Tiende week door het jaar. Maandag
22. De goddelijke barmhartigheid
-De barmhartigheid van God is oneindig, eeuwig en allesomvattend.
-De rechtvaardigheid gaat vooraf aan de barmhartigheid, en de barmhartigheid
gaat verder dan de eisen van de deugd van de rechtvaardigheid. -Vruchten van de
barmhartigheid.
22.1 De heilige Paulus noemt God Vader vol ontferming 1,
waarmee hij Gods oneindige medelijden met de mensen bedoelt, die Hij innig
liefheeft. Weinig andere waarheden worden, wellicht, zo nadrukkelijk herhaald
als deze: God is oneindig barmhartig en heeft medelijden met de mensen, in het
bijzonder met degenen die zich in de diepste ellende bevinden, de zonde. De
Heilige Schrift onderricht ons in een grote verscheidenheid aan woorden en
beelden -opdat de mensen het zo goed mogelijk begrijpen- dat Gods
barmhartigheid eeuwig is, dat wil zeggen: zonder begrenzing in de tijd2; zij is onmetelijk, zonder beperking van plaats en
ruimte; zij is allesomvattend, want ze beperkt zich niet tot een volk of een
ras, en is even uitgebreid en omvangrijk als de noden van de mens zijn.
De menswording van het Woord, van de Zoon van God, is het
bewijs van deze goddelijke barmhartigheid. Hij is gekomen om vergeving te
brengen, om de mensen met elkaar en met hun Schepper te verzoenen. Zachtmoedig en nederig van hart, schenkt Hij rust en
verlichting aan allen die bedrukt zijn.3 De
apostel Jakobus noemt de Heer rijk aan barmhartigheid en
ontferming.4 In de brief aan de Hebreeën
is Christus de barmhartige hogepriester5, en deze houding jegens de mens is altijd het motief
van de heilsdaden van God6, die het nooit moe
wordt de mensen te vergeven en aan te moedigen om naar hun definitieve
vaderland te gaan; om hun zwakheden, het leed en de gebreken van dit leven te
overwinnen. «De waarheid omtrent God als Vader van barmhartigheid,
die ons is geopenbaard in Christus, staat ons toe op bijzondere wijze te 'zien'
hoe nabij Hij de mens is, vooral wanneer die lijdt, wanneer hij in de kern zelf
van zijn bestaan en waardigheid wordt bedreigd.»7
Vandaar de aanhoudende smeekbede tot Jezus van de melaatsen, blinden, kreupelen...:
heb medelijden met ons.8
De goedheid van Jezus jegens de mensen, jegens ons allen,
gaat de menselijke maat te boven. «Die man die in de handen van schurken is
gevallen, die hem uitgekleed hebben, afgeranseld, en halfdood achtergelaten, is
door Hem opgebeurd. Hij heeft zijn wonden verbonden, er zijn olie en wijn op
gegoten, Hij heeft hem op zijn eigen rijdier laten rijden, en hem in de herberg
geïnstalleerd om hem te laten verzorgen, waartoe Hij een hoeveelheid geld gaf
en de herbergier beloofde, dat Hij hem later zou betalen wat er nog meer
uitgegeven zou worden.»9 Deze zorg heeft Hij
voor iedere mens afzonderlijk. Hij heeft ons vele malen zwaargewond opgenomen,
Hij heeft onze wonden gezalfd, ze verbonden... en niet een maal, maar ontelbare
keren. In zijn barmhartigheid ligt onze redding. Zoals de zieken, de blinden en
de verminkten, moeten ook wij ons wenden tot Christus in het tabernakel, en Hem
zeggen: Jezus, heb medelijden met mij... De barmhartigheid van de Heer werkt op
een bijzondere wijze in het sacrament van boete en verzoening. Daarin reinigt
Hij ons van onze zonden, daarin neemt Hij ons op, verzorgt Hij ons, wast onze
wonden, brengt ons verlichting... Ja, zelfs meer: in dit sacrament geneest Hij
ons volledig en ontvangen wij nieuw leven.
22.2 Zalig de
barmhartigen, want zij zullen barmhartigheid ondervinden10, lezen wij in het evangelie van vandaag. Van de
kant van God is het dringend noodzakelijk, dat zijn kinderen deze houding
hebben ten opzichte van hun broeders en zusters. Hij zegt ons, dat zijn barmhartigheid
jegens ons evenredig zal zijn aan de barmhartigheid die wij elkaar betonen: en de maat die gij gebruikt, zal men ook voor u gebruiken.11 Ze zal evenredig zijn, maar niet gelijk, want de
goedheid van God gaat elke mensenmaat te boven. Onze graankorrel zal met een
goudkorrel overeenstemmen; onze zak graan met een zak goud. Voor de vijftig
denariën die wij kwijtschelden, scheldt Hij een onvoorstelbaar fortuin,
tienduizend talenten, die wij aan God verschuldigd zijn, kwijt. Als ons hart
zich tegenover de ellende en de zwakheden van anderen echter verhardt, zal de
poort naar de hemel en naar de ontmoeting met God nauwer zijn en moeilijker
toegankelijk. «Hij die barmhartigheid van God wil verkrijgen in de hemel, moet
barmhartig zijn in deze wereld. En daarom moeten wij, daar allen verlangen naar
de barmhartigheid, zo te werk gaan, dat onze barmhartigheid voor ons een
advocaat op aarde is, zodat deze ons daarna in de toekomst vrijpleit. Wij
ondervinden barmhartigheid in de hemel door onze barmhartigheid op aarde.»12
In sommige gevallen lijkt het alsof de barmhartigheid tegenover
de rechtvaardigheid staat, alsof de een de eisen van de ander terzijde schuift.
Dit is een verkeerde zienswijze, want zij doet onrecht aan de barmhartigheid,
die juist de volheid van de rechtvaardigheid is. De heilige Thomas13 leert, dat wanneer God vol barmhartigheid te werk
gaat -en wanneer wij Hem navolgen- Hij iets doet wat boven de rechtvaardigheid
uitgaat, maar dat veronderstelt, dat deze deugd tevoren geheel doorleefd is. Op
dezelfde wijze handelt iemand die aan een schuldeiser tweehonderd denariën gaf,
terwijl hij hem er slechts honderd schuldig was, niet tegen de
rechtvaardigheid, maar voldoet hij wat rechtvaardig is, en bovendien handelt
hij vrijgevig en barmhartig. Deze houding ten opzichte van de naaste is de
volheid van de rechtvaardigheid. Sterker nog, zonder rechtvaardigheid komen we
uiteindelijk uit bij «een systeem van onderdrukking van de allerzwaksten door
de sterksten» of bij «een strijdperk van aanhoudende gevechten tussen de ene
groep en de andere.»14
Met rechtvaardigheid alleen is er geen gezinsleven mogelijk,
noch het samenleven binnen een bedrijf of in de verschillende sociale
activiteiten. Het is duidelijk, dat wanneer niet eerst de rechtvaardigheid
beleefd wordt, ook de barmhartigheid niet beoefend kan worden, zoals de Heer
van ons vraagt. Maar na ieder het zijne te geven, dat wat ieder rechtens
toekomt, gaat de barmhartigheid veel verder: wij kunnen dan bijvoorbeeld snel
beledigingen vergeven, die soms alleen in de verbeelding bestaan of veroorzaakt
zijn door ons eigen gebrek aan nederigheid; we kunnen iemand die vandaag wat
meer werk heeft of vermoeider is, helpen met zijn taak. Ook kunnen we iemand
moed inspreken, wanneer hij een probleem heeft of er bezorgd of ongerust
uitziet, misschien vanwege ziekte van een familielid, zakken voor een examen,
geldverlies... We moeten ons aanbieden om deze kleine diensten te verlenen, die
zo noodzakelijk zijn in elk samenleven en in elke gemeenschappelijke arbeid...
22.3 Ook al worden de
betrekkingen tussen mensen steeds rechtvaardiger, het zal altijd nodig blijven
iedere dag de barmhartigheid te beoefenen, die de deugd van de rechtvaardigheid
verrijkt en vervolmaakt. De houding van barmhartigheid moet zich uitstrekken
tot zeer verschillende noden: materiële (voeding, kleding, gezondheid, werk...)
en noden van zedelijke aard (het onze vrienden makkelijker maken om te gaan
biechten, strijden tegen de grote onwetendheid omtrent de meest elementaire
geloofswaarheden door katechese te geven, mee te werken aan vormingswerk...). De
barmhartigheid is, zoals de oorsprong van het woord ons leert, een houding van
het hart die ons ertoe brengt om medelijden te hebben met de ellende van
anderen die we in het dagelijks leven tegenkomen, alsof het onze eigen ellende
was. Daarom moeten wij er ons in de eerste plaats op toeleggen, begrip te tonen
voor andermans fouten, te volharden in een positieve en welwillende houding,
die ons ertoe brengt om van anderen steeds het goede te denken; en om makkelijk
fouten en misstappen te verontschuldigen, zonder dat wij nalaten om te helpen
in die vorm die het meeste resultaat heeft. Een houding, die ons ertoe brengt
om de radicale gelijkheid van alle mensen, die zij bezitten omdat zij alle
kinderen van God zijn, alsmede de verschillen en bijzonderheden van iedere
persoon, weet te respecteren. De barmhartigheid veronderstelt een echt
medeleven, een daadwerkelijk deel hebben aan de tegenspoed van onze broeders en
zusters, zowel materieel als geestelijk.
De Heer heeft van deze zaligspreking de rechte weg gemaakt om
het geluk in dezen in de andere wereld te bereiken. «Het is als een klein
straaltje water dat vloeit uit de barmhartigheid van God, en ons doet deelhebben
aan zijn eigen gelukzaligheid. Het leert ons, veel meer dan boeken doen, dat
het ware geluk niet bestaat in nemen en bezitten, in oordelen en gelijk hebben,
in het doen heersen van de rechtvaardigheid naar eigen inzicht. Het bestaat er
veeleer in, dat wij ons laten vastnemen en bezitten door God, dat wij ons
onderwerpen aan zijn oordeel en aan zijn edelmoedige rechtvaardigheid, en dat
wij van Hem leren om dagelijks de barmhartigheid te beoefenen.»15 Dan pas begrijpen wij dat het zaliger
is te geven dan te ontvangen.16 Een
meelevend en barmhartig hart vult zich met blijdschap en vrede. Zo bereiken wij
ook deze barmhartigheid die we zo nodig hebben; en wij zullen haar verschuldigd
zijn aan hen, die ons de gelegenheid gegeven hebben om iets voor henzelf en
voor de Heer te doen. De heilige Augustinus zegt ons, dat de barmhartigheid de
luister is van de ziel, dat zij haar verrijkt en goed en schoon doet verschijnen.17
Laten wij aan het eind van dit gebed naderen tot onze moeder
Maria, want zij want zij «is degene die het diepst het mysterie van de barmhartigheid kent. Zij kent de prijs ervan en weet hoe diep zij is. In die zin noemen wij haar ook Moeder van barmhartigheid.»18
Ook al bezitten wij reeds overvloedige bewijzen van haar
moederlijke liefde voor ieder van ons, toch kunnen we zeggen tot de heilige
Maagd Maria: Monstra te esse matrem!19, toon dat gij moeder zijt, en help ons om ons te
gedragen als uw goede kinderen en als broeders en zusters van alle mensen.
-1. Eerste lezing van de mis, jaar I. 2 Kor 1,1-7. -2. Vgl. Ps 100.
-3. Mt 11,28. -4. Jak
5,11. -5. Heb 2,17. -6. Vgl. Tit
2,11; 1 Pe 1,3. -7. Johannes
Paulus ii, Enc. Dives in misericordia,
30 november 1980, 2. -8. Mt 9,27; 14,20; 15,22;
20,30; Mc 10,47; Lc
17,13. -9. H. Maximus van Turijn, Brief 11. -10. Mt 5,7. -11. Mt 7,2. -12. H. Caesareus
van Arles, Preek 25. -13. Vgl. H. Thomas van Aquino, Summa
Theologiae 1, q21, a3, ad2. -14. Johannes
Paulus ii, o.c., 14. -15. S Pinckaers, La quête du bonheur.
-16. Hnd 20,35. -17 Vgl. H. Augustinus,
in Catena aurea, deel I. -18. Johannes Paulus ii, o.c., 9.
-19. Getijdengebed, tweede vespers van het
gemeenschappelijke van de heilige Maagd Maria, Hymne Ave,
maris stella.
|