Tweede week. Maandag
10. De heiligheid van de Kerk
-De Kerk is heilig en brengt vruchten van
heiligheid voort. -De heiligheid van de Kerk en zondige leden. -Goede zonen en
dochters van de Kerk zijn.
10.1 Het Oude Testament kondigt op talloze, onderscheiden wijzen aan, alwat
in het Nieuwe Testament plaats zal vinden. Het Nieuwe Testament is de volheid
en vervulling van het Oude Testament, dat de voorafbeelding daarvan is.
Christus laat ons het contrast zien tussen de geest die Hij brengt en die van
het jodendom uit zijn tijd. Deze nieuwe geest zal niet zoiets zijn als een aan
het oude toegevoegd stukje, maar een volledig en definitief begin dat in de plaats
komt van de voorlopige en onvolkomen werkelijkheid van de oude Openbaring. Het
nieuwe van de boodschap van Christus, de volheid daarvan, past -net zoals
nieuwe wijn- niet meer in het raam van de Oude Wet. Niemand doet jonge wijn in oude zakken... 1
Jezus' toehoorders begrijpen zeer goed de
beelden die de Heer gebruikt om over het Koninkrijk der hemelen te spreken.
Niemand moet de fout begaan een oud kledingstuk te herstellen met een stukje
nieuwe stof, omdat het nieuwe stuk zal krimpen zo gauw het nat wordt, waardoor
het oude en versleten kledingstuk nog meer zal scheuren en beide delen niet
meer samen bruikbaar zullen zijn.
De Kerk is het nieuwe kledingstuk, zonder
scheuren. Zij is de nieuwe kruik, voorbereid op het ontvangen van de geest van
Christus. Zij zal edelmoedig de boodschap en de zaligmakende kracht van de Heer
verbreiden tot in de uithoeken van de wereld, zolang er mensen op aarde zullen
zijn.
Met de Hemelvaart van de Heer wordt een fase
van de Openbaring afgesloten, en met Pinksteren begint de tijd van de Kerk2, het Mystieke
Lichaam van Christus, die het heilswerk van Jezus voortzet, vooral door de
sacramenten. Zij verkrijgt voor ons overvloedige genade door bemiddeling van
Christus, eveneens in de sacramenten en de uiterlijke riten die zij zelf heeft
ingesteld: zegeningen, wijwater... Haar leer verlicht ons verstand, doet ons de
Heer kennen en stelt ons in staat met Hem om te gaan en Hem lief te hebben.
Daarom heeft
onze Moeder de Kerk nooit geschipperd ten aanzien van dwalingen in de geloofsleer,
wanneer de waarheid verkort of vervormd werd. Zij heeft altijd gewaakt over de
volledige zuiverheid van het geloof, en dàt geloof heeft ze overal op de wereld
onderricht. Dankzij haar onfeilbare trouw, met de hulp van de Heilige Geest,
zijn wij in staat de leer van Jezus Christus te kennen, in haar juiste
betekenis, zonder enige wijziging of afwijking. Vanaf de dag van Pinksteren tot
op heden, horen we onafgebroken de stem van Christus.
Zo brengt iedere goede boom
goede vruchten voort3, en de Kerk brengt vruchten van heiligheid voort.4 Sinds de eerste
christenen, die zich onder elkaar 'heiligen' noemden, tot in onze tijd hebben
heiligen van alle leeftijden, rassen en standen een grote uitstraling gehad.
Heiligheid bestaat in het algemeen niet in opvallende dingen, zij maakt geen
lawaai, ze is bovennatuurlijk; maar zij is wel onmiddellijk kenbaar, omdat de
liefde -de essentie van heiligheid- zich naar buiten toe openbaart: in het
beleven van alle deugden, in de manier waarop men zijn werk doet, in de apostolische
ijver... «Ziet hoe ze elkaar liefhebben», werd van de eerste christenen gezegd.5 De inwoners van
Jeruzalem keken met grote bewondering en respect naar hen, omdat ze de tekenen
van de werkzaamheid van de Heilige Geest in hen bespeurden.6
Vandaag, in deze tijd van gebed en ook in de
loop van de dag, mogen we God danken voor al het goede dat we van Hem ontvangen
hebben door onze Moeder de Kerk. Het zijn onbetaalbare gaven. Hoe zou ons leven
eruit zien zonder die middelen tot heiliging, de sacramenten? Hoe zouden we dan
de woorden van Jezus -woorden van
eeuwig leven!- kunnen leren kennen? En hoe zijn
onderricht, als dit niet zo trouw voor ons bewaard was?
10.2 Vanaf het ogenblik van haar stichting heeft God in zijn Kerk een heilig volk gehad, vol ijver voor alle goeds.7 Men mag gerust stellen, dat «de Kerk van God, te allen tijde, door
onophoudelijk geestelijk voedsel aan de mensen te geven, nieuwe generaties van
heilige mannen en vrouwen voortbrengt en voor Christus vormt.»8 Heiligheid van
haar hoofd, Christus, en ook heiligheid in vele van haar leden. Heiligheid door
de voorbeeldige beoefening van de menselijke en bovennatuurlijke deugden.
Heldhaftige heiligheid, van mensen die «van vlees zijn, maar niet
overeenkomstig het vlees leven. Ze leven op aarde maar hun vaderland is de
hemel [...]. Zij houden van de anderen en die anderen vervolgen hen [...]. Zij
worden beschimpt en ze zegenen hen. Zij lijden onder laster en ze bewijzen eer
aan hun lasteraars [...]. Hun houding [...] is een openbaring van de macht van
God.»9
Ontelbaar is het aantal gelovigen die hun geloof heldhaftig beleefd hebben. Ze
zijn allen in de hemel, hoewel de Kerk slechts enkele van hen heilig verklaard
heeft. Eveneens ontelbaar zijn hier op aarde de huismoeders die, vol geloof,
hun kinderen grootbrengen, edelmoedig, zonder aan zichzelf te denken; of de
werkers, in alle mogelijke beroepen die hun werk heiligen; ontelbaar de
studenten die een effectief apostolaat doen en vreugdevol tegen de stroom in
weten te gaan; en de vele zieken die, met vreugde en vrede, hun leven thuis of
in het ziekenhuis opdragen voor hun broeders en zusters in het geloof.
De heiligheid die de Kerk uitstraalt, wordt
soms verduisterd door de persoonlijke zonden van de mensen die de Kerk vormen.
Van de andere kant echter dragen diezelfde ontrouw en zwakheden ertoe bij om,
als contrast, net zoals de schaduwpartijen op een schilderij het licht en de
kleuren doen uitkomen, de heiligende aanwezigheid te tonen van de Heilige
Geest, die de Kerk zuiver houdt temidden van al die zwakheden.
Niemand doet nieuwe wijn in
oude zakken: de goddelijke likeur van het
onderricht van Christus, van het leven dat Hij ons schonk toen Hij ons tot de
Kerk bracht, moet in onze ziel bewaard blijven, die als een kruik is die
waardig moet zijn, maar die ook breekbaar is en mankementen kan hebben. In
geloof en liefde kunnen we begrijpen, dat de Kerk heilig is terwijl haar leden
gebreken hebben, zondaars zijn. In haar worden «goeden en slechten verenigd.
Zij bestaat uit een grote verscheidenheid van kinderen, omdat zij allen
voortbrengt in het geloof, maar zodanig dat zij niet allen, door hun schuld,
naar de vrijheid van de genade weet te leiden door middel van de vernieuwing
van hun leven.»10 De Kerk zelf bestaat uit mensen die hun eeuwige bestemming al bereikt
hebben -de heiligen in de hemel-, uit anderen die gereinigd worden in
afwachting van hun definitieve beloning, en uit degenen die hier op aarde
moeten strijden tegen hun gebreken en slechte neigingen om trouw te zijn aan
Christus. Het is niet redelijk -dat gaat tegen geloof en rechtvaardigheid in-
om de Kerk te beoordelen op het gedrag van enkele leden, die Gods oproep niet
weten te beantwoorden. Dit is een ernstige en onrechtvaardige vertekening die
Christus' overgave vergeet, want Christus
heeft de Kerk liefgehad: Hij heeft zich voor haar overgeleverd om haar te
heiligen, haar reinigend door het waterbad en met het woord. Hij heeft de Kerk
tot zich gevoerd als een heerlijke bruid, zonder vlek of rimpel of fout, heilig
en onbesmet.11 Laten we Onze Lieve Vrouw niet vergeten,
evenmin als de heilige Jozef en de talloze martelaren en heiligen. Laten we
steeds de heiligheid van de leer, van de eredienst, de sacramenten en de moraal
van de Kerk voor ogen houden. Laten wij vaak aan de christelijke deugden en de
werken van barmhartigheid denken die het leven van zo menig christen sieren en
zullen blijven sieren. Dit zal ons ertoe brengen ons altijd als goede kinderen
van de Kerk te gedragen, meer en meer van haar te houden en te bidden voor onze
broeders en zusters die dit het meest nodig hebben.
10.3 De Kerk blijft altijd heilig ondanks de fouten van haar kinderen. Hun
fouten zijn altijd strikt persoonlijk, ook al oefenen deze een grote invloed
uit op de rest van hun broeders en zusters. Daarom zal een goede zoon van de Kerk niet
toestaan, dat zijn Moeder beledigd wordt of dat haar gebreken worden
aangewreven die ze niet heeft. Hij zal niet toestaan dat men haar bekritiseert
of slecht behandelt.
Anderzijds is het ook waar, dat zelfs in die
periodes waarin haar ware gezicht bedekt is door de ontrouw van velen die trouw
hadden moeten blijven, en er slechts levens van uiterst geringe godsvrucht
lijken te zijn, dat er ook in zulke tijden -misschien verborgen voor de blik
van de mensen- heilige en heldhaftige zielen bestaan. Zelfs in periodes die het
sterkst verduisterd zijn door materialisme, zinnelijkheid en zucht naar
welvaart, zijn er trouwe mannen en vrouwen, die midden in hun dagelijkse
bezigheden Gods vreugde in de wereld zijn.
De Kerk is een Moeder: haar zending is «het
voortbrengen van kinderen, hen opvoeden en leiding geven; hen omringen met
moederlijke zorg, zowel voor ieder individueel als voor hele volken.»12 Zij, heilig en
Moeder van ons allen13, schenkt ons alle middelen om heilig te worden. Niemand kan een goed
kind van God worden zonder liefdevol en vroom deze genademiddelen te benutten,
omdat «niemand God als Vader kan hebben, als hij de Kerk niet als moeder
heeft.»14 Zo kunnen we dus geen grote liefde voor God hebben zonder een grote
liefde voor de Kerk.
Zoals onze liefde voor God ontspringt uit de
liefde die Hij voor ons heeft -niet
wij hebben God liefgehad, maar Hij heeft ons liefgehad15-, zo moet de
liefde voor de Kerk voortkomen uit onze dankbaarheid voor de middelen die zij
ons geeft om heilig te worden. We zijn haar dankbaarheid verschuldigd voor het
priesterschap, voor alle sacramenten -vooral voor de heilige eucharistie-, voor
de liturgie, voor de geloofsschat die zij door de eeuwen heen trouw bewaard
heeft... We kijken naar haar met ogen van liefde en geloof. We zien dat ze heilig
is, allerzuiverst, ongekreukt.
Als de Kerk, door de wil van Jezus Christus,
onze Moeder is -een goede Moeder-, dan moeten wij de houding van goede
kinderen aannemen. We mogen niet toelaten, dat zij behandeld wordt alsof zij
louter een gemeenschap van mensen is, waarbij het diepe mysterie dat in haar
verborgen ligt, vergeten wordt. Laten we nooit luisteren naar kritiek op
priesters, bischoppen... En als we gebreken en fouten zien bij mensen die
wellicht nog voorbeeldiger moesten zijn, laten we hen dan verontschuldigen en, andere, positieve aspecten
van deze personen naar voren brengen, laten we voor hen bidden... en hen,
zo nodig en zo mogelijk, helpen met een broederlijke vermaning. 'Liefde wordt
met liefde beantwoord', een liefde die zich uit in daden, die duidelijk te zien
moeten zijn voor hen die ons kennen en met ons omgaan.
We besluiten ons gebed door de hulp in te
roepen van Maria, Mater Ecclesiae, Moeder van de Kerk. Moge zij ons leren elke dag meer en meer van de
Kerk te houden.
-1. Mc 2,22. -2. Vgl. Vaticanum ii, Dogm.
const. Lumen gentium, 4. -3. Mt 7,17. -4. Vgl. Romeinse
Catechismus, 1,10,15. -5. Tertullianus, Apologeticum, 39,7. -6.
Vgl. Hnd
2,33. -7. Tit 2,14. -8. Pius xi, Enc. Quas primas, 4. -9. Brief aan Diognetes, 5,6,16; 7,9. -10. H. Gregorius de
Grote, Homilie,
38,7. -11. Ef
5,25-27. -12. Johannes xxiii,
Enc. Mater et Magistra, Introductie. -13. Vgl. H.
Cyrillus van Jeruzalem, Catecheses, 18,26. -14. H. Cyprianus, Over de eenheid in de Kerk, 6. -15. 1 Joh 4,10.
|