Derde week. Donderdag
22. De groei van het innerlijk leven
-Het innerlijk leven is bestemd om te groeien.
Beantwoorden aan de genade die we ontvangen. -Trouw in de kleine dingen en
offervaardigheid. -Berouw en innerlijke groei.
22.1 Jezus vraagt soms extra aandacht van de apostelen om naar zijn leer te
luisteren; een ander maal roept Hij ze bijeen, om hun apart nog eens een
parabel uit te leggen, of om hun een of ander voorval te laten zien, waaruit
zij een les moeten trekken. Ze ontvangen namelijk een schat voor de hele Kerk,
waarvan ze later rekenschap zullen moeten afleggen. Let op wat gij hoort..., zegt Hij eens tot
hen. En Hij geeft hun de volgende les: Aan wie heeft zal gegeven worden; maar wie niet heeft, hem zal nog
ontnomen worden, zelfs wat hij heeft.1 De heilige
Johannes Chrysostomus geeft hierop als commentaar: «Aan degene die ijverig en
vurig is, zal alle hulp die van God afhangt, gegeven worden; maar aan degene
die geen liefde en vurigheid bezit en die niet doet wat van hem afhangt, zal
ook niet gegeven worden wat van God komt. Want zelfs wat hij lijkt te hebben, zal hem nog ontnomen worden, zegt de Heer, niet omdat God het hem afneemt, maar omdat hij niet in
staat is nieuwe genaden te ontvangen.»2
Aan wie heeft, zal gegeven
worden... Dit is een basisprincipe voor het innerlijk
leven van elke christen. Aan degene die aan de genade beantwoordt zal meer
genade gegeven worden, zodat hij nog meer zal bezitten. Maar degene die de ingevingen, inspiratie en hulp van
de Heilige Geest niet benut, zal steeds armer worden. Zij die gewoekerd
hadden met de talenten die hun in bewaring waren gegeven, ontvingen een grotere
rijkdom, maar hij die zijn talent verborgen had, verloor het.3 Het innerlijk
leven is, zoals de liefde, bestemd om te groeien: «Als je zegt: het is zo wel
genoeg, dan ben je reeds dood.»4 Het innerlijk leven vraagt altijd om vooruitgang, beantwoording,
openstaan voor nieuwe genade. Als men niet vóóruit gaat, gaat men áchteruit.
De Heer heeft ons
beloofd, dat wij altijd de hulp krijgen die we nodig hebben. Op elk moment zullen we met
de psalmist kunnen zeggen: Mijn
hulp zijt Gij, mijn bevrijder.5 Moeilijkheden,
bekoringen, inwendige of uitwendige hindernissen zijn aanleidingen tot groei;
hoe groter de moeilijkheden, des te groter is de genade. En indien bekoringen
of tegenslagen zeer groot waren, zou de Heer ons nog meer hulp geven om hetgeen
de heiligheid lijkt te vertragen of onmogelijk te maken, te veranderen in een gelegenheid tot geestelijke vooruitgang en tot
doeltreffendheid in het apostolaat.
Slechts gebrek aan liefde, lauwheid, maakt het zieleleven ziek of doet
het afsterven. Slechts kwade wil, gebrek aan edelmoedigheid jegens God kan onze
eenwording met Hem echt vertragen of beletten. «Het vat van het geloof, dat
naar de bron gebracht is, wordt gevuld overeenkomstig zijn inhoud.»6 Jezus Christus is
een onuitputtelijke bron van hulp, van liefde
en begrip: met welke inhoud -met welke verlangens- naderen we tot Hem? Heer,
zeggen we tegen Hem in ons gebed, maak ons steeds dorstiger naar U. Maak,
dat ik intenser naar U verlang dan een arm
mens die in de woestijn ronddoolt en door gebrek aan water bijna omkomt!
22.2 Er zijn zeer verschillende redenen waarom we misschien geen vooruitgang maken in ons
geestelijk leven, en zodoende terugvallen en moedeloosheid een kans geven. Deze redenen kunnen echter vaak tot
slechts een paar worden teruggebracht: gebrek aan zorg of
nalatigheid in de kleine dingen die met het dienen van God en de vriendschap
met Hem te maken hebben, en het terugdeinzen voor de offers die Hij van ons
vraagt.7 Alles wat we elke dag God kunnen aanbieden, zijn kleine daden van
geloof en liefde, smeekbeden, dankzegging na de mis, het bezoek aan het Sacrament, wetend dat we daar
Jezus zelf ontmoeten die op ons wacht...; onze gebruikelijke gebeden tijdens de dag; offertjes brengen bij ons werk, anderen vriendelijk antwoord
geven, beleefd iets vragen... Veel kleine dingen die met en uit liefde gedaan
worden, vormen onze schat van elke dag, die wij naar de eeuwigheid zullen
meenemen. Ons innerlijk leven wordt normaal gesproken gevoed door kleinigheden
die we met liefde en aandacht verrichten. Iets anders willen, zou betekenen dat
we ons in de weg vergissen, dat we niets of erg weinig zullen vinden om God aan
te bieden. «Het is goed -zegt de H. Jozefmaria Escrivá- te herinneren aan het
verhaal van die door een Franse schrijver verzonnen persoon, die op jacht naar
leeuwen wilde gaan in de gangen van zijn huis. Natuurlijk trof hij die niet
aan. Ons leven is heel gewoon en alledaags; de Heer willen dienen in grote
dingen zou hetzelfde zijn als op jacht naar leeuwen willen gaan bij ons thuis
in de gang. Net als die jager uit het verhaal zouden we uiteindelijk met lege
handen staan»8, zonder iets om aan te bieden. We hebben slechts de gewone dagelijkse
dingen ter beschikking.
Zoals druppels water, bij elkaar gevoegd, de
dorstige aarde tot leven brengen, zo is dat
ook met onze kleine daden: een 'blik'
op een Mariabeeld, een bemoedigend woord tot een vriend, een eerbiedige
kniebuiging voor het tabernakel, het afwijzen van een verstrooiing tijdens ons
gebed, een overwinning op onszelf tijdens het werk door luiheid te vermijden...,
dit soort daden vormt de basis van de goede gewoonten, de deugden, die het
leven van de ziel doen vooruitgaan en het
bewaren. Als we trouw zijn in deze kleine dingen, als we herhaaldelijk
ons verlangen vernieuwen om God te behagen, dan zullen we, wanneer we iets groters
kunnen bieden - een ziekte die moeilijk te dragen is, of een mislukking in het beroepsleven-, vruchten weten te halen
uit wat de Heer heeft gewild of toegelaten. Dan zullen de woorden van Jezus vervuld worden: Wie betrouwbaar is in het kleinste, is ook betrouwbaar in het grote.9
Een andere reden van terugval in het zieleleven
is «het weigeren de offers te aanvaarden die de Heer van ons vraagt.»10 Zulke offers
geven ons de gelegenheid in te gaan tegen ons egoïsme -iets dat iedere liefde
nodig heeft-, en tonen onze ijver om Christus in de loop van de dag te zoeken.
Liefde tot God «wordt verworven in de
geestelijke vermoeienis»11, in de inzet, de echte belangstelling,
die met de hulp van de genade in het diepst van onze ziel
ontspringt. Er kan geen liefde bestaan, noch menselijke noch bovennatuurlijke,
zonder deze wil offers te brengen. «De liefde groeit in ons en ontwikkelt zich,
ook temidden van tegenslagen, van het verzet tegen die liefde vanuit het
binnenste van ieder van ons, en tegelijkertijd 'van buitenaf ', dat wil zeggen,
tussen de veelvoudige krachten die haar vreemd en zelfs vijandig zijn.»12 Omdat de Heer
ons heeft beloofd dat de hulp van de genade
ons nooit zal ontbreken, hangt het resultaat van deze strijd uitsluitend
af van ons antwoord, van onze inzet, van het steeds weer opnieuw beginnen, zonder ontmoedigd te worden. Hoe
trouwer wij aan de genade zijn, des te meer hulp geeft Hij ons, des te
gemakkelijker zullen we de weg kunnen volgen...;
evenzo wordt er meer van ons geëist: een grotere fijnzinnigheid van de
ziel. Liefde vraagt altijd om meer liefde.
22.3 Aan ons innerlijk leven wordt een speciale mogelijkheid tot groei
geboden, wanneer zich ongunstige omstandigheden voordoen. En voor onze ziel
bestaat er geen grotere hindernis dan die welke door onze eigen ellende,
nalatigheid en gebrek aan liefde wordt opgeworpen. Maar in zulke situaties
leert en prikkelt de Heilige Geest ons om op bovennatuurlijke wijze te reageren,
met een akte van berouw: God, wees
mij, zondaar, genadig.13 De heilige
Franciscus van Sales leert, dat we onszelf sterk moeten voelen door dergelijke
schietgebedjes, uitgesproken met veel liefde en berouw, en met het verlangen
naar een echte verzoening, opdat we ons door middel van deze gebedjes,
toevertrouwen aan het barmhartige Hart van de Heer.14 Akten van berouw
zijn een doeltreffend middel om geestelijke vooruitgang te boeken.
Om vergeving vragen is Christus beminnen en
beschouwen, steeds meer bereid tot begrip en barmhartigheid. En omdat we
zondaars zijn15, zal onze weg vol zijn van akten van berouw en liefde, die ons hart
vervullen van hoop en van een nieuw verlangen om de weg naar heiligheid te
hernemen. We moeten steeds weer naar de Heer terugkeren, zonder ontmoedigd of
angstig te raken, ook al hebben we nog zo vaak aan de Liefde niet beantwoord.
Gods barmhartigheid is oneindig en moedigt ons aan terug te keren met nieuwe
ijver, met hernieuwde hoop. We moeten doen zoals de verloren zoon die, in plaats
van daar ver weg in een vreemd land te blijven, vol schaamte en in ellende
levend, tot nadenken kwam en zei: [...] Ik ga weer naar mijn vader.16 «Het menselijk leven is in zekere zin een voortdurend terugkeren naar het
huis van onze Vader. Terugkeren door
middel van het berouw [...].
»God wacht op ons, zoals de vader uit de
gelijkenis, met open armen, al hebben wij dat niet verdiend. Het geeft niet hoe
zwaar wij schuldig zijn. Zoals in het geval van de verloren zoon is het
voldoende dat wij ons hart openstellen, dat wij heimwee krijgen naar het huis
van onze Vader, dat wij ons verwonderen en ons verheugen wegens de gunst die
God ons bewijst, door ons waarachtig zijn kinderen te mogen noemen en het
inderdaad ook te zijn, ondanks zoveel tekorten aan beantwoording onzerzijds.»17 De Heer verlaat
ons nooit. Hij neemt ons altijd op, troost ons en beweegt ons ertoe opnieuw te
beginnen, met meer liefde, met meer nederigheid.
Onze zwakheid helpt ons te zoeken naar de
goddelijke barmhartigheid en nederig te zijn. En groeien in de deugd van
nederigheid betekent, veel stappen vooruit te zetten in ons innerlijk leven.
Alle deugden hebben er baat bij als we nederiger worden. Als we af en toe
ontdekken dat we tekort schieten in het beantwoorden aan al die genade die we ontvangen
hebben, dat we niet zo trouw aan God geweest zijn als Hij verwachtte, dan
moeten we vol vertrouwen met een berouwvol hart tot Hem gaan: God, herschep mijn hart, maak het zuiver, geef mijn
geest, diep in mij, nieuw bestand.18
We moeten vaak aan die dingen denken die, hoe
klein ook, ons van God scheiden. Dan zullen we bewogen worden tot droefheid en
berouw, die ons dichter bij Hem doen komen. Zó wordt ons innerlijk leven
verrijkt, niet alleen door de uitwendige hindernissen, maar ook door de inwendige
zwakheden, dwalingen en zonden. En als we het moeilijk zouden vinden opnieuw te
beginnen, dan moeten we onze toevlucht nemen tot Maria, die de weg die naar
haar Zoon leidt, gemakkelijk maakt. Laten wij tot haar bidden ons vandaag te
helpen om veel akten van berouw te bidden. Misschien kan juist het gebed van de
tollenaar ons daarbij helpen: God,
wees mij, zondaar, genadig. Of het gebed van koning
David: Cor contritum et humiliatum,
Deus, non despicies... een vermorzeld en vernederd hart wijst Gij niet af.19 Heel bijzonder zullen we geholpen worden door het veelvuldig bidden
van schietgebedjes, als we in de verte de muren van een kerkgebouw zien, wetend
dat Jezus, de bron van alle erbarming, daar persoonlijk aanwezig is in het
heilig Sacrament.
Onze lieve Vrouw, de Moeder van genade, van
barmhartigheid, van vergeving, zal altijd in ons de hoop aanwakkeren om het
eerzuchtige doel heilig te worden, te bereiken. Laten we de vruchten van deze
tijd van persoonlijk gebed in haar handen leggen, in de overtuiging dat aan wie
aan de genade beantwoordt, nog meer genade gegeven zal worden.
-1. Mc 4,24-25. -2. H. Johannes Chrysostomus, Homilieën over Mattheüs, 45,1. -3. Vgl. Mt 25,14-30. -4. H. Augustinus, Preek 51, 3. -5. Ps 40,18. -6. H. Augustinus, Tractaat over het evangelie van Johannes, 17. -7. Vgl. R.
Garrigou-Lagrange o.p., Het
zieleleven van den christen. -8. H. Jozefmaria Escrivá, Brief, 24 maart 1930. -9.
Lc 16,10. -10. R. Garrigou-Lagrange o.p., o.c. -11. Johannes Paulus ii, Homilie,
3 februari 1980. -12. Ibidem. -13. Lc 18,13. -14. H Franciscus
van Sales, Tractaat over de liefde tot God, 2,20. -15.
Vgl. 1 Joh 1,8-9. -16. Lc 15,17 18. -17. H. Jozefmaria
Escrivá, Als Christus nu langs
komt, 64. -18. Ps 51,12. -19. Ps 51,19.
|