Laatste zondag door het jaar
Christus, Koning van het heelal
46. De heerschappij van Christus
-Een heerschappij van gerechtigheid en liefde.
-Moge Christus vooreerst heersen in ons verstand, onze wil, in al onze
handelingen. -Het Koninkrijk van Christus verbreiden.
46.1 De Heer troont eeuwig als koning. De Heer zegent zijn volk met vrede1, zo roept een van
de gezangen van de heilige Mis ons in herinnering.
Het hoogfeest dat wij vieren is «als het ware
een synthese van heel het heilsmysterie».2 In de
loop van het liturgisch jaar hebben we alle mysteries van het leven van de Heer
gevierd, en met dit hoogfeest wordt het kerkelijk jaar afgesloten. Vandaag
wordt ons de verheerlijkte Christus, de Koning van geheel de schepping en van
onze zielen, ter overweging aangeboden. Ook de Openbaring des Heren, Pasen en
Hemelvaart zijn uiteraard de feesten van Christus Koning en Heer van al het
geschapene, maar het feest van vandaag werd speciaal ingesteld om ons Jezus te
tonen als de enige vorst over een samenleving die God de rug lijkt toe te keren.3
In de Misteksten wordt ons de liefde duidelijk
gemaakt van Christus Koning, die zijn heerschappij niet met de kracht van een
veroveraar kwam vestigen, maar met de goedheid en zachtheid van een herder: Ik zoek mijn kudde op en bezoek mijn eigen schapen.
Zoals een herder omziet naar zijn kudde, en zich onder zijn schapen begeeft
wanneer ze verstrooid zijn, zo zal Ik omzien naar mijn schapen en ze in
veiligheid brengen, hoe ver ze ook afgedwaald zijn ten gevolge van mist en
nevel.4
Met deze
bezorgdheid heeft de Heer de mensen gezocht, die door de
zonde verspreid en verwijderd van God waren. En omdat zij gewond en ziek zijn,
heeft Hij hen genezen en hun wonden
verbonden. Zozeer heeft Hij hen liefgehad, dat Hij zijn leven voor hen
heeft gegeven. «Als Koning komt Hij Gods liefde openbaren om de Middelaar van
het Nieuwe Verbond te zijn, de Verlosser van de mens. Het Koninkrijk dat Jezus
Christus heeft ingesteld, is als zuurdesem en teken van heil om een wereld te
vestigen die rechtvaardiger, broederlijker,
meer solidair is, geïnspireerd op de evangelische waarden van hoop en
toekomstige zaligheid, waartoe wij allen zijn geroepen. Daarom wordt in de
prefatie van de eucharistieviering van vandaag gesproken over Jezus, die aan de
Vader een koninkrijk van waarheid,
heiligheid en liefde, recht en gerechtigheid, een koninkrijk van vrede heeft aangeboden.»5 Zo is het
Koninkrijk van Christus, en wij zijn geroepen daarin te delen en het door een
vruchtbaar apostolaat om ons heen te
verbreiden. De Heer moet aanwezig zijn in onze verwanten, vrienden,
buren, collega's op het werk... «Tegenover mensen die de godsdienst terugbrengen
tot een verzameling verbodsbepalingen, of zich schikken naar een in halftinten
geschetst katholicisme; tegenover hen die de Heer met zijn gezicht tegen de
muur willen zetten of Hem naar een hoekje van hun ziel verbannen...: tegenover
die mensen moeten we in woorden en daden laten blijken, dat we Christus tot de
ware koning van alle harten willen maken..., ook van hun harten.»6
46.2 Oportet autem illum regnare..., want het is
vastgesteld dat Hij het koningschap zal uitoefenen...7
De heilige Paulus leert ons, dat de
heerschappij van Christus over geheel de schepping reeds in deze tijd in
vervulling gaat, maar haar definitieve volheid zal verwerven na het laatste
oordeel. De apostel stelt deze, voor ons zo geheimvolle gebeurtenis voor als
een daad van plechtig eerbetoon aan de Vader: Christus zal als een
overwinningsteken heel de schepping aanbieden, Hij zal Hem het Koninkrijk
overdragen dat Hij Hem tot dan toe had toevertrouwd.8
Zijn glorievolle komst aan het einde der tijden, wanneer Hij de nieuwe hemel en de nieuwe aarde9 heeft gevestigd,
zal de definitieve zege over de duivel, de zonde, lijden en dood met zich
meebrengen.10
In de tussentijd mag de christen geen passieve
houding aannemen tegenover de heerschappij van Christus in de wereld. Wij
verlangen vurig naar die heerschappij: Oportet illum regnare... Hij dient vooreerst
in ons verstand te regeren, door de kennis van zijn leer en onze liefdevolle
eerbied voor de geopenbaarde waarheden; Hij moet in onze wil regeren, opdat
deze steeds vollediger aan de goddelijke wil gehoorzaamt en zich daarmee
vereenzelvigt; Hij moet in ons hart heersen, opdat zich geen enkele andere
liefde tussen de liefde voor God stelt; Hij moet in ons lichaam, de tempel van
de Heilige Geest heersen11; in ons werk, dat de
weg naar heiligheid is... «Hoe groot zijt Gij, onze Heer en onze God! Gij geeft
aan ons leven een bovennatuurlijke zin en goddelijke resultaten. Dank zij U
kunnen wij, uit liefde voor uw Zoon, met al de kracht van ons wezen, met ziel
en lichaam herhalen: oportet illum
regnare, Hij moet als koning heersen! Maar door die
kreet heen weerklinkt de klacht van onze zwakheid, want Gij weet dat wij
schepselen zijn.»12
Het feest van vandaag is als het ware een
voorproef op de tweede komst van Christus in macht en majesteit, de glorievolle komst
die de harten zal vervullen en alle tranen van ongeluk zal opdrogen. Maar het
is tegelijkertijd een oproep en prikkel om alle aardse werkelijkheden om ons
heen te doordringen van de beminnelijke Geest van Christus, want «de
verwachting van een nieuwe aarde moet de bezorgdheid om deze aarde uit te
bouwen niet afzwakken, maar eerder aanwakkeren; want hier groeit dat lichaam
van de nieuwe mensenfamilie dat al in staat is om enigermate een
voorafschaduwing van het eindrijk te geven. Al moet de aardse vooruitgang dus
zorgvuldig worden onderscheiden van de groei van het rijk van Christus, toch is
hij in het rijk van God ten zeerste betrokken, in zoverre hij kan bijdragen tot
een betere ordening van de mensengemeenschap.
»Want het goed van de menselijke waardigheid,
van de broederlijkheid en de vrijheid, al deze goede vruchten dus van onze
natuur en onze inspanning, zullen wij, nadat wij ze [...] hebben gepropageerd,
later weer terugvinden, dan gezuiverd van elke smet, transparant en omgevormd,
wanneer Christus aan de Vader een eeuwig, een allen en alles omvattend rijk zal
teruggeven [...]. Op deze aarde is dat rijk al op een gesluierde wijze aanwezig;
bij de komst van de Heer echter zal het zijn voltooiing vinden.»13 Wij werken aan de uitbreiding van Jezus' rijk mee,
wanneer we de kleine wereld om ons heen, die we elke dag tegenkomen, menselijker
en christelijker pogen te maken.
46.3 Op de vraag van Pilatus antwoordde
Jezus: Mijn koningschap is niet van
deze wereld... En op de daarop volgende interpellatie
van de landvoogd luidde zijn antwoord: Ja, koning ben Ik. Hiertoe ben Ik geboren...14 Hoewel niet van deze wereld, begint het koningschap
van Christus reeds hier. Zijn rijk wordt onder de mensen verbreid, wanneer
dezen zich kinderen van God voelen, zich aan Hem voeden en voor Hem leven.
Christus is een Koning, aan wie alle macht is gegeven in de hemel en op aarde,
en toch heerst Hij zachtmoedig en
nederig van hart15, door dienaar van allen te zijn, want Hij is niet gekomen om gediend te worden, maar om te dienen en zijn
leven te geven als losprijs voor velen. Zijn troon
was eerst de kribbe van Bethlehem en daarna het kruis van Calvarië. Want
ofschoon Hij de vorst is van de
koningen der aarde16, eist Hij niet meer waardigheidstekenen dan geloof en liefde.
Een rover was de eerste die zijn werkelijke
hoedanigheid herkende: Jezus -zo zei hij Hem in eenvoudig en nederig geloof- denk aan mij, wanneer Gij in uw Koninkrijk gekomen
zijt.17 De naam die
voor velen een aanleiding tot ergernis en bespotting was, zal de redding zijn
van deze man, in wie het geloof wortel was gaan schieten toen de goddelijkheid
van de Heiland het meest verborgen leek te zijn. En de Heiland «geeft altijd
méér dan wat men Hem vraagt: de rover vroeg Hem alleen om aan hem te denken,
maar de Heer zegt tot hem: Voorwaar,
Ik zeg u: Vandaag nog zult gij met Mij zijn in het paradijs. Het leven bestaat in het wonen bij Jezus Christus; en waar Jezus
Christus is, daar is ook zijn Koninkrijk.»18
Op het feest van vandaag horen wij Jezus tot
het binnenste van ons hart zeggen: Ik
ken de plannen die Ik met u heb: ze hebben uw heil op het oog, niet uw onheil.19 Wij nemen ons vandaag voor om in ons
hart alles in orde te brengen dat niet in overeenstemming is met de wil van
Christus. Tegelijkertijd bidden wij Hem, dat wij zijn medewerkers mogen zijn in
die grootse opdracht om zijn koningschap te verbreiden om ons heen en naar alle
plaatsen waar men Hem nog niet kent. «Daartoe zijn wij, christenen, geroepen,
dit is onze apostolische taak, dit is het vuur dat onze ziel moet verteren: het
koninkrijk van Christus te verwezenlijken, haat en wreedheid te doen
verdwijnen, over de aarde de sterke en vredebrengende balsem van de liefde te
verspreiden.»20 Daarin zullen we alleen slagen,
als we velen tot Jezus weten te brengen door een volhardend en krachtdadig
apostolaat onder degenen die in ons leven dagelijks langs komen.
Om onze verlangens werkelijkheid te doen
worden, nemen we andermaal onze toevlucht tot onze Vrouwe. «Maria, de heilige
Moeder van onze Koning, de koningin van ons hart, zorgt voor ons zoals zij
alleen het kan doen. Medelijdende Moeder, troon van genade, wij vragen U ons te
helpen om van ons leven en dat van hen die ons omringen een ongekunsteld lied
te maken dat strofe na strofe de liefde zal bezingen, quasi flumen pacis (Jes
66,12), als een stroom van vrede. Want Gij zijt een oceaan van oneindige
barmhartigheid.»21 .
-1. Communio, Ps 28,10-11. -2. Johannes Paulus ii, Homilie 20 november
1983. -3. Vgl. Pius xi, Enc. Quas primas, 11 december 1925. -4. Eerste
lezing (Cyclus A), Ez 34,11-12. -5. Johannes Paulus ii, Toespraak 26 november
1989. -6. H. Jozefmaria Escrivá, De
Voor, 608. -7. Tweede lezing (Cyclus A), 1 Kor 15,25. -8.
Vgl. 1 Kor 15,23-28. -9. Apok 21,1-2. -10. Vgl. The Navarre
Bible, noot bij 1 Kor 15,23-28. -11. Vgl. Pius xi, Enc. Quas primas, cit. -12. H. Jozefmaria Escrivá, Als
Christus nu langs komt, 181. -13. Vaticanum ii, Past.
const. Gaudium et spes, 39. -14. Joh 18,36-37. -15. Vgl. Mt 11,29. -16. Tweede lezing (Cyclus B), Apok 1,5. -17. Lc 23,42. -18. H. Ambrosius, Commentaar op het evangelie
van Lucas, in loc. -19. Jer 29,11. -20. H. Jozefmaria Escrivá, Als Christus nu langs komt, 183. -21. Ibidem, 187.
|