Vierde zondag van Pasen
22. DE GOEDE HERDER. LIEFDE VOOR DE PAUS
-Jezus, de Goede Herder, vertrouwt Petrus en zijn opvolgers
het bestuur van zijn Kerk toe. -Het primaatschap van Petrus. De liefde van de
eerste christenen voor Petrus. -Gehoorzaamheid aan de Plaatsbekleder van
Christus. De «zoete Christus op aarde».
22.1 Ik ben de goede
Herder en Ik ken mijn schapen, en de mijnen kennen Mij.1
De liturgie van deze zondag concentreert zich op het beeld
van de Goede Herder. Het offer van de Herder gaf leven aan zijn schapen en
bracht hen terug in de schaapsstal. Jaren later bevestigde Petrus de christenen
in hun geloof door hen te midden van vervolging eraan te herinneren, wat
Christus voor hen had gedaan en geleden: Door zijn striemen zijt gij
genezen, want gij waart verdwaald als schapen, maar nu zijt gij bekeerd tot de
herder en behoeder van uw zielen.2 En dus bidt de hele Kerk: Laat de voortzetting
van de verlossing in ons leven een bron zijn van blijvende vreugde3, en vraagt
aan God de Vader: Geef dat de kleine kudde de Herder mag volgen, waar Deze
-machtig en groot- is voorgegaan.4
De eerste christenen hadden een bijzondere voorkeur voor het
symbool van de Goede Herder en hebben ons er talloze getuigenissen van
achtergelaten in de catacomben en in vele welbekende gebouwen uit de oudheid
door muurschilderingen, reliëfs, geschriften op grafstenen, mozaïeken en
beeldhouwwerken. De liturgie van deze zondag nodigt ons uit de barmhartige
liefde van onze Redder te overwegen, zodat wij de rechten erkennen, die Hij op
elk van ons verkreeg door zijn dood. Het is ook een goede gelegenheid om in ons
gebed onze liefde te overwegen voor de goede herders, die Hij heeft
achtergelaten om ons te leiden en in zijn naam te bewaren.
Het Oude Testament verwijst herhaaldelijk naar de Messias als
een goede herder die Gods volk, dikwijls verlaten en verstrooid, moet voeden,
regeren en besturen. Die profetieën zijn vervuld in Jezus, maar in Hem met
nieuwe kenmerken. Hij is de Goede Herder, die zijn leven voor zijn schapen
geeft en voor andere herders zorgt om zijn zending voort te zetten.
Tegengesteld aan dieven, die hun eigen belangen najagen en de kudde
vernietigen, is Jezus de deur van de redding5; degene, die binnentreedt, zal leven in
overvloed bezitten.6 Er
is een liefdevolle relatie tussen de Goede Herder en zijn schapen: Hij roept
elk bij zijn naam; Hij leidt hen; de schapen volgen Hem omdat zij zijn stem
kennen; Hij is de éne en enige herder die slechts één kudde heeft7, beschermd door
de liefde van de Vader.8 Hij is de Opperherder.9
Bij zijn laatste verschijning vóór Hemelvaart maakte de
verrezen Christus Petrus tot herder van zijn kudde10, de gids van de Kerk. Op deze wijze
werd de voorspelling, aan Petrus gedaan vóór de Passie, vervuld: Maar Ik heb
voor u gebeden dat uw geloof niet zou bezwijken. Wanneer gij eenmaal tot inkeer
gekomen zijt, versterk dan op uw beurt uw broeders.11 Hierdoor voorspelde Hij dat Hij
als een goede herder voor zijn kudde zou sterven.
Christus vertrouwt Petrus ondanks zijn verloocheningen. Hij
vraagt eenvoudigweg hetzelfde aantal keren om zijn toewijding als Hij werd
verloochend. Onze Heer vindt het niet erg zijn Kerk toe te vertrouwen aan een
zwak man, die berouw heeft en met daden bemint.
Nu werd Petrus bedroefd, omdat Hij hem voor de derde maal
vroeg: 'Hebt gij mij lief?' en hij zeide Hem: 'Heer, Gij weet alles; Gij weet
dat ik U liefheb'. Daarop zei Jezus hem: 'Weid mijn schapen'. Het
zinnebeeld van de herder, dat Jezus voor zichzelf opeiste, wordt aan Petrus
overgedragen: hij moet de zending van onze Heer voortzetten en zijn
vertegenwoordiger op aarde zijn.
Jezus' woorden aan Petrus -weid mijn lammeren, hoed mijn
schapen- verklaren de zending van Petrus als het zonder uitzondering
bewaren van de gehele kudde van onze Heer. 'Hoeden' is gelijkwaardig met
'leiden en besturen'. Petrus wordt tot herder en gids van de gehele Kerk
aangesteld. Zoals het Tweede Vaticaanse Concilie opmerkt, «heeft Jezus Christus
de heilige Petrus aan het hoofd van de andere apostelen gesteld en in hem het
blijvend en zichtbaar beginsel en fundament van de eenheid in geloof en
gemeenschap vastgelegd.»12
Ubi Petrus ibi Ecclesia: waar Petrus is, daar is de
Kerk van Christus. In eenheid met hem, kennen wij met zekerheid de weg die naar
de redding leidt.
22.2 De Kerk is gebouwd op het primaatschap van
Petrus, zoals op een rots, tot het einde van de wereld. De status van Petrus is
tot grote hoogte gestegen, daar Christus het werkelijk fundament van de Kerk is13 en Petrus nu
zijn plaats bekleedt. Daarom hebben sindsdien zijn opvolgers de titel van Vicarius
Christi verkregen, dat betekent, iemand die zijn plaats inneemt.
Petrus is de vaste zekerheid van de Kerk tegen de stormen,
die zij heeft geleden en door de eeuwen heen zal lijden. Op hem als op haar
fundament gegrondvest en dankzij de waakzaamheid van deze goede herder, heeft
de Kerk de garantie van stabiliteit, ondanks beproevingen en bekoringen. Petrus zou enkele jaren later sterven,
maar zijn rol als Opperherder «duurt eeuwig voor het blijvende welzijn en
permanente goed van de Kerk, die, op de rots gebouwd, onwankelbaar moet blijven
tot het einde van de tijd.»14
Onze liefde voor de paus gaat terug naar het begin van de
Kerk. De handelingen van de Apostelen15 vertellen ons ontroerd over de reactie van de
eerste christenen op de gevangenneming van Petrus door Herodes Agrippa, die hem
wilde doden na het Paasfeest. Ondertussen bad de Kerk zonder ophouden voor hem
tot God. «Zie -zegt de heilige Johannes Chrysostomus- hoe de gelovigen om hun
herders geven. Zij nemen geen toevlucht tot protest of opstand, maar tot gebed
als een niet falend hulpmiddel. Zij zeiden niet: 'daar wij machteloos zijn, is
het nutteloos voor hem te bidden.' Zij redeneerden nooit op die manier, maar
baden met liefde.»16
Wij moeten veel voor de paus en zijn intenties bidden, daar
hij het zware gewicht van de Kerk op zijn schouders draagt. We kunnen
bijvoorbeeld het volgende liturgische gebed gebruiken: Dominus conservet
eum, et vivificet eum, et beatum faciet eum in terra, et non tradat eum in
animam inimicorum eius: moge de Heer hem bewaren en in leven houden, hem op
aarde gelukkig maken en hem bewaren voor het in handen vallen van de vijand.17 Elke dag stijgt
het roepen van de hele Kerk, verspreid over de wereld, op tot God. Geen Mis
wordt gevierd zonder dat zijn naam wordt genoemd, en er voor hem en zijn
intenties wordt gebeden. Onze Heer zal zich verheugen als wij door de dag heen,
uren van werk of studie en verstervingen voor zijn Plaatsbekleder op aarde
opdragen.
«Dank U, mijn God, voor de liefde tot de paus, die U in mijn
hart gelegd hebt.»18 Het
zou prachtig zijn als we dit elke dag intenser zouden kunnen zeggen. Deze
liefde en verering voor de Roomse Opperherder is een van de grootste geschenken
die onze Heer ons heeft nagelaten.
22.3 Naast ons gebed en onze liefde voor degene die
Christus' plaats op aarde inneemt, moeten ook ons respect en onze
gehoorzaamheid staan. «De liefde tot de Romeinse Opperherder moet een zoete
hartstocht in ons zijn, omdat wij in hem
Christus zien.»19 Daarom
«mogen wij nooit aan de verleiding toegeven de ene paus met de andere te
vergelijken en alleen degene ons vertrouwen te schenken wiens daden het best
met onze persoonlijke gevoelens overeenstemmen. We mogen geen mensen zijn die
treuren om de paus van gisteren, of die aan het wachten zijn op de paus van
morgen en zich zo ontslagen achten van de verplichting de huidige leider te
gehoorzamen. Leest u eens de tekst van de kroning [deze plechtigheid bestaat
niet meer. Vert.] van Pausen, dan zult u merken dat het geen mensen zijn die de
uitverkorene van het conclaaf de macht van zijn waardigheid verlenen. Deze
macht ontvangt de opvolger van Petrus rechtstreeks van Christus. Wanneer we het
hebben over de Opperherder, laten we uit ons spraakgebruik dan de hele
terminologie bannen, ontleend aan politiek en journalistiek en laten we ons
niet door mensen die buiten ons geloof staan, ons duidelijk laten maken welk
aanzien het hoofd van de christenheid in de wereld heeft.»20
Er zou geen echte liefde en respect voor de paus zijn zonder
getrouwe innerlijke en uiterlijke gehoorzaamheid aan zijn onderricht en lering.
Goede kinderen luisteren met diep respect naar zelfs de eenvoudigste raad van
de gemeenschappelijke Vader en proberen deze oprecht in praktijk te brengen.
In de paus moeten we iemand zien die op de plaats van
Christus in de wereld staat: de «zoete Christus op aarde», zoals de heilige
Catharina van Siëna placht te zeggen. We zullen meehelpen zijn woorden al de
hoeken van de aarde zonder verdraaiing te laten bereiken, zodat, precies als
toen Christus op aarde was, vele mensen die de weg zijn kwijtgeraakt door
onwetendheid en dwaling, weer de waarheid ontdekken en veel teleurgestelde
mensen hun hoop terugkrijgen. Het is een deel van de apostolische taak van de
christen om het woord van de paus bekend te maken.
Deze woorden van Jezus kunnen ook op de paus worden
toegepast: Wie in Mij blijft... die draagt veel vrucht, want los van Mij kunt
gij niets.21 Zonder
deze eenheid is alle vrucht schijn en bedrog, en vaak bitter en schadelijk voor
het Mystieke Lichaam van Christus. Als wij nauw verbonden zijn met de paus,
zullen we alleen maar redenen tot optimisme hebben in de uitvoering van onze
apostolische ondernemingen; het optimisme en de hoop, die liggen in deze
woorden van de H. Jozefmaria Escrivá: «Met vreugde zegen ik je, mijn zoon, om
dat geloof in jouw zending als apostel, dat je deed schrijven: 'De toekomst is
zeker, misschien ondanks onszelf: daar is geen twijfel aan. Maar het is nodig
dat wij één zijn met het Hoofd -ut omnes unum sint, dat allen één zijn!-
door het gebed en offer'».22
-1. Communie van de Mis. -2. 1 Pe
2,25. -3. Gebed over de gaven. -4. Gebed. -5. Vgl. Joh
10,10. -6. Joh 10,9-10. -7. Vgl. Joh 10,16. -8. Vgl. Joh
10,29. -9. 1 Pe 5,4. -10. Vgl. Joh 21,15-17. -11. Lc
22,32. -12. Vaticanum ii, Dogm.
const. Lumen Gentium, 18. -13. 1 Kor 3,11. -14. Vaticanum i, Dogm. const. Pastor
Aeternus, 2. -15. Vgl. Hnd 12,1-12. -16. H. Johannes Chrysostomus, Homilieën over de Handelingen
van de apostelen, 26. -17. Enchiridion Indulgentiarum (1986), 39,
gebed pro Pontifice. -18. H.
Jozefmaria Escrivá, De Weg, 573. -19. Idem, De liefde tot de Kerk, 13. -20. G. Chevrot, Simon Petrus, bl.
78-79. -21. Joh 15,5. -22. H.
Jozefmaria Escrivá, De Weg, 968.
|