Vijftiende zondag door het jaar (C)
3. De Goede Samaritaan
-De belangrijkste demonstratie van de naastenliefde is onze naaste
dichter tot het geloof te brengen. -Zonden van nalatigheid op het gebied van de
naastenliefde. Jezus is het doel van onze naastenliefde. -Praktische en echte
naastenliefde. Onze eigen behoeften moeten op de tweede plaats komen ten
opzichte van die van anderen.
3.1 Gij zult
uw naaste beminnen gelijk uzelf. De wetgeleerde gaf
het juiste antwoord. Jezus bevestigt het: Uw antwoord is juist, doet dat en ge zult leven. Het verhaal wordt verteld in het evangelie van vandaag.1
Deze norm bestond al in de Joodse Wet, die het zelfs met
praktische bijzonderheden specificeerde. Wij lezen bijvoorbeeld in Leviticus: Als ge uw oogst van het land
haalt, moogt ge uw akker niet tot de rand afmaaien en wat is blijven liggen
niet bijeenrapen. Gij moogt in uw wijngaard geen nalezing houden en de
afgevallen druiven niet bijeenrapen. Dat alles is bestemd voor de arme en de
vreemdeling.2 En na andere
uitdrukkingen van barmhartigheid precies te hebben omschreven gaat de Schrift
verder: Neem geen wraak op
een volksgenoot en koester geen wrok tegen hem. Bemin uw naaste als uzelf.3
We hebben hier een verre voorbode van wat het Nieuwe Gebod van
de Heer zou zijn. Onder de joden echter was een zekere onduidelijkheid over het
woord 'naaste': het was niet duidelijk of het alleen de leden van de eigen
stam, of zijn vrienden, of het gehele uitverkoren volk betrof. De meningen over
het onderwerp liepen uiteen en daarom vroeg de wetgeleerde aan de Heer: en wie is dan mijn naaste? Aan
wie moet ik al die liefde en barmhartigheid betonen?
Jezus antwoordt met een zeer mooie vergelijking die we in het
evangelie volgens Lucas aantreffen: Eens viel iemand, die op weg was van Jeruzalem naar Jericho,
in handen van rovers. Ze plunderden en mishandelden hem, en toen ze aftrokken
lieten zij hem halfdood liggen.4
Dit is mijn naaste: hij is een mens, elke mens wie dan ook die mij nodig heeft.
De Heer maakt geen bijzondere zinspeling op ras, vriendschap of
bloedverwantschap. Onze naaste is iedereen die dichtbij ons is en behoefte
heeft aan hulp. Er wordt niets gezegd over zijn nationaliteit, achtergrond of
sociale status: homo
quidam, zomaar een mens, wie dan ook.
In ons leven komen we vele gevallen tegen van mensen die net
zo zijn gekwetst en behoeftig achtergelaten, halfdood naar lichaam en ziel.
Onze bekommernis hen te helpen, die voortkomt uit onze nabijheid met Jezus, verruimt
ons hart en verhindert dat wij kleingeestig en egoïstisch worden. Men ontdekt
mensen die gekwetst zijn door onbegrip en eenzaamheid, of door het ontbreken
van de meest elementaire menselijke behoeften; mensen, vernederd in hun
waardigheid als persoon; mensen die schaamteloos zijn beroofd van hun meest
elementaire rechten op een manier die de hemel om wraak roept. Christelijke
mannen en vrouwen kunnen nooit aan de andere kant voorbijgaan, zoals sommigen
in de parabel deden.
Iedere dag ontmoeten we ook de man die halfdood was
achtergelaten, ofwel omdat hij de elementaire waarheden van het geloof niet had
geleerd, ofwel omdat ze hem waren ontstolen door de gevolgen van het slechte voorbeeld
van anderen, ofwel door de beïnvloeding van de media. Wij mogen nooit vergeten
dat het geloof de grootste schat is die de mens heeft, veel belangrijker dan
alle materiële en menselijke waarden. «Soms, alvorens het geloof te preken,
moeten wij eerst de man naderen die langs de kant van de weg ligt en zijn
wonden verzorgen. Maar als christenen mogen wij nooit de noodzaak om het geloof
te verspreiden en de mensen te helpen het beter te begrijpen over het hoofd
zien, en om de christelijke betekenis van het leven te verbreiden.»5 Tegelijkertijd trachten we ook in andere goede
dingen te voorzien: opvoeding, cultuur, persoonlijke verbetering, waardering
voor de waarde van werk, eerlijkheid in persoonlijke betrekkingen, en een
verlangen naar sociale rechtvaardigheid. Al die zaken zijn levende
uitdrukkingen van wat naastenliefde in de praktijk werkelijk betekent.
Een christen moet noodzakelijkerwijs betrokken zijn bij de
menselijke en sociale vooruitgang van de mensheid, «maar de gedreven zorg om de
geesten van de mensen te verlichten inzake geloof en godsdienstig leven kan
niet altijd naar het tweede plan verschoven worden.»6
3.2 De gelijkenis gaat verder: Bij toeval kwam er juist een priester langs die weg; hij zag
hem wel, maar liep in een boog om hem heen. De Heer
spreekt ons hier aan over zonden van nalatigheid. Degenen die aan de andere
kant voorbijgingen, veroorzaakten geen nieuwe verwondingen bij de verlaten en
zwaargewonde reiziger, zij stalen niet wat hem nog was overgebleven of
beledigden hem. Zij hadden hun eigen zorgen, zij wilden geen verwikkelingen,
zij hadden belangrijke dingen te doen. Zij hechtten een groter belang aan hun
eigen zaken dan aan de man in nood. Daarin lag hun zonde: Zij gingen aan de andere kant
voorbij.
De dienst die zij verzuimden de gewonde reiziger aan te
bieden, zou dezelfde lof hebben verdiend die de Heer aan Maria Magdalena gaf -zij heeft een goed werk aan Mij
gedaan7- omdat, wat we dan ook
voor anderen doen, wij dat doen voor God. Christus zelf wacht op ons in die
behoeftige persoon. De heilige Johannes Chrysostomus legt Christus deze woorden
in de mond: «Ik zeg je niet: los al mijn moeilijkheden voor Mij op, geef Mij
alles wat je hebt, zelfs al ben Ik maar heel minnetjes in liefde voor jou. Ik
vraag alleen maar om een beetje brood en wat kleren, een beetje verlichting van
mijn honger. Ik ben in de gevangenis. Ik vraag je niet om Mij te komen bevrijden.
Ik wil alleen maar, en voor je eigen bestwil, dat je Me eens komt bezoeken. Dat
is Mij voldoende, en als tegenprestatie zal Ik jou een hemelse gave schenken.
Ik heb jou uit een duizendmaal hardvochtiger gevangenis bevrijd. Maar Ik ben
blij als je Me zo nu en dan eens komt bezoeken.
»Ik zou jou inderdaad die kroon cadeau kunnen doen zonder je
iets van dat alles te vragen. Maar Ik wil dankbaar jegens jou zijn, zodat jij
naderhand kunt komen en je beloning vol vertrouwen in ontvangst nemen. Daarom
ga Ik, die best wel in staat ben om Mijzelf te voeden, liever jouw voetstappen
na, door je te vragen, en steek Ik liever mijn hand uit aan jouw deur. Daarom
zit Ik liever, als een vriend, aan jouw tafel. Ik beroem Mij daarop en Ik kan
jou aan de hele wereld laten zien als iemand die Mij goed gedaan heeft.»8
Het geheim van het overwinnen van verschillen van ras of
cultuur, of zelfs van leeftijd en karakter, is het zich bewust worden dat het
voorwerp van onze naastenliefde Jezus zelf is. Wanneer wij naar onze medemensen
kijken, is Hij het die wij zien: «Het is alsof in de armen Christus zelf met
luide stem om de naastenliefde van zijn leerlingen roept.»9
3.3 Het evangelie gaat verder: Toen kwam een Samaritaan die op reis was, bij hem; hij zag
hem en kreeg medelijden; hij trad op hem toe, goot olie en wijn op zijn wonden
en verbond ze; daarna tilde hij hem op zijn eigen rijdier, bracht hem naar een
herberg en verzorgde hem. De volgende morgen haalde hij twee denariën te
voorschijn, gaf ze aan de waard en zei: Zorg voor hem, en wat ge meer mocht
besteden, zal ik u bij mijn terugkomst vergoeden.
Niettegenstaande de kloof tussen Joden en Samaritanen had de
Samaritaan onmiddellijk met de ongelukkige man te doen: Hij kreeg medelijden. Er zijn mensen
die blind zijn voor alles wat hun last zou kunnen bezorgen, en er zijn er die
snel andermans leed aanvoelen. Wij moeten oog hebben voor het lijden en niet zo
haastig leven dat wij, wanneer wij nood ontmoeten, gemakkelijk een uitvlucht
vinden om eraan voorbij te gaan.
Het medelijden van de Samaritaan was niet zuiver theoretisch
of ondoeltreffend. Integendeel, hij speelde het klaar de man praktische hulp te
bieden. Wat hij deed was misschien geen heldendaad, maar het was adequaat. Ten
eerste, hij trad op hem
toe. Dat is het eerste wat gedaan moet worden in een
noodsituatie: we moeten erheen, we kunnen de situatie niet alleen maar van een
afstand bekijken. De Samaritaan deed vervolgens wat gedaan moest worden: Hij verzorgde hem. De
naastenliefde die de Heer van ons vraagt wordt getoond met daden; in elk
individueel geval betekent het: doen wat gedaan moet worden.
God plaatst onze naaste en zijn nood, langs de weg van ons
leven. Liefde staat altijd klaar te doen wat de situatie vereist. Het hoeft
niet iets bijzonder heldhaftigs of moeilijks te zijn; wat vereist wordt is vaak
iets kleins en eenvoudigs. «Die liefde moet men niet alleen in grootse dingen
zoeken, maar vooral in de gewone omstandigheden van het dagelijkse leven.»10
Het kan het verlenen van een kleine dienst zijn, misschien
het proberen iemand op te monteren als we hem zwaarmoedig aantreffen; of het
kan een woord van waardering en dank zijn, of een glimlach, of een vreemdeling
hoffelijk de weg wijzen, of met belangstelling luisteren naar wat iemand heeft
te zeggen.
De zaken die de Samaritaan te doen had waren niet langer zo
belangrijk. Hij nam royaal de tijd om de man in nood te helpen. Maar het is niet
alleen een kwestie van tijd. Onze interesses, de dingen die wij graag doen -om
genotzucht maar niet te noemen- moeten allemaal op de tweede plaats komen ten
opzichte van de noden van anderen.
Jezus besluit de les met een vriendelijk woord aan de wetgeleerde:
Ga dan en doet gij evenzo.
Hij zegt tegen hem: Heb begrip, wees betrokken en heb medelijden
met al wie jou nodig heeft. En nu, bij het einde van onze overweging, is het
alsof die woorden tegen ieder van ons gesproken worden. Om ze in praktijk te brengen
moeten wij ons tot de heilige Maagd wenden: «Geen hart is menselijker dan dat
van een mens die overloopt van bovennatuurlijk besef. Denk maar aan de heilige
Maagd, vol van genade, Dochter van God de Vader, Moeder van God de Zoon en
Bruid van God de Heilige Geest: in haar Hart is ruimte voor de hele mensheid,
zonder onderscheid of discriminatie. Iedereen is haar zoon of haar dochter.»11
-1. Vgl. Lc 10,27. -2. Lev 19,9-10. -3. Lev 19,18. -4. Lc 10,25-37. -5. Kard. M. González Martin, Libres en la caridad. -6. Ibidem. -7. Mc 14,6. -8. H. Johannes Chrysostomus, Homilieën over Romeinen,
15. -9. Vaticanum ii, Past. const. Gaudium et Spes, 88. -10. Ibidem, 38. -11. H.
Jozefmaria Escrivá, De Voor, 801.
|