18 december
23. DE heilige MAAGd. ONZE ZUIVERHEID
-Maagdelijkheid,
apostolisch celibaat en huwelijk. -De heilige zuiverheid in en buiten het
huwelijk. De vruchten van deze deugd. Zuiverheid, een voorwaarde voor de
liefde. -Middelen om deze deugd te beleven.
23.1 De
maagdelijkheid van Maria is een voorrecht dat op intieme wijze verbonden is met
het feit dat zij de moeder van God is. Deze maagdelijkheid is in volmaakte
overeenstemming met haar Onbevlekte Ontvangenis en haar roemrijke
Tenhemelopneming. Maria is Koningin van de maagden: «de waardigheid van de
maagdelijkheid vindt haar oorsprong in Maria.»1 De heilige Maagd is het volmaaktste voorbeeld voor
ieder leven dat volkomen aan God gewijd is.
Het afzien van menselijke
liefde omwille van God is een genade van God die een mens aanzet en bezielt
zich met lichaam en ziel aan God over te leveren, met alle mogelijkheden die
zijn hart bezit. God is dan de unieke bestemming van deze liefde die met geen
ander gedeeld wordt. In Hem vindt het hart zijn volheid en volmaaktheid, zonder
tussenkomst van een aardse liefde.
De roeping tot het
apostolisch celibaat -omwille van het rijk der hemelen2- is een genade
van God bij uitstek en een van de grootste geschenken aan zijn Kerk. «De
maagdelijkheid -zegt paus Johannes Paulus ii- houdt in de Kerk het bewustzijn levend van het mysterie
van het huwelijk en verdedigt dit tegen elke beperking of verarming. Door het
hart van de mens op bijzondere wijze vrij te maken (vgl. 1 Kor 7,32) [...]
getuigt de maagdelijkheid dat het koninkrijk van God en zijn gerechtigheid de
kostbare parel zijn die de voorkeur moet hebben boven welke andere waarde ook,
zelfs al zou die groot zijn; sterker nog, deze moet gezocht worden als de enige
uiteindelijke waarde. Daarom heeft de Kerk gedurende haar hele bestaan altijd
de grotere verhevenheid van dit charisma in verhouding tot het huwelijk
verdedigd, vanwege de exclusieve band met het rijk van God. Ook al wordt
afstand gedaan van de lichamelijke vruchtbaarheid, toch wordt de maagdelijke
persoon vruchtbaar naar de geest, vader en moeder van velen, door te helpen bij
het verwerkelijken van de familie volgens Gods heilsplan.»3
Wie door een specifieke
goddelijke roeping uitverkoren is afstand te doen van de menselijke liefde,
vraagt de Heer alle genegenheid van hun hart. Zij zullen in Hem de volheid van
de liefde en het liefdeleven vinden. De maagdelijkheid of het apostolisch
celibaat beleven staat gelijk met het beleven van de volmaaktheid van de
liefde, en «het geeft de ziel, het hart en het uitwendig leven van wie zich
daaraan toewijdt, die vrijheid die de apostel zo nodig heeft om andere zielen
rijkelijk wel te doen. Deze deugd die mensen geestelijk en sterk, vrij en
behendig maakt, gewent hen er tegelijkertijd aan rond zich de zielen en niet de
lichamen te zien, zielen die wachten op het licht van hun woord en hun gebed
en de liefde van hun tijd en genegenheid.
»Wij moeten het celibaat
en de volmaakte kuisheid liefhebben, omdat zij concrete en tastbare bewijzen
zijn van onze liefde tot God en tegelijkertijd bronnen die ons doen groeien in
diezelfde liefde.»4 «De
maagdelijkheid en het apostolisch celibaat zijn niet alleen niet in tegenspraak
met het huwelijk, maar zij veronderstellen en bevestigen het.»5 De Kerk heeft
altijd mensen nodig die hun hart ongedeeld overleveren aan de Heer als levende,
heilige offergave die God kan aanvaarden.6 De Kerk heeft ook heilige gezinnen
nodig, katholieke huisgezinnen die het ware gist van de Heer zijn en de Heer
veel roepingen tot volledige overgave aan God schenken.
23.2 Voor
ongehuwden of gehuwden, de Maagdelijkheid van Maria is altijd een aansporing om
de heilige zuiverheid fijngevoelig te beleven, wat onmisbaar is om God te
beschouwen en onze broeders en zusters de mensen te dienen. Deze deugd komt
misschien frontaal in botsing met onze omgeving en zal door velen niet begrepen
worden, die verblind zijn door materialisme. Deze deugd zal zelfs vol afgunst
bestreden worden. Niettemin hebben wij deze deugd nodig, ook om een beetje
menselijker te zijn en naar God te kunnen kijken. Deze deugd is onontbeerlijk
voor het beschouwende leven.
De Heilige Geest is op
bijzondere wijze werkzaam in het hart dat fijnzinnig de kuisheid beleeft. De
heilige zuiverheid brengt in de ziel veel vruchten voort: zij vergroot het hart
en vergemakkelijkt een normale ontwikkeling van de genegenheid; zij verschaft
een intieme en diepe blijdschap ook te midden van tegenspoed; zij maakt het apostolaat
mogelijk; zij sterkt het karakter tegen moeilijkheden; zij maakt ons
menselijker, met de capaciteit te luisteren en zich in te leven in de problemen
van anderen.
Onzuiverheid brengt
ongevoeligheid van het hart en egoïsme teweeg. Wellust belet iemand lief te
hebben en schept in de mens het klimaat dat geschikt is om in de ziel alle
ondeugden en ontrouw als onkruid te doen opschieten. «Let er eens op dat wie
verteerd wordt door fysieke wellust, geestelijk niet vooruit kan komen. Hij is
tot geen enkel goed werk in staat. Hij is een verlamde die als een vod op de
grond blijft liggen. Hebt u wel eens patiënten gezien met een vergevorderde
verlamming die zichzelf niet kunnen helpen of op de been kunnen komen? Soms
kunnen ze zelfs hun hoofd niet bewegen. Dat gebeurt ook in het bovennatuurlijke
vlak met mensen die niet nederig zijn en zich lafhartig overgeven aan ontucht.
Zij zien, horen, noch begrijpen iets. Zij zijn verlamd en als verdwaasd. Ieder
van ons moet de Heer en de moeder van God aanroepen en vragen ons nederigheid
te verlenen en het vaste voornemen met vroomheid het goddelijk geneesmiddel van
de biecht aan te wenden.»7
Vragen we de Heer in ons
gebed van vandaag, dat hij medelijden met ons heeft en dat Hij ons helpt
fijngevoeliger te zijn jegens Hem: «Jezus,
waak over ons hart, een groot en sterk en teder en toegenegen en fijnzinnig
hart, een hart dat overvloeit voor U, voor de dienst aan alle zielen.»8
23.3 Deze
dag kunnen we de heilige Maagd de overgave van ons hart offeren en een
fijngevoeliger strijd voor deze deugd van heilige zuiverheid, die haar zo
bijzonder dierbaar is en die zoveel vrucht voortbrengt in ons inwendig leven en
in het apostolaat. De Kerk heeft altijd geleerd, dat deze deugd, met behulp van
de genade en in dit bijzondere geval met name met de hulp van de sacramenten
van de eucharistie en de biecht, in alle ogenblikken en omstandigheden van het
leven beleefd kan worden, mits de juiste middelen worden toegepast. «Wat wilt
gij dat wij doen? De bergen intrekken en monnik worden? -vraagt de heilige
Johannes Chrysostomus zich af; en hij antwoordt- Dat wat jij zegt, doet me in
tranen uitbarsten: dat je denkt dat matigheid en kuisheid alleen de monniken
eigen is. Neen. Christus legt zijn algemene wetten aan iedereen op. Bij
voorbeeld toen Hij zei: Wie zijn blik op een vrouw laat vallen om haar te
begeren (Mt 5,28), had Hij het niet over monniken, maar over de man uit de
straat.»9
De heilige zuiverheid
vereist een dagelijkse verovering, want zij laat zich niet in één keer voor
altijd veroveren. En er kunnen tijden zijn waarin de strijd intenser is en er
vaker een beroep gedaan moet worden op de allerheiligste Maagd en er,
misschien, een buitengewoon hulpmiddel aangewend moet worden. Om deze deugd te
verwerven hebben we allereerst behoefte aan nederigheid die duidelijk en
onmiddellijk blijkt uit de oprechtheid bij de geestelijke leiding. Diezelfde
oprechtheid leidt tot nederigheid. «Denk nog eens aan die arme bezetene, die
door de leerlingen niet bevrijd kon worden. Alleen de Heer wist diens vrijheid
te bewerkstelligen, met gebed en vasten. Bij die gelegenheid verricht de
Meester drie wonderen. Het eerste: dat de man luisterde, want als de stomme
duivel ons beheerst, weigert de ziel te luisteren. Het tweede was, dat hij
sprak. En het derde, dat de duivel verjaagd werd.»10
Andere hulpmiddelen om die
deugd te onderhouden zijn de kleine gebruikelijke verstervingen die het
vergemakkelijken het lichaam in de juiste proporties onder de duim te houden.
«Als wij de schoonste van alle deugden, de kuisheid, willen bewaren, moeten wij
weten, dat zij is als een roos die alleen tussen doornen bloeit. Daarom zullen
we haar, net als de andere deugden, alleen aantreffen in een verstorven mens.»11 «Onderhoud de
kuisheid met zorg, en ook die andere deugden die haar geleide zijn -ingetogenheid
en schaamte- die als haar lijfwacht optreden. Ga bovendien niet lichtzinnig
voorbij aan de normen die zo goed helpen de blik van God waardig te blijven:
het actief in toom houden van harten en zinnen; moed -de moed om 'laf' te zijn-
om de gelegenheid tot zonde te ontvluchten; het veelvuldig naderen tot de
sacramenten, in het bijzonder tot het sacrament van de biecht; volstrekte
openhartigheid in de persoonlijke geestelijke leiding; spijt, berouw en het
herstellen van fouten. En dat alles gezalfd met een tedere devotie tot Onze
Lieve Vrouw, opdat zij voor ons bij God het geschenk van een heilig en rein
leven verkrijgt.»12
Wij vervoeren deze grote
schat, de zuiverheid, in aarden kruiken, onveilig en breekbaar; maar we beschikken
over alle wapens om te overwinnen, zodat, na verloop van tijd, deze deugd zal
winnen aan oplettendheid, dat wil zeggen meer tederheid in de omgang met de
Heer. «Wij komen nu aan het eind van deze ogenblikken van gesprek waarin u en
ik ons gebed gericht hebben tot God onze Vader, Hem vragend ons de genade te
verlenen te leven in de vreugdevolle beoefening van de deugd van de kuisheid.
Wij vragen het Hem met de tussenkomst van de heilige maagd Maria, die de
onbevlekte zuiverheid is. Nemen wij onze toevlucht tot haar -tota pulchra,
geheel schoon- met een raad die ik gaf, nu heel wat jaren geleden, aan hen
die zich onrustig voelden in hun dagelijkse strijd om nederig, rein, oprecht,
blij, edelmoedig te zijn. -Alle zonden van je leven lijken zich weer te roeren.
Verlies het vertrouwen niet. Integendeel: roep je heilige Moeder Maria aan met
het geloof en de overgave van een kind. Zij zal vrede geven aan je ziel.»13
-1. H. Augustinus, Sermo 51. -2. Mt
19,14. -3. Johannes Paulus ii,
Apost. exhort. Familiaris consortio, 16. -4. S. Canals, Ascética meditada, bl. 93. -5. Johannes Paulus ii, o.c.,
16. -6. Rom 12,1. -7. H.
Jozefmaria Escrivá, Vrienden van God, 181. -8. Ibidem,
177. -9. H. Johannes Chrysostomus,
Homilieën over Matteüs, 7,7. -10.
H. Jozefmaria Escrivá, o.c., 188. -11. H. Jean-Baptiste Marie Vianney, Preek over de biecht.
-12. H. Jozefmaria Escrivá, o.c.,
185. -13. Ibidem, 189.
|