Zestiende week. Donderdag
16. De gevolgen van zonde
-Zonde is de grootste misleiding waaraan de mens ten prooi
kan vallen. -De gevolgen van zonde. -De strijd tegen dagelijkse zonden. Liefde
voor de biecht.
16.1 Na hun lange en moeilijke ervaring in de woestijn waren de Joden zich
goed bewust van het belang van water. Water vinden in de woestijn was hetzelfde
als het vinden van een grote schat. Bronnen werden strenger bewaakt dan
juwelen. Van hun beveiliging hingen de levens af. De Heilige Schrift verwijst
daaraan terecht naar God als naar de bron van levend water. De
rechtvaardige wordt beschreven als een boom, wortelend waar water stroomt1, en die vruchten
voortbrengt in tijd
van droogte.2
In zijn gesprek met de Samaritaanse vrouw onthult Jezus dat
Hij onze zielen levend
water3 kan geven. Gedurende het Loofhuttenfeest
toen de Joden hun doortocht door de woestijn herdachten, sprak Jezus opnieuw
over zichzelf als water. Op
de laatste en grootste dag van het feest stond Jezus daar en riep met luider
stem: Als iemand dorst heeft, hij kome tot Mij; wie in Mij gelooft, hij drinke!
Zoals de Schrift zegt: Stromen van levend water zullen uit zijn binnenste
vloeien.4 Alleen Christus kan de dorst van de
mensen naar eeuwig leven lessen, een dorst die God in ons hart heeft gelegd.
Veel kerkvaders zagen de open zijde van Christus, waaruit water en bloed
vloeiden, als de oorsprong van de sacramenten die ons het bovennatuurlijke
leven geven.5
In het gebed van vandaag zijn de woorden van de profeet
Jeremia van toepassing, omdat daar dezelfde beelden gebruikt worden. De profeet
klaagt hoezeer het uitverkoren volk zijn Heer heeft verlaten. In een eerder
zinnebeeldige voordracht spreekt hij over zonde, over het gevolg van onze
zonden. Hemel, sta
hierover ontsteld, huiver en sidder -godsspraak van Jahwe-, want mijn volk
heeft dubbel misdreven: Mij hebben ze verlaten, de bron van levend water, en
zij hebben regenbakken gehouwen, vol barsten en die geen water houden.6
Elke zondige daad brengt een afscheiding van God met zich
mee. Zonde betekent een keuze maken tussen iets onbeduidends en het levend
water dat opborrelt tot eeuwig leven. Dit is de grootste misleiding waaraan een
mens ten prooi kan vallen. Dit is waarachtig kwaad. Zonde vermindert de
heiligmakende genade, het leven van God in de ziel, de meest waardevolle gave
die we bezitten. Zonde heeft altijd tot gevolg «het verkwisten van onze
kostbaarste waarden. Dit is de harde werkelijkheid, zelfs als zonde ons zo nu
en dan in staat stelt succes te behalen. Onze verwijdering van de Vader brengt
grote schade met zich mee voor hen die erbij betrokken zijn, die hun
toestemming geven. Zonde leidt tot de verspilling van onze erfenis, die de
waardigheid uitmaakt eigen aan iedere menselijke persoon, de erfenis van de
genade.»7 Zonde verandert de ziel in rotsachtige
grond waar het voor de genade onmogelijk is om wortel te schieten of menselijke
deugden te ontwikkelen. Dit is de uitgedroogde grond, de platgetrapte grond vol
met doornen waarover we hoorden in het evangelie van gisteren, en dat we morgen
opnieuw zullen overwegen. Zonde vertegenwoordigt de ondergang van de mens, het
in de steek laten van de bron
van levend water in ruil voor gebarsten regenbakken.
16.2 Los van God treft de mens alleen ellende en dood aan. Zonde is de
ijdele poging om water in gebarsten vaten te bewaren. «Help mij het te herhalen
ten aanhoren van die, en die... en van allen: een zondaar die het geloof heeft,
is, zelfs als hij over alle goeds van deze aarde beschikken kan,
noodzakelijkerwijs ongelukkig en onfortuinlijk. -Het is waar, dat het motief
dat ons ertoe moet brengen de zonde, ook de dagelijkse, te haten en dat allen
daartoe moet aanzetten, bovennatuurlijk van aard is: namelijk, dat God de zonde
verafschuwt met al zijn oneindigheid, met de opperste, eeuwige en
onvermijdelijke haat, als een kwaad dat tegengesteld is aan het oneindig
goede...; maar de eerste gedachte waar ik je op gewezen heb, kan ons brengen tot
dit laatste.»8 De eenzaamheid die de zonde in de
ziel achterlaat moet voldoende zijn om ons er vanaf te brengen. De weg naar de
hel is zelf een levende hel.
Zonde scheidt de ziel van de dingen van God. In het evangelie
van vandaag haalt Jezus de profeet Jesaja aan: Met uw oren zult gij luisteren en toch niet
verstaan, met uw ogen zult gij kijken en toch niet zien. Want verhard is het
hart van dit volk, met hun oren luisteren ze slecht en hun ogen doen zij dicht,
uit vrees dat zij zouden zien met hun ogen, met hun oren zouden horen, met hun
hart zouden verstaan...9 Wij
hoeven alleen maar rondom ons te kijken om de realiteit van deze woorden van de
Heer te zien. Zoveel mensen hebben hun besef van zonde verloren en zijn
onverschillig geworden voor het bovennatuurlijke.
Doodzonde veroorzaakt een radicale breuk tussen God en de
mens omdat het de ziel van heiligmakende genade berooft. Wie zondigt verliest
al de verdiensten die hij eerder door zijn goede werken had verworven. Hij is
niet in staat enige nieuwe verdienste te verkrijgen. In zekere zin valt die
ziel onder de macht van de duivel. De natuurlijke neiging van de mens om goed
te handelen is zodanig verminderd dat het steeds moeilijker wordt goede dingen
te doen. Soms ondergaat iemand die tot doodzonde vervalt lichamelijke gevolgen:
onvrede, slecht humeur, sloomheid, een zwakke wil. Deze staat van de ziel leidt
tot wanorde in de gevoelens. Het veroorzaakt schade aan de hele Kerk en aan
alle mensen, hoewel het naar buiten onopgemerkt kan blijven. Evenals ieder goed
mens die zijn best doet God en zijn medemensen te beminnen de wereld verheft,
zo «vernedert door elke zonde de ziel met zichzelf ook de Kerk en in zekere zin
heel de wereld. Met andere woorden: er is geen enkele zonde, hoe innerlijk en
geheim ook, hoe absoluut individueel ook, die uitsluitend diegenen aangaat die
ze bedrijft. Iedere zonde heeft een weerslag op geheel de Kerk en op geheel de
mensen familie, al is deze weerslag nu eens kleiner en dan weer groter, al
berokkent hij de ene keer meer schade dan de andere keer.»10
Iedere zonde is nauw en op mysterieuze wijze verbonden met
het lijden van Christus. Onze zonden waren daar aanwezig en waren de oorzaak
van dat lijden. Wij hebben de macht om de Zoon van God helemaal opnieuw te kruisigen.11 «Hoeveel moet Hij van ons gehouden hebben! Wat
heeft het Hem gekost ons te redden! Welke boodschap hebben de droevige geheimen
van de rozenkrans voor ons, welke de kruiswegstaties, het kruis, de nagels, de
lans, het lichaam op de schoot van de Moeder? Dit allemaal voor ons -geleden
voor elk van ons. Alles gewoonweg om de genade, kinderen van God te zijn, over
ons uit te storten, met al de daar bijkomende genade die we nodig hebben. Wij
zondigen. Wat kan de prijs die Hij betaalde ons schelen? Dat was zijn bitterste
overweging op de Olijfberg. Met goddelijke klaarheid voorzag Hij al onze
ondankbaarheid.»12
Met behulp van de goddelijke genade -en er bestaat geen recht
op genade- zal de christen die Christus van nabij volgt niet uit gewoonte tot
zware zonde vervallen. Maar de kennis van onze zwakte hoort ons ertoe te brengen
elke gelegenheid tot zonde te vermijden, zelfs de geringste. Wij doen dit door
onze zintuigen te versterven, door niet op ons eigen oordeel te vertrouwen of
op onze jaren van trouw of onze uitstekende vorming. Wij moeten de Heer vragen
om elke zonde en elke bewuste fout te verafschuwen, om ons een geweten te geven
dat gevoelig genoeg is om de kleinste zonden te ontdekken. Wij moeten onze ziel
zuiveren door veelvuldig te biechten zodat wij ons zondebesef niet verliezen,
dat besef dat zo afwezig lijkt te zijn in onze maatschappij. We zullen Jezus
zeggen: «Help ons onze onverschilligheid en onze traagheid te overwinnen! Geef
ons een besef van zonde! Schep in ons, oh Heer, een zuiver hart, en hernieuw in
onze gemoederen een gewillige geest.»13
16.3 Om een oprechte strijd tegen de zonde goed te beginnen, moet wij onze
dagelijkse fouten zonder excuses onder ogen zien, zonder rechtvaardiging te
zoeken die onze spijt en berouw zouden verzwakken. Deze fouten omvatten onder
meer: nalatigheid in het vervullen van onze beroepsplichten, gebrek aan
broederlijkheid, verwaarlozing van onze omgang met God, negatieve oordelen over
anderen, jaloezie, mishandeling van anderen, verwaarlozing van het gezin, ons
laaghartig en wanordelijk streven om in het middelpunt van de belangstelling te
staan, de belangrijkste te zijn, meer te hebben dan we nodig hebben. Deze zijn
echte dagelijkse zonden want zij vertegenwoordigen ogenblikken dat de wil
weigert de wil van God te volgen, zelfs ofschoon deze weigering geen volledige
verwijdering van Hem is. Ons verlangen elke dag dichter bij Jezus te zijn is
onverenigbaar met daden of verlangens die ons van Hem scheiden. Elke bewuste
dagelijkse zonde is een stap terug op onze weg naar God. De dagelijkse zonde
staat het handelen van de Heilige Geest in onze ziel in de weg.
Ons verlangen om doodzonde te verafschuwen en dagelijkse
zonde te vermijden kennend, geeft Jezus ons dit advies: Als iemand dorst heeft, hij kome tot Mij; wie in Mij
gelooft, hij drinke. De Heer belooft ons levend water te geven. Wij kunnen het
zeker niet bewaren in gebarsten vaten. Het sacrament van de boete herstelt de
ziel, zuivert haar en vervult haar met genade. Laat ons met oprecht berouw naar
dat sacrament gaan. Dan zullen we met de psalmist kunnen zeggen: Als bronwellen vloeien mijn
tranen: omdat men ùw wet veronachtzaamt.14
We gaan naar onze Moeder Maria, Toevlucht van de zondaars, om te
vragen of zij voor ons de genade verkrijgt om elke dagelijkse zonde te
verafschuwen. We vragen haar ook om een grote liefde tot het sacrament van de
goddelijke Genade. Laten wij onszelf onderzoeken als wij deze tijd van gebed
beëindigen, om te zien hoe vaak wij dit sacrament ontvangen, met wat voor een
liefde en met welk voornemen tot verbetering.
-1. Ps
1,3. -2. Jer
17,5-8. -3. Joh
4,10-15. -4. Joh
7,37-38. -5. Vgl. Romeinse
Missaal, Prefatie van het Heilig Hart van Jezus. -6. Eerste lezing,
Jaar ii, Jer 2,12-13. -7. Johannes Paulus ii, Homilie, 16 maart
1980. -8. H. Jozefmaria Escrivá, De Smidse, 1024. -9. Mt 13,10-17. -10. Johannes Paulus ii, Apost. exhort., Reconciliatio et poenitentia,
16. -11. Vgl. Heb
6,6. -12. B. Baur, Still mit Gott, 50. -13. Johannes Paulus ii, Homilie bij de opening van het
heilig jaar van de Verlossing, 25 maart 1983. -14. Ps 119,136.
|