Zondag na Pinksteren.
Hoogfeest (1)
39. DE HEILIGE DRIEËENHEID
De Kerk viert vandaag het centrale geheim
van ons geloof, de Allerheiligste Drieëenheid, bron van alle gaven en genaden,
het onuitsprekelijke mysterie van het innerlijke leven van God. De liturgie van
de heilige mis nodigt ons uit tot een intieme omgang met elk van de drie
goddelijke Personen: de Vader, de Zoon en de Heilige Geest. Het feest werd voor
het gehele Westen door paus Johannes xxii in 1334 ingesteld en bepaald op deze zondag na de komst van de Heilige
Geest, het laatste van onze heilsmysteries. Vandaag mogen wij vaak, langzaam en
met bijzondere aandacht herhalen: 'Eer aan de Vader en de Zoon en de Heilige
Geest'.
-Openbaring van het
mysterie van de Drieëenheid. -Omgaan met ieder van de goddelijke Personen.
-Gebed tot de Allerheiligste Drieëenheid.
39.1 Tibi laus, Tibi gloria, Tibi gratiarum
actio... Aan U de lofprijzing, aan U de verheerlijking, aan U de dankzegging door alle eeuwen der eeuwen, o Allerheiligste Drieëenheid! 1
Na de heilsmysteries te hebben hernieuwd -van
de geboorte van Christus in Betlehem tot de komst van de Heilige Geest met
Pinksteren- biedt de liturgie ons het kerngeheim van ons geloof: de
Allerheiligste Drieëenheid, bron van alle gaven en genaden, onuitsprekelijk mysterie
van Gods innerlijke leven.
Met goddelijke
pedagogie toonde God ons geleidelijk aan zijn innerlijke
werkelijkheid, openbaarde Hij ons hoe Hij
is, in zichzelf, onafhankelijk van al het geschapene. In het Oude Testament maakte Hij vooral de eenheid
van zijn wezen bekend en zijn totale verscheidenheid van de wereld en de manier waarop Hij daarmee, als
Schepper en Heer, in betrekking
stond. Op velerlei wijzen wordt ons geleerd dat God, anders dan de
wereld, niet geschapen is; dat Hij niet
beperkt is tot een ruimte (Hij is onmetelijk), noch tot de tijd (Hij is
eeuwig). Zijn macht kent geen grenzen (Hij is almachtig). Erken dan heden en prent het in uw hart -zo
nodigt de liturgie ons uit-: Jahwe
is God in de hemel boven en op aarde beneden; er is geen ander.2 Alleen Gij, Heer.
Het Oude Testament verkondigt vooral de
grootheid van Jahwe, de enige God, Schepper en Heer van heel het heelal. Maar
Hij openbaart zich ook als de herder
die zijn kudde zoekt, die liefdevol en teder voor de zijnen zorgt, die
de veelvuldige momenten van ontrouw van het
uitverkoren volk vergeeft en vergeet... Tegelijkertijd openbaart zich het
vaderschap van God de Vader, de menswording van Gods Zoon, die wordt
aangekondigd door de profeten, en het optreden van de Heilige Geest die alles
nieuw maakt.
Het is echter Christus, die ons het innerlijke
van dit geheim openbaart en ons oproept
hierin te delen. Niemand kent
de Vader tenzij de Zoon en hij aan wie de Zoon het wil openbaren.3 Hij openbaarde ons ook het bestaan van de Heilige
Geest, tezamen met de Vader, en Hij zond Hem over de Kerk om haar te heiligen
tot het einde der tijden; Hij openbaarde ons ook de volmaakte eenheid van leven
tussen de goddelijke Personen.4
Het geheim van de
Allerheiligste Drieëenheid is het uitgangspunt voor heel
de geopenbaarde waarheid en de bron waaruit
het bovennatuurlijk leven voortkomt en waarnaar wij op weg zijn: wij
zijn kinderen van de Vader, broeders en mede-erfgenamen van de Zoon, voortdurend
geheiligd door de Heilige Geest om steeds
meer op Christus te gelijken. Aldus groeien wij in de zin van ons
goddelijk kindschap. Dit maakt ons tot
levende tempels van de Allerheiligste Drieëenheid.
Aangezien dit het kerngeheim is van het leven
van de Kerk, wordt de Allerheiligste Drieëenheid onophoudelijk in heel de liturgie
aangeroepen. In de naam van de Vader en de Zoon en de Heilige Geest werden wij
gedoopt, en in hun naam worden onze zonden vergeven; aan het begin en het einde van vele gebeden richten wij ons tot
de Vader, door tussenkomst van Jezus Christus, in de eenheid van de
Heilige Geest. Vaak herhalen wij, christenen, in de loop van de dag: Eer aan de Vader en de Zoon en de
Heilige Geest.
«God is mijn Vader! -Als je dat overweegt zou je die
troostrijke gedachte nooit meer los willen laten.
»Jezus is mijn allerdierbaarste vriend -weer zo'n
ontdekking- die naar mij verlangt met al zijn goddelijke hartstocht.
»De Heilige Geest is mijn Vertrooster. Hij leidt mijn
schreden, de hele weg.
»Denk daar goed aan. -Jij bent van God..., en God
is van jou.»5
39.2 Het goddelijk leven -tot deelname waaraan wij zijn geroepen- is allervruchtbaarst. Van eeuwigheid uit
verwekt de Vader de Zoon, en de Heilige Geest komt voort uit de Vader en de
Zoon. Deze verwekking van de Zoon en de uitademing van de Heilige Geest is niet
iets dat op een bepaald moment geschiedde, met als duurzame vrucht de drie
goddelijke Personen: dit voortkomen (door de theologen 'processiones' genoemd)
is eeuwig.
Bij de menselijke voortplanting verwekt een
vader een zoon, maar deze vader en zoon gaan na de eigenlijke daad van verwekking verder, ook als een van beiden zou sterven.
De man die vader is, is niet alleen 'vader': voor en na de verwekking is hij
'man'. Het wezen van God de Vader is echter
gelegen in het feit, dat heel zijn wezen bestaat in het schenken van het
leven aan de Zoon. Dàt bepaalt Hem als goddelijke Persoon, verschillend van de
andere. In het natuurlijke leven heeft de
zoon die verwekt wordt een andere werkelijkheid. Maar het wezen van de
Eniggeborene van God is juist het Zoon zijn.6 En
het is door Hem, door op Hem te gaan lijken, door een voortdurende impuls van
de Heilige Geest, hoe wij het goddelijk kindschap bereiken en erin groeien. Allen die zich laten leiden door de
Geest van God, zijn kinderen van God. De geest die gij ontvangen hebt, is er
niet een van slaafsheid, die u opnieuw vrees zou aanjagen. Gij hebt een geest
van kindschap ontvangen, die ons doet
uitroepen: Abba, Vader! De Geest zelf bevestigt het getuigenis van onze
geest, dat wij kinderen zijn van God. Maar als wij kinderen zijn, dan ook
erfgenamen, en wel erfgenamen van God, tezamen met Christus.7
Het menselijk vader- en kindschap zijn iets dat
met de mens gebeurt, maar die niet geheel
zijn wezen uitdrukt. In God vormen
vaderschap, kindschap en 'uitademing' heel het wezen van de Vader, van de Zoon en van de Heilige Geest.8
Sinds de mens
geroepen is deel te hebben aan hetzelfde goddelijke leven door de genade die hij in het
doopsel heeft ontvangen, is hij ertoe
bestemd steeds meer in dit Leven te delen.
Het is een weg die men voortdurend moet bewandelen. Van de Heilige
Geest ontvangen we aanhoudende impulsen, innerlijke bewegingen, licht,
ingevingen om sneller voort te gaan op deze weg die naar God leidt, om telkens
dichter bij de Heer te komen. «Het hart heeft dan behoefte aan het
onderscheiden en aanbidden van ieder van de
drie goddelijke Personen afzonderlijk. Het is op een bepaalde manier een
ontdekking die de ziel doet in het bovennatuurlijk leven, zoals een pasgeboren
kind dat de ogen opent voor het leven. En de ziel onderhoudt zich liefdevol met
de Vader en met de Zoon en met de Heilige Geest.
En zij onderwerpt zich gemakkelijk aan de werking van de levendmakende
Parakleet, die zich, zonder dat wij het verdienen, aan ons overlevert: zijn
gaven en de bovennatuurlijke deugden.
»Gelijk
het hert dat reikt naar waar het water stroomt (Ps 41,2) zijn wij toegesneld;
dorstig, met een mond die schreeuwt om
water, droog en gevoelloos. Wij willen drinken uit deze bron met levend
water. Deze bron droogt nooit op. Gedurende de dag vermeien wij ons in de
frisse en overvloedige waterstromen die
opborrelen ten eeuwigen leven (vgl. Joh 4,14). Woorden schieten te kort,
omdat dit niet in taal uitgedrukt kan worden; het verstand komt tot rust. Het
redeneren verstomt, het aanschouwen begint. En de ziel barst opnieuw uit in
zingen en heft een nieuw gezang aan, want zij voelt en weet, dat God haar met
verliefde blik beziet, elk uur van de dag.»9
39.3 De Heilige Drieëenheid woont in onze ziel als in een tempel. De
apostel Paulus maakt ons bekend, dat Gods liefde in ons hart
is uitgestort door de Heilige Geest die ons werd geschonken.10 En daar, in het binnenste van de
ziel, moeten we eraan gewend raken om te gaan met God de Vader, God de Zoon en
God de Heilige Geest. «O, eeuwige en drieëne
God, zee zonder bodem! Hoe meer ik onderduik in U, hoe meer ik U vind.
Hoe meer ik U vind, hoe meer ik U zoek»11 zeggen
wij in het binnenste van onze ziel.
«O, mijn God,
Allerheiligste Drieëenheid. Haal uit mijn armzalig wezen
het hoogste voordeel voor uw heerlijkheid en maak van mij hetgeen Gij wenst, nu
en in eeuwigheid. Moge ik nooit meer opzettelijk de geringste hindernis opwerpen
voor uw handelen dat ons tot andere mensen omvormt [...]. Elke seconde zou ik U,
met altijd hernieuwde intentie, alles willen
aanbieden wat ik ben en bezit; dat mijn armzalige leven, in innige
eenheid met het mensgeworden Woord een
onophoudelijk offer van lof en verheerlijking van de Allerheiligste Drieëenheid
zou mogen zijn [...].
»O, mijn God, hoezeer zou ik U willen
verheerlijken! O, als het in ruil voor mijn
volledige opoffering of op welke andere
voorwaarde ook, in mijn vermogen lag het hart van al uw schepselen en de gehele schepping te doen
ontbranden in de vlammen van uw liefde, wat zou ik dat graag van harte
doen! Moge tenminste mijn armzalig hart U geheel toebehoren, dat ik niets voor
mij zelf of de schepselen behoud, niet één van zijn kloppingen. Moge ik al
mijn broeders oneindig beminnen, maar alleen met U, door U en voor U [...].
Vooral zou ik U willen beminnen met het hart van de heilige Jozef, met het
onbevlekt hart van Maria, met het aanbiddelijke hart van Jezus. Gaarne zou ik
tenslotte in die oneindige oceaan duiken, in die afgrond van vuur die de Vader
en de Zoon in de eenheid van de Heilige Geest verteert, en U beminnen met uw
eigen oneindige liefde [...].
»Eeuwige Vader, begin en einde van alle dingen!
Door het Onbevlekt Hart van Maria bied ik U Jezus aan, uw mensgeworden Woord,
en door Hem, met Hem en in Hem wil ik onophoudelijk
deze kreet die uit het diepst van mijn ziel komt, tot U richten: Vader, verheerlijk voortdurend uw Zoon,
opdat de Zoon U verheerlijke, in de eenheid van de Heilige Geest,
door de eeuwen der eeuwen (Joh 17,1).
»O, Jezus die
gezegd hebt: Niemand kent de Zoon
tenzij
de Vader, en niemand kent de Vader tenzij de Zoon en hij aan wie de Zoon het
wil openbaren (Mt 11,27): 'Toon ons de Vader, dat is
ons genoeg!' (Joh 14,8).
»En Gij, o Geest van liefde, leer ons alles (Joh 14,26) en doe ons met
Maria de gestalte van Jezus aannemen (Gal 4,19), totdat wij volmaakt één zijn (Joh 17,23) in de schoot des Vaders (Joh
1,18). Amen.»12
-1. Trisagium
angelicum. -2. Eerste
lezing (Cyclus B) Dt 4,39. -3. Mt 11,27. -4. Evangelie van de mis (Cyclus C) Joh 16,12-15. -5. H. Jozefmaria Escrivá, De Smidse, 2. -6. Vgl. J.M. Pero-Sanz, El Símbolo atanasiano, Palabra, Madrid 1976, bl. 51. -7. Tweede
lezing (Cyclus C) Rom 8,14-17. -8. Un cartujo, La Trinidad y la vida interior, Rialp, Madrid 1958, 2e ed., bl. 45-47. -9. H. Jozefmaria Escrivá, Vrienden
van God, 306-307. -10. Tweede
lezing (Cyclus C) Rom 5,5. -11. H. Catharina van Siëna, Dialoog,167 [Vert. Katholiek Gebedenboek]. -12. Elisabeth van de Drieëenheid, Gebed.