Zesde zondag van Pasen
36. DE HOOP OP DE HEMEL
-Wij zijn geschapen voor de hemel. Deze hoop koesteren. -Wat
God over het eeuwige leven heeft geopenbaard. -De opstanding van het lichaam.
Denken aan de hemel leidt tot een vastbesloten en opgewekte strijd om hem te
bereiken.
36.1 In die veertig dagen tussen Pasen en
Hemelvaart vraagt de Kerk ons, onze ogen gericht te houden op de hemel, onze
uiteindelijke verblijfplaats, die de Heer voor ons heeft bestemd. Deze uitnodiging
wordt des te dringender naarmate de dag nadert, waarop Jezus opstijgt naar de
rechterhand van de Vader.
Onze Heer beloofde zijn leerlingen, dat Hij al spoedig voor
eeuwig bij hen zou zijn. Nog een korte tijd en de wereld ziet Mij niet meer;
gij echter zult Mij zien.1 Onze Heer heeft zijn belofte gehouden en blijft ook in die
periode dicht bij degenen die Hij liefheeft. Maar deze tegenwoordigheid wordt
niet onderbroken wanneer Hij met zijn verheerlijkte lichaam naar de Vader gaat,
want door zijn lijden en dood heeft Hij voor ons een plaats bereid in het Huis
van zijn Vader, waar ruimte is voor velen.2 Ik kom terug, zegt Hij hen, om
u op te nemen bij Mij, opdat ook gij zult zijn waar Ik ben.3
De apostelen, die bedroefd waren door de voorspelling van
Petrus' verloochening, worden getroost door de hoop op de hemel. De wederkomst,
waar de Heer naar verwijst, wijst ook naar zijn tweede komst aan het eind van
de wereld4,
en ook naar de ontmoeting in het uur van sterven. Onze dood is niet minder dan
de ontmoeting met Christus, die wij probeerden te dienen gedurende ons leven.
Hij zal ons tot de volheid der glorie voeren, dit is de ontmoeting met zijn
hemelse Vader, die ook onze Vader is. Daar in de hemel, waar een plaats voor
ons is bereid, wacht Jezus op ons, dezelfde Jezus die bij ons is, die op ons
wacht in het gebed en met wie wij vaak intiem en vertrouwelijk hebben
gesproken.
Uit deze geregelde gesprekken met onze Heer is het verlangen
gegroeid om met Hem te zijn. Geloof verzacht veel van de bitterheid van de
dood. Onze liefde voor Jezus geeft een totaal andere betekenis aan dat laatste
moment dat een ieder te wachten staat. «Mensen die elkaar liefhebben, doen
moeite om elkaar te ontmoeten. Geliefden hebben alleen maar oog voor hun
liefde. Is het niet vanzelfsprekend, dat het zo is? Het menselijk hart verzucht
daarnaar. Ik zou onwaarheid spreken als ik zei, dat ik niet geprikkeld word
door een sterk verlangen het gelaat van Jezus Christus te aanschouwen. Vultum
tuum, Domine, requiram!, uw gelaat, Heer, zal ik zoeken.»5
De gedachte aan de hemel helpt ons om onthecht te raken van
de dingen der wereld en om moeilijke situaties het hoofd te bieden. Wij
verheugen God, als wij de goddelijke deugd van hoop koesteren, die één is met
de deugden van geloof en liefde. Er komen tijden dat we haar erg nodig zullen
hebben. «Denk op het moment van de verleiding aan de Liefde die je in de hemel
wacht: voed de deugd van de hoop. Dit is geen gebrek aan onbaatzuchtigheid.»6 Zo zal het ook
zijn in tijden van groot verdriet en beproeving en als we het erg moeilijk
vinden om trouw en volhardend te zijn in ons werk of apostolaat. De beloning is
groot en ligt voor het grijpen.
Het overdenken van onze bestemming, de hemel, spoort ons aan
om sterk te zijn in onze dagelijkse strijd, «want hoop op beloning troost de
ziel en spoort haar aan tot het doen van goede werken.»7
De gedachte aan deze uiteindelijke ontmoeting met de Liefde,
waartoe wij geroepen zijn, zal ons helpen om waakzaam te blijven in het grote
en in het kleine, en steeds te bedenken dat het werk dat we nu verrichten,
misschien het laatste is voordat wij onze hemelse Vader zullen ontmoeten.
36.2 Woorden zijn geheel ontoereikend om het
hemelse leven, het leven dat God zijn kinderen heeft toegezegd, te beschrijven.
De Kerk herinnert ons eraan, dat «wij met Christus zullen zijn en wij God
zullen zien (vgl. 1 Joh 3,2), en onze vurige hoop is gericht op deze
mysterievolle belofte. Ons voorstellingsvermogen is niet in staat om hierin
door te dringen, maar ons hart voelt dit intuïtief aan.»8
Wat wij nu slechts vermoeden door openbaring, en wij in onze
huidige staat amper kunnen bevatten, zal eens blijde werkelijkheid zijn. In het
Oude Testament wordt het geluk van de hemel voorgesteld door het verlangen naar
het Beloofde Land, dat na een lange, moeilijke weg door de woestijn wordt
bereikt. Daar, op onze nieuwe en blijvende rustplaats, staat alles voor ons
klaar9; daar
zullen al onze inspanningen van onze moeizame tocht door het leven beloond
worden.
Onze Heer sprak op vele manieren over de hemelse vreugde die
ons wacht, als wij in dit leven God daadwerkelijk liefhebben. Eeuwige
blijdschap is één van de waarheden die de Heer met nadruk predikte: Dit is
de wil van mijn Vader, dat ieder die de Zoon ziet en in Hem gelooft, eeuwig
leven bezit; en Ik zal hem doen opstaan op de laatste dag.10 Later, tijdens
het laatste avondmaal, zegt Hij: Vader, Ik wil dat zij, die Gij Mij gegeven
hebt, met Mij mogen zijn waar Ik ben, opdat zij de heerlijkheid mogen
aanschouwen die Gij Mij gegeven hebt, daar Gij Mij lief hebt gehad vóór de
grondvesting van de wereld.11
Eeuwige gelukzaligheid wordt vergeleken met een maaltijd die
God voor de mens bereidt; een maaltijd waardoor aan heel het verlangen van het
menselijk hart op onvoorstelbare wijze zal worden voldaan.12
De apostelen hebben het vaak over de blijdschap die ons
wacht. De heilige Paulus leert dat wij God nu nog in een spiegel,
onduidelijk, zien, maar dan van aangezicht tot aangezicht13 en dat de
vreugde die wij daar zullen genieten onbeschrijfelijk is.14
Het geluk van het eeuwige leven ligt vóór alles in het
directe, onmiddellijke zien van God. Het bevat niet alleen een volmaakte
intellectuele kennis van God, maar ook een delen in het leven van de
Drieëenheid. God zien is met Hem leven en zich in Hem verheugen. Zo zal, door
deze liefdevolle beschouwing van de drie goddelijke Personen een onbegrensde
liefde in ons ontstaan. Alle honger van ons arme hart naar geluk en liefde zal
oneindige en eeuwige voldoening vinden.
«Laten we proberen ons de hemel voor te stellen. Wat geen
oog heeft gezien, geen oor heeft gehoord en wat in geen mensenhart is
opgekomen, dat heeft God bereid voor degenen die Hem liefhebben. Kunt ge u
voorstellen wat het zeggen wil eenmaal daar aan te komen en God te vinden, al
dat schoons te zien, die liefde, die zich uitstort in ons hart, die ons
verzadigt zonder ooit te verzadigen? In de loop van de dag kunnen wij ons
dikwijls afvragen: wat zal er gebeuren, wanneer heel de schoonheid, heel de
goedheid, heel de oneindige luister van God zich zal storten in dat arme stukje
klei dat ik ben, dat wij allemaal zijn? En dan versta ik pas goed de woorden
van de Apostel: geen oog heeft gezien, geen oor heeft gehoord... Het is
echt de moeite waard, mijn kinderen, het is de moeite waard.»15
36.3 Los van de immense vreugde om God te aanschouwen
en om te leven met de verrezen, verheerlijkte Christus en Hem te zien, is er
ook nog een bijkomstig geluk. Wij zullen genieten van al het geschapen goed
waarnaar ons hart verlangt: de gemeenschap met die zaligen, die wij hier beneden
het meeste liefhadden, familieleden en vrienden en ook de heerlijkheid van ons
lichaam, dat over de dood heen verheerlijkt blijft voortbestaan, binnengeleid
in de heerlijkheid van God. De heilige Paulus zegt ons dat dit vergankelijke
met onvergankelijkheid moet worden bekleed en dit sterfelijke met
onsterfelijkheid.16 Maar
ieder als afzonderlijke persoonlijkheid met zijn eigen hoedanigheden. De
Katechismus van de Katholieke Kerk leert ons: «De 'verrijzenis van het lichaam'
betekent dat er na de dood niet alleen het leven van de onsterfelijke ziel zal
zijn, maar dat zelfs ons sterfelijk lichaam (Rom 8,11) weer levend zal
worden.»17 De
heilige Augustinus zegt duidelijk dat «dit vlees zal verrijzen, hetzelfde dat
begraven werd [...] Het vlees dat nu ziek wordt en lijdt, dit zelfde vlees zal
verrijzen.»18 Onze
persoonlijkheid zal dezelfde blijven, en we zullen ons eigen lichaam weer
hebben, maar dan bekleed met heerlijkheid en pracht, mits wij trouw zijn
gebleven. Ons lichaam zal de eigenschappen hebben die kenmerkend zijn voor
verheerlijkte lichamen: behendig en snel, dat wil zeggen, niet onderworpen aan
de beperkingen van tijd en ruimte, waaraan ook een einde komt, onvatbaar voor
het lijden -Hij zal alle tranen van hun ogen afwissen, en de dood zal niet
meer zijn; geen rouw, geen geween, geen smart zal er zijn19- en ten slotte,
gelijkend op de verrezen Heer.
Ik verwacht de opstanding van de doden, zeggen wij in
het Credo van de apostelen. Onze hemelse lichamen zullen eigenschappen bezitten
die anders zijn als de tegenwoordige, maar lichamen zullen het blijven en ze
zullen waarneembaar zijn,20 zoals ook het verheerlijkte lichaam van Christus en Onze
Lieve Vrouw. Wij weten niet hoe alles zal worden. De tegenwoordige wereld zal
worden getransformeerd: En ik zag een nieuwe hemel en een nieuwe aarde; de
eerste hemel en de eerste aarde waren verdwenen... Zie, Ik maak alles nieuw.21 Vele kerkvaders
en leraren en ook vele heiligen hebben deze vernieuwing van heel de geschapen
orde gezien in verband met de verrijzenis van Jezus.22
Nu de dag van de hemelvaart van onze Heer nadert, zou de
gedachte aan de Hemel ons moeten leiden tot een meer beslissende en moedige
strijd om de hindernissen weg te nemen die ons van Christus scheiden. Het zal
ons ook helpen om bovenal eerst de goederen te zoeken die eeuwig blijven, in
plaats van te hunkeren naar dat wat vergaat.
De gedachte aan de hemel geeft ons grote sereniteit. Niets is
hier onherstelbaar, niets is definitief, alles wat fout was kan ongedaan worden
gemaakt. De enige definitieve nederlaag zou zijn, dat wij de deur die naar het
Leven leidt zouden missen. En vergeten wij niet dat ook Onze Lieve Vrouw daar
op ons wacht.
-1. Joh 14,19-20. -2. Vgl. Joh 14,2. -3. Joh
14,3. -4. Vgl. 1 Kor 4,5; 11,26. -5. H. Jozefmaria Escrivá, geciteerd uit Informatiebulletin
van de Vicepostulatie van het Opus Dei, nr. 1, bl. 5. -6. H. Jozefmaria Escrivá, De Weg,
139. -7. H. Cyrillus van Jeruzalem, Catechesis,
348,18,1. -8. Congregatie voor de
geloofsleer, Brief over enkele vraagstukken inzake Eschatologie,
17 januari 1979. -9. Vgl. Ex 3,17. -10. Joh 6,40. -11. Joh
17,24. -12. Vgl. Lc 13,29; 14,15. -13. 1 Kor 13,12. -14.
Vgl. 1 Kor 2,9. -15. H.
Jozefmaria Escrivá, geciteerd uit Informatiebulletin van de
Vicepostulatie van het Opus Dei, nr. 1, bl. 5. -16. 1 Kor 15,53.
-17. Katechismus van de Katholieke Kerk, 990; Vgl. Congregatie voor de geloofsleer, Over
de vertaling van 'carnis resurrectionem', 14 december 1983. -18. H. Augustinus, Preek 264, 6.
-19. Apok 21,4. -20. Vgl. M.
Schmaus, Katholische Dogmatik, 7. -21. Vgl. Apok 21,1 e.
v. -22. Vgl. Katechismus van de Katholieke Kerk, 1047.
|