De Boog
... voor eenheid in geloof en leven

ZOEK   EEN BOEK  
 
e-mailadres: 
Klant:   
Registreer Klantnummer vergeten?
Kort Bestek
Andere pockets
Arco Reeks
Van Jozefmaria Escriva
Spreken met God
Over Jozefmaria Escriva
Voor kinderen
Jade Reeks
Theologie Atrium
Theologie andere boeken
DVD
Navarre bible NT
Navarre bible OT
Gezin
Medische Ethiek

Francisco en Jacinta van Fatima
Over 2 Portugese kinderen aan wie Onze Lieve Vrouw in 1917 in Fatima verscheen. Meer ...

Home >  De hoop op de hemel

Zesde zondag van Pasen

36. DE HOOP OP DE HEMEL

-Wij zijn geschapen voor de hemel. Deze hoop koesteren. -Wat God over het eeuwige leven heeft geopenbaard. -De opstanding van het lichaam. Denken aan de hemel leidt tot een vastbesloten en opgewekte strijd om hem te bereiken.

36.1 In die veertig dagen tussen Pasen en Hemelvaart vraagt de Kerk ons, onze ogen gericht te houden op de hemel, onze uiteindelijke verblijfplaats, die de Heer voor ons heeft bestemd. Deze uitnodiging wordt des te dringender naarmate de dag nadert, waarop Jezus opstijgt naar de rechterhand van de Vader.

Onze Heer beloofde zijn leerlingen, dat Hij al spoedig voor eeuwig bij hen zou zijn. Nog een korte tijd en de wereld ziet Mij niet meer; gij echter zult Mij zien.1 Onze Heer heeft zijn belofte gehouden en blijft ook in die periode dicht bij degenen die Hij liefheeft. Maar deze tegenwoordigheid wordt niet onderbroken wanneer Hij met zijn verheerlijkte lichaam naar de Vader gaat, want door zijn lijden en dood heeft Hij voor ons een plaats bereid in het Huis van zijn Vader, waar ruimte is voor velen.2 Ik kom terug, zegt Hij hen, om u op te nemen bij Mij, opdat ook gij zult zijn waar Ik ben.3

De apostelen, die bedroefd waren door de voorspelling van Petrus' verloochening, worden getroost door de hoop op de hemel. De wederkomst, waar de Heer naar verwijst, wijst ook naar zijn tweede komst aan het eind van de wereld4, en ook naar de ontmoeting in het uur van sterven. Onze dood is niet minder dan de ontmoeting met Christus, die wij probeerden te dienen gedurende ons leven. Hij zal ons tot de volheid der glorie voeren, dit is de ontmoeting met zijn hemelse Vader, die ook onze Vader is. Daar in de hemel, waar een plaats voor ons is bereid, wacht Jezus op ons, dezelfde Jezus die bij ons is, die op ons wacht in het gebed en met wie wij vaak intiem en vertrouwelijk hebben gesproken.

Uit deze geregelde gesprekken met onze Heer is het verlangen gegroeid om met Hem te zijn. Geloof verzacht veel van de bitterheid van de dood. Onze liefde voor Jezus geeft een totaal andere betekenis aan dat laatste moment dat een ieder te wachten staat. «Mensen die elkaar liefhebben, doen moeite om elkaar te ontmoeten. Geliefden hebben alleen maar oog voor hun liefde. Is het niet vanzelfsprekend, dat het zo is? Het menselijk hart verzucht daarnaar. Ik zou onwaarheid spreken als ik zei, dat ik niet geprikkeld word door een sterk verlangen het gelaat van Jezus Christus te aanschouwen. Vultum tuum, Domine, requiram!, uw gelaat, Heer, zal ik zoeken.»5

De gedachte aan de hemel helpt ons om onthecht te raken van de dingen der wereld en om moeilijke situaties het hoofd te bieden. Wij verheugen God, als wij de goddelijke deugd van hoop koesteren, die één is met de deugden van geloof en liefde. Er komen tijden dat we haar erg nodig zullen hebben. «Denk op het moment van de verleiding aan de Liefde die je in de hemel wacht: voed de deugd van de hoop. Dit is geen gebrek aan onbaatzuchtigheid.»6 Zo zal het ook zijn in tijden van groot verdriet en beproeving en als we het erg moeilijk vinden om trouw en volhardend te zijn in ons werk of apostolaat. De beloning is groot en ligt voor het grijpen.

Het overdenken van onze bestemming, de hemel, spoort ons aan om sterk te zijn in onze dagelijkse strijd, «want hoop op beloning troost de ziel en spoort haar aan tot het doen van goede werken.»7

De gedachte aan deze uiteindelijke ontmoeting met de Liefde, waartoe wij geroepen zijn, zal ons helpen om waakzaam te blijven in het grote en in het kleine, en steeds te bedenken dat het werk dat we nu verrichten, misschien het laatste is voordat wij onze hemelse Vader zullen ontmoeten.

36.2 Woorden zijn geheel ontoereikend om het hemelse leven, het leven dat God zijn kinderen heeft toegezegd, te beschrijven. De Kerk herinnert ons eraan, dat «wij met Christus zullen zijn en wij God zullen zien (vgl. 1 Joh 3,2), en onze vurige hoop is gericht op deze mysterievolle belofte. Ons voorstellingsvermogen is niet in staat om hierin door te dringen, maar ons hart voelt dit intuïtief aan.»8

Wat wij nu slechts vermoeden door openbaring, en wij in onze huidige staat amper kunnen bevatten, zal eens blijde werkelijkheid zijn. In het Oude Testament wordt het geluk van de hemel voorgesteld door het verlangen naar het Beloofde Land, dat na een lange, moeilijke weg door de woestijn wordt bereikt. Daar, op onze nieuwe en blijvende rustplaats, staat alles voor ons klaar9; daar zullen al onze inspanningen van onze moeizame tocht door het leven beloond worden.

Onze Heer sprak op vele manieren over de hemelse vreugde die ons wacht, als wij in dit leven God daadwerkelijk liefhebben. Eeuwige blijdschap is één van de waarheden die de Heer met nadruk predikte: Dit is de wil van mijn Vader, dat ieder die de Zoon ziet en in Hem gelooft, eeuwig leven bezit; en Ik zal hem doen opstaan op de laatste dag.10 Later, tijdens het laatste avondmaal, zegt Hij: Vader, Ik wil dat zij, die Gij Mij gegeven hebt, met Mij mogen zijn waar Ik ben, opdat zij de heerlijkheid mogen aanschouwen die Gij Mij gegeven hebt, daar Gij Mij lief hebt gehad vóór de grondvesting van de wereld.11

Eeuwige gelukzaligheid wordt vergeleken met een maaltijd die God voor de mens bereidt; een maaltijd waardoor aan heel het verlangen van het menselijk hart op onvoorstelbare wijze zal worden voldaan.12

De apostelen hebben het vaak over de blijdschap die ons wacht. De heilige Paulus leert dat wij God nu nog in een spiegel, onduidelijk, zien, maar dan van aangezicht tot aangezicht13 en dat de vreugde die wij daar zullen genieten onbeschrijfelijk is.14

Het geluk van het eeuwige leven ligt vóór alles in het directe, onmiddellijke zien van God. Het bevat niet alleen een volmaakte intellectuele kennis van God, maar ook een delen in het leven van de Drieëenheid. God zien is met Hem leven en zich in Hem verheugen. Zo zal, door deze liefdevolle beschouwing van de drie goddelijke Personen een onbegrensde liefde in ons ontstaan. Alle honger van ons arme hart naar geluk en liefde zal oneindige en eeuwige voldoening vinden.

«Laten we proberen ons de hemel voor te stellen. Wat geen oog heeft gezien, geen oor heeft gehoord en wat in geen mensenhart is opgekomen, dat heeft God bereid voor degenen die Hem liefhebben. Kunt ge u voorstellen wat het zeggen wil eenmaal daar aan te komen en God te vinden, al dat schoons te zien, die liefde, die zich uitstort in ons hart, die ons verzadigt zonder ooit te verzadigen? In de loop van de dag kunnen wij ons dikwijls afvragen: wat zal er gebeuren, wanneer heel de schoonheid, heel de goedheid, heel de oneindige luister van God zich zal storten in dat arme stukje klei dat ik ben, dat wij allemaal zijn? En dan versta ik pas goed de woorden van de Apostel: geen oog heeft gezien, geen oor heeft gehoord... Het is echt de moeite waard, mijn kinderen, het is de moeite waard.»15

36.3 Los van de immense vreugde om God te aanschouwen en om te leven met de verrezen, verheerlijkte Christus en Hem te zien, is er ook nog een bijkomstig geluk. Wij zullen genieten van al het geschapen goed waarnaar ons hart verlangt: de gemeenschap met die zaligen, die wij hier beneden het meeste liefhadden, familieleden en vrienden en ook de heerlijkheid van ons lichaam, dat over de dood heen verheerlijkt blijft voortbestaan, binnengeleid in de heerlijkheid van God. De heilige Paulus zegt ons dat dit vergankelijke met onvergankelijkheid moet worden bekleed en dit sterfelijke met onsterfelijkheid.16 Maar ieder als afzonderlijke persoonlijkheid met zijn eigen hoedanigheden. De Katechismus van de Katholieke Kerk leert ons: «De 'verrijzenis van het lichaam' betekent dat er na de dood niet alleen het leven van de onsterfelijke ziel zal zijn, maar dat zelfs ons sterfelijk lichaam (Rom 8,11) weer levend zal worden.»17 De heilige Augustinus zegt duidelijk dat «dit vlees zal verrijzen, hetzelfde dat begraven werd [...] Het vlees dat nu ziek wordt en lijdt, dit zelfde vlees zal verrijzen.»18 Onze persoonlijkheid zal dezelfde blijven, en we zullen ons eigen lichaam weer hebben, maar dan bekleed met heerlijkheid en pracht, mits wij trouw zijn gebleven. Ons lichaam zal de eigenschappen hebben die kenmerkend zijn voor verheerlijkte lichamen: behendig en snel, dat wil zeggen, niet onderworpen aan de beperkingen van tijd en ruimte, waaraan ook een einde komt, onvatbaar voor het lijden -Hij zal alle tranen van hun ogen afwissen, en de dood zal niet meer zijn; geen rouw, geen geween, geen smart zal er zijn19- en ten slotte, gelijkend op de verrezen Heer.

Ik verwacht de opstanding van de doden, zeggen wij in het Credo van de apostelen. Onze hemelse lichamen zullen eigenschappen bezitten die anders zijn als de tegenwoordige, maar lichamen zullen het blijven en ze zullen waarneembaar zijn,20 zoals ook het verheerlijkte lichaam van Christus en Onze Lieve Vrouw. Wij weten niet hoe alles zal worden. De tegenwoordige wereld zal worden getransformeerd: En ik zag een nieuwe hemel en een nieuwe aarde; de eerste hemel en de eerste aarde waren verdwenen... Zie, Ik maak alles nieuw.21 Vele kerkvaders en leraren en ook vele heiligen hebben deze vernieuwing van heel de geschapen orde gezien in verband met de verrijzenis van Jezus.22 

Nu de dag van de hemelvaart van onze Heer nadert, zou de gedachte aan de Hemel ons moeten leiden tot een meer beslissende en moedige strijd om de hindernissen weg te nemen die ons van Christus scheiden. Het zal ons ook helpen om bovenal eerst de goederen te zoeken die eeuwig blijven, in plaats van te hunkeren naar dat wat vergaat.

De gedachte aan de hemel geeft ons grote sereniteit. Niets is hier onherstelbaar, niets is definitief, alles wat fout was kan ongedaan worden gemaakt. De enige definitieve nederlaag zou zijn, dat wij de deur die naar het Leven leidt zouden missen. En vergeten wij niet dat ook Onze Lieve Vrouw daar op ons wacht.

-1. Joh 14,19-20. -2. Vgl. Joh 14,2. -3. Joh 14,3. -4. Vgl. 1 Kor 4,5; 11,26. -5. H. Jozefmaria Escrivá, geciteerd uit Informatiebulletin van de Vicepostulatie van het Opus Dei, nr. 1, bl. 5. -6. H. Jozefmaria Escrivá, De Weg, 139. -7. H. Cyrillus van Jeruzalem, Catechesis, 348,18,1. -8. Congregatie voor de geloofsleer, Brief over enkele vraagstukken inzake Eschatologie, 17 januari 1979. -9. Vgl. Ex 3,17. -10. Joh 6,40. -11. Joh 17,24. -12. Vgl. Lc 13,29; 14,15. -13. 1 Kor 13,12. -14. Vgl. 1 Kor 2,9. -15. H. Jozefmaria Escrivá, geciteerd uit Informatiebulletin van de Vicepostulatie van het Opus Dei, nr. 1, bl. 5. -16. 1 Kor 15,53. -17. Katechismus van de Katholieke Kerk, 990; Vgl. Congregatie voor de geloofsleer, Over de vertaling van 'carnis resurrectionem', 14 december 1983. -18. H. Augustinus, Preek 264, 6. -19. Apok 21,4. -20. Vgl. M. Schmaus, Katholische Dogmatik, 7. -21. Vgl. Apok 21,1 e. v. -22. Vgl. Katechismus van de Katholieke Kerk, 1047.





Nieuwsbrief & e-Book

naam:
e-mail adres:
Meer info ...

Betaal Informatie

iDeal

Klanten service

Bestellen
Per e-mail
Tel. (035) 694 63 50

Adres

Bezoek- en verkoopadres:
Stichting Leesgoed, Keizersgracht 218-B, Amsterdam
Dinsdag t/m donderdag van 10:30 tot 13:15 uur.
Zondag van 12:15 tot 13:15 uur