Negenentwintigste week. Maandag
4. De hoop van ons leven
-Tijdelijke goederen en bovennatuurlijke hoop.
-Christelijke onthechting. -Onze hoop is op de Heer gevestigd.
4.1 Een man wendde zich tot de Heer en vroeg Hem het probleem van een
betwiste erfenis te regelen.1 Naar de reactie
van Jezus te oordelen lijkt het, dat deze man meer bezorgd was over zijn
financiële problemen dan over de prediking van de Heer. De Messias had
gepredikt over Gods koninkrijk. Het tijdstip en de aard van het verzoek leek,
op zijn zachtst gezegd, wat ongunstig gekozen. Jezus antwoordt: Man, wie heeft Mij over u beiden tot rechter of
bemiddelaar aangesteld? Vervolgens wendde Jezus
zich tot alle andere aanwezigen en zei: Pas op en wacht u voor alle hebzucht! Want geen enkel bezit, al is dit
nog zo overvloedig, kan uw leven veilig stellen. Om
zijn leer te benadrukken vertelt Jezus hun een parabel: Het land van een rijk man had een grote oogst
opgeleverd... Het was zo'n geweldige oogst dat zijn
schuren deze niet konden bevatten. Hij kwam overhaast tot de conclusie dat zijn
moeilijke jaren voorgoed voorbij waren. Zijn levensonderhoud was nu volledig
veilig gesteld. Hij besloot zijn oude schuur af te breken en een grote nieuwe
te laten optrekken om zijn grote graanvoorraden
te bergen. Helaas, hier liepen zijn
plannen spaak. Hij besloot te eten, te drinken en ervan te genieten
omdat het leven voor hem zo goed was geweest. Maar de rijke man was een
fundamenteel feit vergeten: de onzekerheid van ons bestaan op deze aarde. Hij
had de keuze gemaakt om zijn hoop op voorbijgaande zaken te vestigen. Het kwam
niet in hem op dat iedereen geroepen is tot een levenslange worsteling.
God kwam als verrassing binnen in het leven van
deze rijke en zelfverzekerde landeigenaar. Dwaas! Nog deze nacht komt men je leven van je opeisen; en al de voorzieningen
die je getroffen hebt, voor wie zijn die dan? Zo gaat het met iemand die
schatten vergaart voor zichzelf, maar niet rijk is bij God.
Deze man was dwaas
omdat hij zijn toekomst afhankelijk maakte van de dingen
van deze aarde, zaken die van nature vergankelijk en onbetrouwbaar zijn. Wij
moeten het rechtmatige verlangen om in de levensbehoeften van ons gezin te
voorzien, niet verwarren met de misplaatste neiging om zoveel mogelijk te
bezitten. Ons hart dient op de hemel gericht te zijn. Als de Heer werkelijk
onze hoop is, zullen wij gelukkig zijn met
veel of met weinig goederen. «Bezitsvergroting mag dus nooit het
uiteindelijke doel vormen van een volk of een individuele mens. De economische
groei heeft twee aspecten: Het is enerzijds noodzakelijk voor de ontplooiing
van de mens, maar anderzijds houdt het de mens in zekere zin gevangen, als hij
die economische ontwikkeling beschouwt als
het hoogste goed. Dan zien wij hoe het hart zich verhardt en de geest
zich afsluit en hoe mensen niet langer in vriendschap bijeenkomen maar uit
eigenbelang, wat spoedig leidt tot tegenstellingen en verdeeldheid. Op deze
wijze wordt het uitsluitend najagen van bezit een belemmering voor individuele
ontplooiing en voor de werkelijke grootheid van de mens. Zowel bij naties als
bij individuele mensen is hebzucht de meest duidelijke vorm van morele onderontwikkeling.»2 Onze hoop op God zal worden gedoofd als wij toegeven
aan een ongebonden drang naar bezit. Laten wij besluiten niet deze dwaze
vergissing te maken. Er is geen grotere schat dan in Christus te leven.
4.2 De Heilige
Schrift vermaant ons herhaaldelijk ons hart op God te
richten. De apostel Petrus schreef aan de eerste christenen: Weest daarom wakker en actief, weest nuchter,
vestigt heel uw hoop op de genade die uw deel wordt, wanneer Jezus Christus
zich zal openbaren.3 De heilige Paulus raadde Timoteus aan: Vermaan de rijken van deze wereld dringend
niet hoogmoedig te zijn en hun hoop niet te stellen op de ongewisse
rijkdom, maar op God die ons alles rijkelijk te genieten geeft.4 De heilige Paulus
wijst erop, dat geldzucht de wortel is van alle kwaad. Door deze hartstocht zijn sommigen al van het geloof afgedwaald en
hebben zich afgemarteld met kwellingen zonder tal.5 In onze eigen
tijd herinnert de Kerk ons voortdurend op deze waarheid. «Voor alle gelovigen
geldt dus de uitnodiging en verplichting om de heiligheid en volmaaktheid van
hun eigen staat na te streven. Allen moeten zij er dus op bedacht zijn om hun
gemoed zo te richten, dat zij zich bij dit nastreven van de volmaakte liefde,
niet laten tegenhouden door het gebruik van de aardse goederen en de gehechtheid
aan de rijkdom tegen de geest van de evangelische armoede in. In die zin
vermaant hen de apostel: zij die met het aardse omgaan, moeten er niet in
opgaan, want de wereld die wij zien gaat voorbij (Vgl. 1 Kor 7, 31).»6
Dat gebeurt wanneer wij naar dingen verlangen
om de dingen zelf, alsof zij ons uiteindelijk doel zouden zijn. Het kan ook
bestaan in het koortsachtig najagen van rijkdom, met mogelijke schade voor
anderen en voor onze gezondheid, met gebrek aan aandacht voor de opvoeding en
vorming van de kinderen, aan zorg die ons gezin van ons vergt... De gehechtheid
kan ook bestaan in de manier waarop wij de dingen gebruiken: of we de dingen
alleen maar tot nut van onszelf gebruiken of we wel eens iets weggeven of niet...
De ongeordende liefde voor materiële zaken
vormt een ernstige belemmering voor het volgen van de Heer. Meer positief
gezien dient de onthechting en de juiste instelling ertoe om de mens open te
stellen voor het ontvangen van geestelijke weldaden. «Voor wie op elk moment
meester over zichzelf wil zijn, heb ik een goede raad. Probeer uzelf zonder
vrees en zonder aarzelen tot het uiterste van alles te onthechten. En verder
moet u, als u uw verplichtingen tegenover uzelf, uw gezin, familie nakomt... alle
eerlijke aardse middelen met een goede bedoeling gebruiken. En denk daarbij aan
het dienen van God, van de Kerk, van uw gezin, aan uw werk, uw land, aan de
hele mensheid. Denk eraan dat het belang van iets niet ligt in het al of niet
bezitten van dat iets, maar in de vraag of men handelt overeenkomstig de
waarheid die het christelijk geloof ons voorhoudt: de geschapen dingen zijn
alleen maar middelen, verder niets. Denk niet er iets definitiefs in te zien,
dat is een luchtspiegeling.»7
Als wij leven in de nabijheid van Christus
zullen wij weinig nodig hebben om gelukkig te zijn als kinderen van God. Als
wij niet in de nabijheid van God leven zullen wij merken, dat het vergaren van
bezit ons nooit voldoening zal geven.
4.3 Een priester die ik goed ken, vertelde
het volgende verhaal: «Jaren geleden vervulde ik mijn dienstplicht in de
provincie van Navarra. Wij moesten gewoonlijk onze dienstplicht vervullen
gedurende de universitaire vakanties. Ik was gestationeerd in een dorp dat
Abaurrea heet. Ik herinner mij nog heel goed de dag waarop een pas benoemde vaandrig
op onze post verscheen om zijn orders te ontvangen. De commandant zei hem te
rapporteren in het dorp Jaurrieta; dan, op het laatste moment, kwam het bij hem
op, dat de nieuwe officier er te paard heen moest gaan... Deze wist niet wat hij
hiermee aan moest, daar hij nooit eerder paard gereden had. Gedurende de hele
maaltijd vroeg hij alles over paarden en was hij op zoek naar goede suggesties.
Tenslotte zei iemand hem: 'Luister, alles wat je te doen hebt, is vol
zelfvertrouwen het paard bestijgen. Laat het paard niet merken dat dit je
eerste keer is, dat je nooit eerder gereden hebt. Dit is beslist doorslaggevend...'
»De volgende
morgen bracht een soldaat een paard voor de jonge officier
met nog een paard voor zijn bepakking. De officier besteeg zijn paard, maar
zodanig dat het dier meteen wist wie de baas was. Het begon te draven en de ruiter was duidelijk verontrust. Het paard stond
plotseling stil, toen het daar zin in
had. Het begon te grazen en toonde geen
belangstelling voor de officier die aan de teugels trok. Vervolgens,
weer toen het paard er zin in had, begon het weer
te draven langs de grote weg. Zo nu en dan begon het een korte galop. De armzalige officier was geheel
radeloos. Toen kwam hij een groep geniesoldaten tegen die elektrische
kabels aan het leggen waren. Een van de geniesoldaten riep uit: 'Hé, jij daar,
waar ga je heen?' En de jonge officier
antwoordde gelaten: 'Wie, ik? Ik ga naar Jaurrieta, maar ik weet niet
waar mijn paard heen gaat...'
»Misschien is ook aan ons ooit de vraag
gesteld: 'Hé, jij daar! Waar ga je heen?' We
hebben misschien de kans gehad om te antwoorden: 'Wie, ik? Ik ben op weg
naar de liefde; ik ben op weg naar de waarheid, ik ben op weg naar de
blijdschap. Wat ik niet weet, is waar het leven mij zal brengen!'»8
Hoe geweldig zou het zijn als wij op deze vraag
konden antwoorden: Ik ben op weg naar God door mijn werk, via mijn
moeilijkheden, misschien door middel van mijn slechte gezondheid... Daarheen behoren de dingen van de aarde ons te
brengen! Wat jammer als wij iets dat alleen maar een middel was, misbruikt hebben als een onvergankelijk doel! Laten wij er vandaag in ons gebed aan denken of
ons beroep een middel is om God te vinden, om op de door ons gewenste
bestemming te komen. Dient het bezit van materiële goederen ertoe om ons tot
betere mensen te maken?
Jezus Christus leert ons telkens opnieuw dat de
hoop van christenen niet ligt in de
schatten op aarde, waar ze door mot en worm vergaan en waar dieven inbreken om
te stelen.9 Christus biedt ons een onvergankelijke erfenis. Christus zelf is onze
hoop.10 Niets anders kan ons hart verzadigen. In
Christus zullen wij onvergankelijke gaven van de geest vinden. Materiële zaken
kunnen een doel zijn om ons menselijk en bovennatuurlijk doel te bereiken. Maar
dat is wat zij zijn: middelen. Wij moeten ze niet als doel gebruiken.
Maria, onze hoop, zal ons helpen ons hart op de
goede plaats te houden: bij haar Zoon. Wij gaan vol vertrouwen tot haar. Sancta Maria, spes nostra, ora pro nobis - Heilige
Maria, onze hoop, bid voor ons
-1. Lc 12,13-21. -2. Paulus vi, Enc. Populorum progressio, 26 maart 1967,19. -3.
1 Pe
1,13. -4. 1 Tim 6,17. -5. 1 Tim 6,10. -6. Vaticanum ii,
Dogm. const. Lumen gentium, 42. -7. H. Jozefmaria Escrivá, Vrienden
van God, 118. -8. A.G.
Dorronsoro, Tiempo para creer, bl. 111-112. -9. Mt 6,19. -10. 1 Tim 1,1.
|