Zondag na 6
januari
De doop van de Heer
51. DE HEER IS GEDOOPT. ONS DOOPSEL
-Jezus wil gedoopt worden. Instelling van het
christelijk doopsel. Dankbaarheid. -Gevolgen van het doopsel: reiniging van de
erfzonde, nieuw leven, kindschap Gods. -Inlijving in de Kerk. Roeping tot
heiligheid en apostolaat. Kinderdoop.
51.1 Nadat
Jezus gedoopt was, steeg Hij terstond uit het water. En zie, daar ging de hemel
open en Hij zag de Geest Gods neerdalen in de gedaante van een duif en over
zich komen; en een stem uit de Hemel sprak: Dit is mijn Zoon, mijn
veelgeliefde, in wie Ik welbehagen heb.1
In
de liturgie van vandaag herdenken wij het doopsel van Jezus door de heilige
Johannes de Doper in het water van de rivier de Jordaan. Zonder een enkele vlek
te hebben heeft Hij zich toch onderworpen aan dit ritueel, op dezelfde wijze
als Hij zich ook onderwierp aan de overige wettelijke voorschriften die net zo
min voor Hem golden. Mens zijnde heeft Hij zich onderworpen aan de wetten die
het menselijk leven regelden en aan de wetten die golden voor het volk van
Israël, door God uitverkoren om de komst van de Verlosser voor te bereiden.
Johannes vervulde, op krachtige wijze, zijn taak: hij profeteerde en riep een
golf van boetvaardigheid op als onmiddellijke voorbereiding op het messiaanse
koninkrijk.
De Heer wil gedoopt
worden, zegt de heilige Augustinus, «omdat Hij met zijn nederigheid wil
verkondigen wat voor ons noodzakelijk is»2.
Het doopsel van Christus
in de Jordaan is het begin van de instelling van het doopsel van het Nieuwe
Verbond dat allengs met nieuwe bestanddelen is aangevuld, en door Christus rechtstreeks
in alle volheid ingesteld en universeel verplichtend gesteld is bij zijn
Hemelvaart met de woorden: Mij is alle
macht gegeven in de hemel en op aarde. Gaat dus en maakt alle volkeren tot mijn
leerlingen en doopt hen in de naam van de Vader en de Zoon en de Heilige Geest.3
Met het doopsel ontvangen
wij het geloof en de genade. De dag van onze doop was de belangrijkste dag van
ons leven. «Zoals droge grond, als hij geen water krijgt, geen enkele vrucht
draagt, zo zullen ook wij, die toch vooreerst dor hout zijn, nooit vruchten ten
leven dragen, zonder de regen die ons onverplicht van boven geschonken wordt.»4 Vóór ons doopsel
staan wij voor de vergrendelde hemelpoort en zijn wij niet in staat enige
bovennatuurlijke vrucht voort te brengen.
Vandaag kan ons gebed ons
helpen te bedanken voor dit geschenk dat wij ontvangen hebben zonder het te
verdienen en blij te zijn voor zoveel goeds dat God ons verleent.
«Dankbaarheid is vanzelfsprekend het eerste gevoel dat in ons opbloeit als gevolg van de genade van het doopsel. Het tweede
is de vreugde. Wij zouden nooit aan ons doopsel moeten denken zonder een diepe
inwendige blijdschap.»5
Wees dankbaar, dat de ziel
gezuiverd is van de smet van de erfzonde, en van elke andere zonde zo die voor
het doopsel begaan was. Alle mensen behoren tot het mensengeslacht, dat in
zijn oorsprong beschadigd is door de zonde van onze stamouders. «Met het
Concilie van Trente belijden wij kortom, dat de erfzonde wordt doorgegeven
tegelijk met het mens-zijn, 'niet via navolging, maar via voortplanting', en
dat ze dus 'iedereen eigen is'..»6 Jezus voorzag echter het doopsel van een bijzondere
werking om de menselijke natuur te zuiveren en deze te bevrijden van die zonde
waarmee wij geboren zijn. Het doopwater heeft een even werkelijke betekenis en
uitwerking als natuurlijk water: reiniging en zuivering van elke smet en
ongerechtigheid.7 «Dank
zij het sacrament van het doopsel zijt gij veranderd in een tempel van de
Heilige Geest. Laat het u nooit gebeuren -spoort sint Leo de Grote ons aan- dat
u met uw gedragingen een zo edele Gast verjaagt, noch dat gij u onderwerpt aan
de slavernij van de duivel. Uw losprijs immers is het bloed van Christus.»8
51.2 Almachtige
eeuwige God, toen Christus in de Jordaan gedoopt was en de Heilige Geest op Hem
neerdaalde, hebt Gij Hem geopenbaard als uw welbeminde Zoon. Wij bidden U: laat
ook op ons, uw aangenomen kinderen, die herboren zijn uit water en Heilige Geest,
altijd uw welbehagen rusten.9
Het doopsel is onze
initiatie in het leven van de Kerk. Het is een werkelijke geboorte in het
bovennatuurlijk leven. Het is het nieuwe leven dat de apostelen predikten en
waarover Jezus tot Nicodemus zei: Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u: als iemand
niet wedergeboren wordt, kan hij het Rijk Gods niet zien... Als iemand niet
geboren wordt uit water en geest, kan hij het rijk Gods niet binnengaan... Wat
geboren is uit het vlees is vlees, en wat geboren is uit de Geest is geest.10
Het gevolg van dit nieuwe
leven is de onbetwistbare vergoddelijking van de mens en zijn vermogen
bovennatuurlijke vruchten voort te brengen.
De waardigheid van de
gedoopte is in het gewone bestaan ongelukkigerwijs vaak als het ware
versluierd. Daarom moeten wij ons, net als de heiligen deden, trainen in een
leven overeenkomstig die waardigheid.
Onze hoogste waardigheid,
ons kind zijn van God, die ons in het doopsel wordt meegedeeld, is het gevolg
van een nieuwe voortbrenging. Zoals de menselijke voortbrenging 'ouderschap' en
'kindschap' tot gevolg heeft, zo zijn zij die door God voortgebracht zijn,
werkelijk zijn kinderen: Hoe groot is de liefde die de Vader ons betoond
heeft! Wij worden kinderen van God genoemd, en we zijn het ook... Vrienden, nu
reeds zijn wij kinderen van God, en wat wij zullen zijn is nog niet geopenbaard.11
Op het moment van het
doopsel vindt er door de instorting van de Heilige Geest het wonder van een
nieuwe geboorte plaats. Het doopwater wordt gezegend in de paasnacht. Gebeden
wordt dan: Laat door uw Zoon de levenskracht van de Heilige Geest als een
storm over dit water gaan, zodat allen die door het doopsel samen met Christus
zijn begraven, ook met Hem uit het graf zullen opstaan en leven door Christus
onze Heer. Aan deze beeldende uitdrukking beantwoordt de volgende verheven
werkelijkheid: de gedoopte wordt wedergeboren tot een nieuw leven, het leven
van God, daarom is hij diens 'kind'. Als wij kinderen zijn, dan ook
erfgenamen, en wel erfgenamen van God, tesamen met Christus.12
Wij zijn God onze Vader
veel dank verschuldigd die ieder van ons zulke onmetelijke, zulke volstrekt
buitensporige gaven heeft willen verlenen. Het moet een groot goed zijn dit
regelmatig te overwegen. «Vader -zei die grote kerel, een goed student van de
Central (wat zou er trouwens van hem geworden zijn?), ik dacht aan wat u me
zei..., dat ik zoon van God ben! En ik betrapte me erop, fier als een pauw over
straat te lopen, met opgeheven hoofd en vol trots... zoon van God! Ik raadde hem
met een rustig geweten aan, die 'hoogmoed' te bevorderen.»13
51.3 In de
Kerk staat men als gelovige nooit alleen. Vanaf het doopsel maakt de gedoopte
deel uit van een volk, en de Kerk treedt naar buiten als de echte familie van
de kinderen van God. «Het heeft Hem behaagd de mensen geenszins afzonderlijk,
zonder enig onderling verband, te heiligen en te redden, maar tot een volk te
verenigen, dat Hem naar waarheid zou erkennen en in heiligheid zou dienen.»14 En het doopsel is de poort die toegang geeft tot de
Kerk.15
In de Kerk zijn wij, juist
door het doopsel, allen geroepen tot heiligheid, en tot het beoefenen van het
apostolaat, ieder in zijn eigen staat en plaats.16 «De roeping tot heiligheid en de
daaruit voortvloeiende eis tot persoonlijke heiliging is universeel. Wij
allen, priesters en leken, zijn geroepen tot heiligheid. En wij allen hebben,
met het doopsel, de eerste vruchten, de primeurs ontvangen van dit geestelijk
leven, dat juist door zijn eigen aard leidt tot de volheid.»17
Een andere werkelijkheid
die zeer innig verbonden is met dit lidmaatschap van de Kerk, is die van het
sacramentele teken: «een geestelijk en onuitwisbaar merkteken wordt in de ziel
ingedrukt»18.
Het is alsof Christus met een nieuw zegel zijn bezit van de ziel van de
gedoopte bevestigt. Christus nam bezit van onze ziel, op het moment waarop wij
gedoopt werden. Hij heeft ons met zijn lijden en sterven van de zonde gered.
Met deze overwegingen
zullen wij goed kunnen begrijpen, waarom de Kerk verlangt dat kinderen deze
gaven van God zo snel mogelijk ontvangen.19 Van meet af aan heeft zij de ouders
aangemoedigd hun kinderen onverwijld te laten dopen. Het is een feitelijk blijk
van geloof. Daardoor worden zij niet in hun vrijheid beknot, net zo min als er
onrecht geschiedt, wanneer zij in het aardse leven gevoed, gewassen en verzorgd
worden, hoewel zij daar nog niet om kunnen vragen. Integendeel, zij hebben
recht op deze genade. Wat een mooi apostolaat om in veel gevallen te
verrichten: onder vrienden, medewerkers, kennissen...
Bij het doopsel staat er
iets op het spel, dat oneindig veel groter is dan welk ander goed: de genade en
het geloof; wellicht het eeuwig heil. Alleen door onwetendheid of door een
ingeslapen geloof is te verklaren, dat heel veel kinderen, door toedoen van hun
eigen ouders die wel gedoopt zijn, verstoken blijven van het grootste geschenk
van hun leven. Vandaag richt ons gebed zich tot God, opdat Hij niet toelate,
dat dit geschiedt.
Laten wij onze ouders
dankbaar zijn, dat zij ons, misschien al in de eerste dagen na onze geboorte,
dit sacrament hebben laten ontvangen.
-1. Mt 3,16-17. -2. H. Augustinus, Sermo 51,
33. -3. Mt 28,18-19. -4. H.
Ireneüs van Lyon, Adversus haereses, III, 17/2. -5. Dom
Columba Marmion, Le Christ, vie de l'âme, Abdij van Maredsous
1933, bl. 186 en 203-204. -6. Paulus vi,
Credo van het volk Gods, Rome 30 juni 1968. -7. Vgl. 1 Kor 6,11; Joh
3,3-6. -8. H. Leo de Grote, Kerstpreek
3. -9. Gebed, uit de Mis van vandaag. -10. Joh 3,3 en 5-6.
-11. Vgl. 1 Joh 3,1-9. -12. Vgl. Rom 8,14-17. -13. H. Jozefmaria Escrivá, De Weg,
274. -14. Vaticanum ii,
Dogm. const. Lumen gentium, 9. -15. Ibidem, 14; Idem, Decr. Ad gentes, 7. -16.
Vgl. idem, Dogm. const. Lumen
gentium, 11 en 42. -17. A. del
Portillo, Escritos sobre el sacerdocio, Madrid 1979, bl. 111.
-18. DS 1609/852. -19. Congregatie
voor de Geloofsleer, Instructie over de kinderdoop, 20 oktober
1980; vgl. Wetboek van Canoniek recht, 867.
|