Eerste week.
Zaterdag
7. DE GOEDE HERDER, DOOR DE PROFETEN AANGEKONDIGD
-Jezus
Christus is de Goede Herder die de profeten beloofd hebben. Hij kent ieder van
ons bij onze naam. -De Heer heeft in zijn Kerk goede herders nagelaten. -Wij
ontmoeten de Goede Herder bij de geestelijke leiding.
7.1 Uw
oren zullen de woorden horen die achter u worden gesproken: Dit is de weg,
blijft hem bewandelen, al zoudt gij ook rechts of links willen gaan.1 Een van de grotere gaven waarmee de Heer ons in dit
leven kan begiftigen, is het duidelijk blijven zien van de weg die ons naar Hem
voert en het kunnen spreken met een persoon die ons zal helpen van onze
dwalingen en vergissingen terug te keren om opnieuw de goede richting in te
slaan.
Het volk van God heeft op
heel wat ogenblikken van zijn geschiedenis bemerkt de richting en de weg kwijt
te zijn, in de grootste verlatenheid en koersloosheid te verkeren, bij gebrek
aan echte gidsen. Zo zag de Heer zijn volk als
schapen zonder herder, zoals het
evangelie van vandaag vertelt.2 Bij het zien van die menigte mensen werd Hij
door medelijden bewogen, omdat ze afgetobd neerlagen, als schapen zonder
herder. De leiders hadden zich eerder gedragen als wolven dan als
werkelijke herders van de kudde.
Gedurende de lange
wachttijd van het Oude Testament hebben de profeten eeuwen tevoren de komst van
de Goede Herder, de Messias, die zijn kudde vol liefde zou leiden en verzorgen,
aangekondigd. Hij zou die enige herder3 zijn die het verloren schaap zou zoeken, het
afgedwaalde zou terughalen, het gewonde zou verbinden en het zieke zou sterken.4 De schapen zouden
met Hem in zekerheid verkeren en zij zouden andere goede herders hebben die in
zijn naam zouden optreden met de opdracht hen te verzorgen en te leiden: Dan
stel Ik leiders over hen aan die hen werkelijk weiden. Zij hoeven niet meer
bang of angstig te zijn, geen van hen wordt nog vermist.5 Ik ben de
goede herder6,
zegt Jezus. Hij is in de wereld gekomen om de kudde van God bijeen te brengen7: Want gij waart verdwaald, verdwaald als schapen
-zegt de heilige Petrus ons- maar nu zijt ge bekeerd tot de
herder en behoeder van uw zielen.8 De Goede Herder komt om zijn kudde van haar
dwaalwegen terug te halen9; om voor haar uit te
trekken10; om haar te
beschermen11; om haar
te voeden12;
om haar te oordelen13;
om haar, ten slotte, te weiden en voeren naar de waterbronnen van het leven.14
Jezus is de Goede Herder
die door de profeten is aangekondigd. In Hem worden de profetieën tot op de
laatste letter vervuld. Hij roept zijn schapen bij hun naam.15 Jezus kent ons
allemaal persoonlijk, Hij roept ons, Hij zoekt ons, Hij geneest ons. Wij voelen
ons niet verloren te midden van een geweldige en talloze mensheid. Voor Hem
zijn we uniek. Met grote stelligheid kunnen wij zeggen: Hij heeft mij liefgehad
en Zich overgeleverd voor mij.16 Hij onderscheidt mijn stem midden tussen vele andere.
Geen enkele christen heeft het recht te zeggen alleen te zijn. Jezus Christus
is bij hem. En als hij verloren langs de wegen van het kwaad dwaalt, is de
Goede Herder al opgesprongen om hem te gaan zoeken. Alleen kwaadwilligheid van
het schaap, het niet terug willen keren naar de schaapskooi, kan de zorg van de
herder tot mislukken doemen. Dat alleen.
7.2 Naast
het beeld van de Goede Herder past Christus op zichzelf ook het beeld toe van
de 'deur' waardoor men de schaapskooi, de Kerk, binnengaat. De Kerk «is de
schaapsstal, waarvan Christus de enige en noodzakelijke toegangsdeur is. Zij is
de kudde waarvan God zelf beloofd heeft de Herder te zijn en waarvan de
schapen, ook als ze door menselijke herders geleid worden, niettemin
voortdurend door Christus zelf worden geweid en gevoed. Hij immers is de Goede
Herder en de Opperheer van de herders die voor zijn schapen zijn leven gegeven
heeft.»17
Jezus heeft het zo
beschikt, dat er in zijn Kerk goede herders zijn om in zijn naam zijn schapen
te hoeden en te leiden.18 Petrus en diens opvolgers heeft Hij boven de anderen en
als zijn Plaatsbekleder op aarde aangesteld.19 Daarom betonen wij hun een bijzondere
verering, liefde en gehoorzaamheid. Naast de paus en in eenheid met hem staan
de bisschoppen als opvolgers van de apostelen.
De priesters zijn goede
herders, met name in het toedienen van het sacrament van boetvaardigheid waarin
wij van alle verwondingen en ziekten genezen worden. «Laten zij bedenken -zegt
Johannes Paulus II- dat zijn priesterlijk dienstwerk [...] op bijzondere wijze
gericht is op de grote zorg van de Goede Herder, de zorg om het heil van elke
mens, [...] de zorg dat alle mensen het leven zouden bezitten, en wel in
overvloed, opdat niemand verloren raakt, maar eeuwig leven zal bezitten.»20
Iedere christen moet
bovendien de goede herder zijn van zijn broeders en zusters, met name door
middel van broederlijk vermaan, voorbeeld en gebed. Laten wij er veelvuldig aan
denken dat wij ook op een of andere wijze de goede herders zijn van de mensen
die God aan onze zijde geplaatst heeft. Wij hebben de verplichting hen te
helpen -met voorbeeld en gebed- de weg naar de heiligheid te gaan en te
volharden in het beantwoorden van de gaven en oproepen van de Goede Herder die
ons naar de weiden van het eeuwig leven voert.
De opdracht van de goede
herder is een taak die uiterste fijngevoeligheid vraagt. Voor het uitvoeren van
deze opdracht dient men te beschikken over: veel liefde en veel geduld21, moed22, bekwaamheid23,
zachtmoedigheid. En ook scherpzinnigheid van geest24 en een groot verantwoordelijkheidsgevoel25 zijn nodig. Het
veronachtzamen van deze zending zou immers het volk van God zeer ernstige
schade26 kunnen
berokkenen: «slechte herders voeren hun schapen naar de dood, ook de sterke.»27
«De goede herder moet vier
gesteldheden in zich verenigen. Allereerst liefde, want de liefde was juist de
enige deugd die de Heer van Petrus eiste om hem de zorg over zijn kudde toe te
vertrouwen. Verder waakzaamheid. Dat wil zeggen dat hij aandacht heeft voor de
behoeften van zijn schapen. In de derde plaats wijsheid en kennis van de leer
om de mensen voedsel te verschaffen, totdat zij naar hun zaligheid gevoerd
zullen worden. En ten slotte heiligheid en integriteit van leven. Dat is de
belangrijkste van alle eigenschappen.»28 Wij moeten allemaal met aandrang bidden dat er
nooit gebrek komt aan goede herders in de Kerk. In het bijzonder moeten wij
bidden voor hen die God als goede herders over onze zielen heeft aangesteld.
7.3 Ieder
van ons heeft een goede herder nodig die onze ziel leiding geeft. Niemand
immers kan uit zichzelf zijn koers bepalen, tenzij met bijzondere hulp van God.
Gebrek aan objectiviteit, de hartstocht waarmee we naar onszelf kijken, en
luiheid zullen onze weg naar de Heer in duisternis hullen. En zo komt de ziel
tot geestelijke stilstand, lauwheid en mismoedigheid. Daarentegen zal de ziel
«net als een schip dat in de handen van een goede roerganger de haven zonder
gevaar bereikt, in handen van een goede herder makkelijk haar weg naar boven
afleggen, ook al dwaalt zij er vaak van af.»29
«Ieder weldenkend mens
begrijpt zonder moeite dat men voor het bestijgen van een berg een gids nodig
heeft. Hetzelfde is het geval met de opgang in het geestelijk leven [...]. Dan
geldt het des te sterker, omdat dan de listen en lagen vermeden moeten worden
die gelegd zijn door iemand -de duivel- die er veel aan gelegen is ons te
verhinderen verder naar boven te gaan.»30
Wij hebben geestelijke
leiding nodig, opdat wij niet aan het eind van ons leven, net als de Joden na
een zwerftocht door de woestijn zonder koers of richting, zullen moeten zeggen:
Tijdenlang hebben wij om de berg gezworven.31 Wij hebben van de hand in de tand
geleefd. Wij wisten niet waar we naar toe zouden gaan. Ons werk, onze studie
hebben ons niet dichter bij God gebracht. Vriendschap, familie, gezondheid en
ziekte, successen of mislukkingen hielpen ons niet, ook maar een stap te doen
in de richting van het enige dat telt: heiligheid en verlossing. Wij hebben die
leiding nodig, opdat wij niet zullen moeten zeggen, dat we zo maar geleefd
hebben, zonder richting, van hot naar haar gaand. Dat alles zal ons lot zijn
bij gebrek aan bovennatuurlijke doeleinden bij datgene waar we voor strijden,
bij gebrek aan een duidelijke weg en een gids.
Het zal misschien
noodzakelijk zijn de leiding over onze ziel aan iemand toe te vertrouwen. Wij
hebben allemaal een duwtje in de rug nodig als we ontmoedigd raken door onze
omzwervingen tijdens onze gang naar God. We hebben dan die stem van een vriend
nodig die zegt: vooruit; blijf niet stilstaan, je hebt toch de genade van God
om elke moeilijkheid te overwinnen. De Heilige Geest zegt: Als de een valt,
helpt de ander hem op de been. Maar wee hem die alleen is en valt: hij heeft
niemand om hem overeind te helpen.32 Met die hulp stellen we in ons innerlijk weer
orde op zaken. We putten er kracht uit als het lijkt dat we aan het eind van
ons latijn zijn. En zo vervolgen we onze weg. Het is een bijzondere genade van
God te kunnen spreken met deze persoon, deze vriend die ons daadwerkelijk helpt
bij iets zeer belangrijks. Tegenover deze mens kunnen we onze ziel met een
menselijk en bovennatuurlijk vertrouwen blootleggen. Wat een vreugde onze
intiemste gevoelens -om die op God te richten- te kunnen delen met iemand die
ons begrijpt, achting voor ons heeft, nieuwe vergezichten opent, ons moed
inspreekt, voor ons bidt, en van de Heer een bijzondere genade ontvangt om ons
te helpen. Maar het is wel van belang dat we hulp zoeken bij iemand die echt
een goede herder voor ons is, bij iemand van wie God wil dat we tot hem onze
toevlucht nemen.
De heilige Lucas vertelt
ons op welke wijze de verloren zoon de noodzaak ervaart zich te ontdoen van de
last die zijn ziel bezwaart. Ook Judas voelt zich neergedrukt onder de last van
zijn verraad. De eerste gaat waar hij gaan moet en vindt een vrede die hij zich
zelfs niet had kunnen denken. Hij pakte zijn levensdraad weer op. Judas had
naar Jezus terug moeten gaan bij Wie hij, ondanks zijn zonde, welkom geweest
zou zijn en troost zou hebben gevonden, zoals Petrus. Hij ging echter naar wie
hij niet zou moeten gaan: naar mensen die niet in staat waren hem te begrijpen
en die met name niet in staat waren die mens te geven wat hij nodig had. Wat
gaat ons dat aan, dat is uw zaak, zeiden zij hem. In de geestelijke leiding
ontmoeten we de Goede Herder die ons de nodige hulp geeft om weer op de goede
weg te komen, als we verdwaald zouden zijn tijdens onze gang naar God. Onze
Moeder Maria toont ons altijd het veilige pad dat naar Christus voert.
-1. Eerste lezing
van de Mis, Jes 30,21. -2. Mt 9,35-10,1 en 10,5-8. -3. Vgl. Ez
34,23. -4. Vgl. Ez 34,16. -5. Jr 23,4. - 6. Joh 10,11. -7.
Vgl. Mt 15,24. -8. 1 Pe 2,25. -9. Vgl. Lc 15,3-7. -10.
Vgl. Joh 10,4. -11. Vgl. Lc 12,32. -12. Vgl. Mc 6,34-44.
-13. Vgl. Mt 25,32. -14. Apok 7,17. -15. Joh 10,3. -16. Gal
2,20. -17. Vaticanum ii,
Dogm. Const. Lumen gentium, 6. -18. Vgl. Ef 4,11. -19. Vgl. Joh
21,15-17. -20. Johannes Paulus ii,
Brief aan de priesters, (8 april 1979) 7. -21. Vgl. Jes
40,11. -22. Vgl. 1 Sam 25,7; Jes 31,4; Am 3,12. -23.
Vgl. Spr 27,23. -24. Vgl. 1 Pe 5,2. -25. Vgl. Mt 18,12.
-26. Jes 13,14-15; Jr 50,6-8. -27. H. Augustinus, Sermo 46, Over de herders. -28. H. Thomas van Villanueva, Preek over
het evangelie van de Goede Herder. -29. H.
Johannes Climacus, Paradijsladder. -30. R. Garrigou-Lagrange o.p., Het
zieleleven van den christen. -31. Dt 2,1. -32. Pr 4,10.
|