.13 En vanaf een
afstand is het niet echt mogelijk Christus te volgen, zoals Petrus na zijn
drievoudige verloochening zou gaan inzien. En ook wij weten dat. Of we volgen
de Heer óf uiteindelijk verloochenen we Hem. «Er blijft ons nu niets meer over
dan in het korte zinnetje van het evangelie een bezittelijk voornaamwoord te
veranderen en zo de oorsprong van onze eigen tekortkomingen aan de kaak te
stellen: kleine of grote fouten, voorbijgaande slapheid of langdurige periodes
van lauwheid: Sequebatur eum a longe. Ook wij volgen Hem op afstand... De
mensheid volgt Christus wanhopig langzaam, doordat er te veel christenen zijn
die Christus van een afstand, een erg grote afstand volgen.»14
Maar nu verzekeren we Hem dat wij Hem van dichtbij willen
volgen. We willen bij Hem blijven en Hem niet alleen laten, in die ogenblikken
en op die plaatsen wanneer het niet gemakkelijk is te zeggen dat we zijn
volgelingen zijn. Wij willen Hem volgen tijdens ons werk, tijdens onze studie,
wanneer we op straat lopen en wanneer we in de kerk zijn, met het gezin en in
tijd van ontspanning. Maar we weten dat wij uit onszelf niets kunnen. Maar met
behulp van ons dagelijks gebed kunnen we het wel.
Wellicht ging een van de leerlingen op zoek naar de heilige
Maagd en vertelde haar dat ze haar Zoon gevangen genomen hadden. En zij gaf hun
rust in die bittere uren, ondanks haar intense smart. Ook wij kunnen bij haar
toevlucht vinden -Refugium peccatorum- wanneer we ondanks onze goede
bedoelingen niet dapper genoeg zijn geweest om voor de Heer op te komen als Hij
op ons rekende. Bij haar zullen we de nodige kracht vinden om in slechte tijden
bij de Heer te blijven, en door haar te worden aangemoedigd in ons verlangen om
ons te verbeteren.
-1. Mt 26,46-47. -2. Mt 26,49. -3. Hnd
1,17. -4. Joh 12,6. -5. Johannes
Cassianus, Gesprekken, 6. -6. Luis
de la Palma, Het Lijden van de Heer. -7. H. Gregorius de Grote, Preek 34 over de evangeliën.
-8. Joh 18,8. -9. Lc 22,54. -10. Joh 18,12. -11. Mc
14,50. -12. H. Augustinus, Commentaar
op de Psalm 21, 2, 8. -13. Lc 22,54. -14. G. Chevrot, Simon Petrus.
|