Zesentwintigste week. Zaterdag
45. De grond van onze blijdschap
-Openstaan voor blijdschap. -Het wezen van blijdschap. Waar
deze te vinden. -Heilige Maria, oorzaak van onze blijdschap.
45.1 Het
evangelie van vandaag verhaalt de blijdschap van de tweeënzeventig leerlingen
nadat zij de komst van het koninkrijk Gods gepredikt hadden in de hele streek.
In volslagen eenvoud roepen zij het uit naar Jezus: Heer, zelfs de duivels onderwerpen zich aan ons door uw
Naam!1 De Heer deelt in hun
vreugde: Ik zag de Satan als een
bliksemstraal uit de hemel vallen. Maar dan waarschuwt Hij zijn
leerlingen. Ik heb u de macht
gegeven om op slangen en schorpioenen te treden, te heersen over de hele kracht
van de vijand; en niets zal u kunnen schaden. Toch moet ge u niet verheugen
over het feit dat de duivels aan u onderworpen zijn, maar verheugt u omdat uw
namen staan opgetekend in de hemel.
Jezus spreekt deze woorden met grote vreugde. Hij begint een
lof- en danklied: Ik prijs U,
Vader, Heer van hemel en aarde, omdat Gij deze dingen verborgen hebt voor
wijzen en verstandigen, maar ze hebt geopenbaard aan kleinen. Ja, Vader, zo
heeft het U behaagd.
De leerlingen zouden dit
buitengewone moment met de Meester nooit vergeten, toen zij Hem
vertelden van de eerste apostolische
ondernemingen. Wat een zegen was het voor hen, werktuigen van de Heer te
kunnen zijn! Hoe blij was Jezus om van hun zendingswerk te horen! Toen volgden
opeens deze opmerkelijke woorden: Verheugt
u omdat uw namen staan opgetekend in de hemel. Als wij getrouw
zijn tot aan het einde, zullen ook wij deze heerlijke woorden horen: Ga binnen in de vreugde van de Heer.2
Hier op aarde brengt iedere stap die wij zetten ons dichter
bij Christus en naar werkelijk geluk. Er is geen blijvend geluk tenzij het van
God komt. De vreugde van de christen vooronderstelt de menselijke blijdschap
die de Heer ons bereidt, «de blijdschap om het leven zelf, de blijdschap om
eerlijke en heilige liefde, de blijdschap om de natuur en de stilte, de
onopgesmukte blijdschap die men vindt in toegewijd werken, de blijdschap om een
taak die goed gedaan is, de eerlijke blijdschap van heilige zuiverheid, van
onderling delen, van zelfopoffering. De christen kan worden gezuiverd door,
vervuld van en herkend aan deze blijdschap. Hij kan deze niet minachten.
Christelijke blijdschap wordt verleend aan degenen die menselijke blijdschap
begrijpen.»3 De Heer maakte vaak gebruik van
aardse vreugden om de wonderbaarlijkheden van zijn Koninkrijk te verkondigen:
de blijdschap van de zaaier en de oogster, van de man die de schat vindt, van
de herder die zijn verloren schaap ontdekt, de vreugde van hen die uitgenodigd
zijn voor een maaltijd, de uitbundigheid van de jonggehuwden, de vreugde van
een vader die zijn zoon terugkrijgt, die van een vrouw die een kind ter wereld
heeft gebracht...
De leerling van Christus is geen ontmenselijkt wezen. Hij mag
zich niet afzonderen -of toestaan afgezonderd te worden- van wat menselijk is.
Dat was niet de weg van de Meester. Wij moeten voor onze vrienden en kennissen
steeds hartelijker en openhartiger zijn. Wij moeten proberen het leven voor
anderen steeds aangenamer te maken. Zo nu en dan zal dit een offer en
zelfverloochening vragen, wanneer wij overmand worden door prikkelbaarheid en
vermoeidheid.
45.2 Blijdschap
is de vrucht van liefde. Het is feitelijk de eerste vrucht.4 Hoe groter onze liefde, des te groter zal onze
blijdschap zijn. De heilige Johannes leert ons, dat God liefde is5,
een mateloze liefde, een eeuwige Liefde die zichzelf aan ons geeft. Heiligheid
is liefde, dat is de gave van God aan de ziel. De leerling van Christus is een
blijde man of vrouw, zelfs te midden van grote tegenslagen. Hier vinden wij de
vervulling van de woorden van de Meester: Ik zal u weerzien en dan zal uw hart zich verheugen en uw
vreugde zal niemand u kunnen ontnemen.6
Misschien kunnen wij in blijdschap de ware deugd van de schijndeugd
onderscheiden.
De Heer zegt ons in het eerste gebod Hem lief te hebben met
heel ons hart, heel onze ziel en heel ons wezen. Dit is een oproep tot
blijdschap en geluk. Hij zelf zal tot ons komen: Als iemand Mij liefheeft, zal hij mijn woord onderhouden;
mijn Vader zal hem liefhebben en Wij zullen tot hem komen en verblijf bij hem
nemen.7 Zonder de blijdschap die
komt door deze zelfgave, wordt het moeilijk of onmogelijk te voldoen aan alle
andere geboden.8
De Heer wil, dat wij ons inspannen onze neiging om verkeerd
te reageren bedwingen en om een heftig woord in te houden. «Maar blijdschap is
niet iets wat wij kunnen forceren. Blijdschap is de vrucht van liefde. Er
bestaat geen menselijke liefde die een blijvende blijdschap in stand kan
houden. Het lijkt er dikwijls op dat menselijke liefde eerder de bron is van
verdriet dan van blijdschap... In het christelijke geloof is dit niet het geval.
Een christen die God niet liefheeft spreekt zichzelf tegen. Een christen die
geen blijdschap uitstraalt, omdat hij God liefheeft, moet zijn geestelijk leven
eens aan een kritisch onderzoek onderwerpen. Voor de christen is blijdschap
iets natuurlijks, omdat het voortkomt uit de belangrijkste deugd -liefde.
Christelijk leven en blijdschap zijn wezenlijk verbonden.»9 Er is ook een relatie tussen droefheid en lauwheid,
tussen droefheid en egoïsme, tussen droefheid en eenzaamheid.
Blijdschap kan worden teruggevonden of vermeerderd, door
eerlijk gebed tegenover Jezus. Dit gebed behoort persoonlijk en onbaatzuchtig
te zijn. Veelvuldig biechten is «de bron van heiligheid en vrede, die ons als
voorrecht verleend is.»10 «Waarachtige blijdschap
is gebaseerd op dit grondbeginsel: dat wij voor God willen leven en anderen
willen dienen om God. Laten wij de Heer zeggen, dat wij niets meer nodig hebben
dan Hem in blijdschap te dienen. Als wij ons zo gedragen, zullen wij zien dat
onze innerlijke vrede, onze blijdschap, ons goede humeur velen tot God zullen
brengen. Getuig van christelijke blijdschap. Laat aan uw naasten zien dat dit
ons grote geheim is. Wij zijn gelukkig omdat wij Gods kinderen zijn, omdat wij
met Hem te maken hebben, omdat wij ons inspannen ons te beteren voor Hem. En
als wij tekortschieten, gaan wij meteen naar het sacrament van de vreugde, waar
wij ons besef van broederschap met alle mannen en vrouwen terugvinden.»11
45.3 De
Kerk is gedurende twintig eeuwen de bron geweest van waaruit blijdschap ontsprong.
Jezus was de bron en bleef dat binnen zijn Mystieke Lichaam. In onze tijd
zouden de gelukkigste schepselen degenen moeten zijn die Christus toebehoren.
Dat verklaart waarom niemand gelukkiger is dan Maria, de Moeder van Jezus en
onze Moeder. Zij die vol van genade12 is, vol
van God, is dus vervuld van blijdschap. Dicht bij Maria zijn betekent een
gezegend leven leiden. Zij die overloopt van genade, verbreidt haar blijdschap
naar alle kanten. «Hoe moeten de stem en de woorden van Maria klinken om zo'n
steeds vernieuwend geluk voort te brengen? Zij zijn als een goddelijke muziek
die in het diepste wezen van mensen weerklinkt en vervult hen met vreugde en
liefde. Hoe dikwijls bidden wij niet de rozenkrans en noemen haar in de litanie
oorzaak van onze blijdschap.
Dat is zij inderdaad, omdat zij de poort van de hemel is, de toegang tot God.
Dochter van God de Vader, portierster bij zijn eindeloze liefde. Als moeder van
God de Zoon is zij poortwachtster bij de Liefde die zich overleverde aan de
dood; als bruid van God de Heilige Geest laat zij de mensen door bij de poort
van goddelijk vuur en goddelijke vreugde. Als zij langs komt wordt de omgeving
totaal veranderd. Droefheid is verjaagd. Schaduwen laten licht door. Hoop en
liefde worden aangestoken... Het is niet hetzelfde bij de Maagd te zijn, of
zonder haar! Het bidden van de rozenkrans is niet hetzelfde als het
niet-bidden!...»13 Laten wij besluiten om de
rozenkrans goed te bidden gedurende deze oktobermaand die toegewijd is aan onze
hemelse Moeder en aan deze Mariadevotie. Laten wij samen met al die andere
christenen bidden tot Maria met een steeds grotere toewijding, op deze en op
iedere zaterdag. Misschien willen wij vandaag ter ere van haar een kleine
versterving aanbieden. Laten wij door onze blijdschap onze vrienden en
verwanten naar God brengen. Maria, oorzaak van onze blijdschap, zal ons helpen
vrede en blijdschap te verbreiden, gaudium cum pace, waar wij ook gaan. Dit is
voor ons als christenen een van onze grootste schatten. Dit is waarnaar de
wereld werkelijk op zoek is, bij zijn blinde pogingen om geluk te vinden in het
bezit van materiële zaken.
-1. Lc
10,17-24. -2. Mt
25,21. -3. Paulus vi, Apost.
exhort. Gaudete in Domino,
9 mei 1975. -4. H. Thomas van Aquino, Summa Theologiae, I-II,
q24, a5. -5. 1 Joh
4,8. -6. Joh 16,22.
-7. Joh 14,23. -8.
Vgl. P.A. Reggio, Espíritu sobrenatural y buen humor,
Madrid 1966, bl. 34. -9. Ibidem,
bl. 35-36. -10. Paulus vi, o.c. -11. A. del Portillo, Homilie bij het jubileum van de jongeren, 12
april 1984. -12. Lc
1,28. -13. A. Orozco, Mirar a María, bl.
239-240.
|