Eerste week. Dinsdag
7.
De hulp van onze engelbewaarders
-Engelbewaarders bestaan. De devotie van de eerste
christenen. -Wijzen waarop zij ons kunnen helpen. -Devotie tot de
engelbewaarders en onze vriendschap met hen.
7.1 De heilige Matteüs eindigt zijn relaas over
de bekoring van de Heer met dit vers: Nu liet de duivel Hem met rust en er
kwamen engelen om Hem hun diensten te bewijzen.1 «Laten we ook de tussenkomst van de
engelen in het leven van Jezus overwegen: op deze manier zullen wij beter de
rol begrijpen -hun zending- die zij in elk menselijk leven spelen. De
christelijke traditie beschrijft de engelbewaarders als machtige vrienden, door
God naast ieder mens geplaatst, opdat zij hem op zijn paden begeleiden. Daarom
nodigt zij ons uit, met hen om te gaan en tot hen onze toevlucht te nemen.
Wanneer de Kerk ons deze passages uit het leven van Christus laat overwegen, herinnert zij ons eraan,
dat er in de vastentijd -waarin wij ons als zondaars erkennen, vol
ellende en verlangend gereinigd te worden- ook plaats is voor vreugde. Immers
de vastentijd is tevens een tijd van versterking
en blijdschap. Wij moeten opnieuw moed vatten, omdat de genade van de
Heer ons niet zal ontbreken; want God zal ons terzijde staan en zijn engelen
zenden, opdat zij onze reisgenoten zijn, onze voorzichtige raadgevers onderweg,
onze medewerkers in al onze ondernemingen.»2
«De Heilige Schrift en de Traditie geven aan die zuivere
geesten die God, zijn koninkrijk en zijn glorie kozen toen hun vrijheid
fundamenteel beproefd werd, de naam engelen.»3 Zij zijn belast met de bescherming van
de mens. We lezen in de brief aan de Hebreeën: Wat zijn zij anders dan
dienende geesten, uitgezonden ten behoeve van hen voor wie het heil is
weggelegd?4
Het is een algemene opvatting dat ieder mens, gedoopt of niet
gedoopt, een engelbewaarder heeft. De zending van die engel begint als de
nieuwe mens in de moederschoot ontvangen wordt, en duurt voort tot het moment
van de dood van die mens. De heilige Johannes Chrysostomus bevestigt dat «alle
engelbewaarders bij het laatste oordeel samen zullen komen om getuigenis af te
leggen van hun dienstwerk dat zij op Gods bevel tot heil van elke mens hebben
uitgeoefend.»5
In de Handelingen van de Apostelen vinden we een aantal
passages dat over de tussenkomst van deze heilige engelen en over het
vertrouwen dat de eerste christenen in hen hadden, gaat.6 Dit vertrouwen en deze eerbied
jegens de engelen van onze eerste broeders in het geloof komen het duidelijkst
naar voren in het verslag van de bevrijding van Petrus uit de gevangenis: Opeens
stond een engel des Heren bij hem en was de cel helder verlicht. Hij stootte
Petrus in de zij, wekte hem en sprak: Sta vlug op. Meteen vielen de kettingen
van zijn handen. Vervolgens zei de engel:
Doe uw gordel om en bind uw sandalen onder. Petrus deed het. De engel
hernam: Sla uw mantel om en volg mij.7
Zodra hij bevrijd was, ging Petrus naar het huis van Maria,
de moeder van Marcus, waar velen in gebed verenigd waren. Nadat hij op de
buitenpoort geklopt had, kwam Roosje, het dienstmeisje, horen wie er was. Zij
herkende Petrus' stem, maar van blijdschap verzuimde zij open te doen. Zij liep
vlug naar binnen om te vertellen dat Petrus voor de poort stond. Men antwoordde haar: 'Je bent niet goed wijs'. Maar
zij bleef volhouden dat het werkelijk zo was. Toen zeiden ze: 'Dan is
het zijn engel'.8 Dit
voorval laat ons zien hoeveel genegenheid de eerste christenen voor Petrus
hadden, evenals de grote natuurlijkheid van hun geloof in de engelbewaarder.
«Merk op hoe vanzelfsprekend de eerste christenen omgingen met hun
engelbewaarders. En jij?»9
Wij moeten hen ook op een natuurlijke en vertrouwelijke
manier leren kennen en we zullen vaak verbaasd zijn over de hulp die zij ons
geven in onze strijd tegen de boze. «Wij ontvangen waardevolle hulp van de
goede engelen, boodschappers van Gods liefde. De traditie van de Kerk leert ons
onze gebeden tot hen te richten: 'Engel van God die mijn bewaarder zijt,
verlicht mijn verstand, bewaar mij, neem mij bij de hand en leid mij, ik stel
mij in handen van uw hemelse zorg. Amen'.»10
7.2 Er kwamen engelen om
Hem hun diensten te bewijzen. Engelbewaarders hebben de bijzondere
opdracht elke mens te helpen zijn bovennatuurlijk doel te bereiken.
Zie, Ik
zend mijn engel voor u uit om u onderweg te beschermen en u te brengen naar de
plaats die Ik heb vastgesteld.11 De Katechismus van de Katholieke Kerk onderricht ons:
«Vanaf de kinderjaren (Vgl. Mt 18,10) tot
de dood (Vgl. Lc 16,22) is het menselijk
leven omringd door hun bescherming (Vgl. Ps 34,8;
91,10-13) en voorspraak (Vgl. Job 33,23-24; Zach 1,12;
Tob 12,12). 'Iedere gelovige wordt
terzijde gestaan door een engel om hem als een behoeder en herder naar het
leven te leiden' (H. Basilius, Contra Eunomio, 3,1). Vanaf het aardse bestaan neemt het christelijk leven in het
geloof deel aan de gelukzalige gemeenschap van engelen en mensen, verenigd in
God.»12
De zending van de engelbewaarders is dus om de mensen te
helpen met het oog op alle verleidingen en gevaren en hun hart te voorzien van
goede ingevingen. Zij zijn onze voorsprekers
en zij komen ons te hulp wanneer we hen ook maar aanroepen. «Heiligen
zijn de voorsprekers voor de mensen hier op
aarde. Engelen bidden niet alleen voor mensen, zij brengen ook boodschappen aan hen over. Als de zalige geesten in de
hemel, onze engelbewaarders, de voorsprekers zijn, komen zij ook tussenbeide; zij zijn tegelijkertijd pleiters voor de
mensen bij God en zijn gezanten naar de mensen.»13
De engelbewaarder kan ons ook stoffelijke hulp bieden, als
dit past in het bereiken van ons bovennatuurlijk doel en van anderen. We moeten
nooit aarzelen hun gunsten te vragen in de kleine stoffelijke dingen waar we
elke dag om verlegen zitten; een parkeerplaats vinden; de bus niet missen; hulp
bij een examen, of proefwerk waar we voor gewerkt hebben enzovoort. Zij zijn de
geëigende medewerkers voor ons apostolaat, in de strijd tegen de bekoringen en
tegen de duivel en in het gebed. «Men kan de engelen beschouwen als herders van
de ziel. Zij brengen immers niet alleen onze gaven naar God, maar ook brengen
zij die van God naar onze ziel. Als goede herders weiden zij onze zielen door
ons zoete mededelingen en inspraken van God over te brengen. [...] Ze beschermen
en verdedigen ons tegen de wolven, te weten de duivels.»14
We moeten met onze engelbewaarder omgaan als met een goede
vriend. Hij is altijd paraat, altijd bereid ons te hulp te schieten. We hoeven
het alleen maar te vragen. Het is heel jammer als we, uit onwetendheid of
vergeetachtigheid, het gezelschap van zo'n trouwe gezel niet zouden voelen, of
als we, wanneer we hulp nodig hebben, vergeten hem erom te vragen. We zijn
nooit alleen als we het hoofd moeten bieden aan bekoringen of moeilijkheden.
Onze engelbewaarder helpt ons. Hij blijft tot het allerlaatst aan onze zijde,
tot we dit leven verlaten.
Aan het eind van ons leven zal onze engelbewaarder ons
geleiden tot voor Gods rechterstoel, zoals de liturgie van de Kerk ons zegt in
de gebeden waarin de ziel van de stervende aan Gods barmhartigheid wordt
aanbevolen.
7.3 «Heb vertrouwen in
je engelbewaarder. Ga met hem om als met je beste vriend: dat is hij. Hij zal
je duizend diensten bewijzen in de dingen van alledag.»15
Help je engelbewaarder jou te helpen door zijn hulp te vragen. Op de een of andere manier moet hij onze
bedoelingen en verlangens kennen. Hoewel zij een zeer volmaakte natuur
hebben, hebben zij niet de macht van Gods oneindige kennis; zij kunnen bij
voorbeeld niet ons geweten lezen. We hoeven alleen maar in gedachten met onze
engelbewaarder te praten om hem meer rechtstreekse of afgeleide kennis van
innerlijke gedachten te geven dan we zelf onder woorden kunnen brengen. Daarom
is het zo belangrijk met je engelbewaarder om te gaan als met een vriend.
We moeten de engelbewaarder naast onze vriendschap ook
verering toedragen: hij is een wezen dat altijd in Gods aanwezigheid is, die
Hem van aangezicht tot aangezicht aanschouwt op hetzelfde moment dat hij ons
terzijde staat.
Devotie tot de engelbewaarder is een doeltreffend middel in
onze verhouding met God, in ons werk, en in de verhouding met de mensen om ons
heen, in de kleine en minder kleine conflicten die in de loop van ons leven
kunnen opkomen. Met name in de veertigdaagse vastentijd moeten we denken aan,
en dus geroerd worden door, het beeld van de Hof van Olijven waar het
Allerheiligst Menszijn van de Heer getroost wordt door een engel uit de hemel.
«Men moet met de engelen weten om te gaan. Wend u nù tot hen.
Zeg uw engelbewaarder dat de bovennatuurlijke wateren van de vastentijd niet
spoorloos over uw ziel heenglijden, maar dat ze integendeel diep doordringen,
omdat u een berouwvol hart hebt. Vraag hun, dat zij de Heer die goede wil
aanbieden, welke de genade uit onze ellende heeft doen ontstaan, als een lelie
ontsproten op een mesthoop. Sancti angeli, custodes nostri, defendite nos in
proelio, ut non pereamus in tremendo iudicio - Heilige engelbewaarders,
verdedig ons in de strijd opdat wij niet verloren gaan in het vreeswekkend
oordeel.»16
Vraag Onze Lieve Vrouw, Regina Angelorum, Koningin der
Engelen, ons te leren onze engelbewaarders te kennen, met name in deze
vastentijd.
-1. Mt 4,11. -2. H. Jozefmaria Escrivá, Als Christus nu langs komt, 63.
-3. Johannes Paulus ii, Algemene
Audiëntie, 13 augustus 1986. -4. Heb 1,14. -5. H. Johannes Chrysostomus, Catena
Aurea, deel III, bl. 238. -6. Vgl. Hnd 5,19-20; 8,26 en 10,3-6. -7. Hnd
12,7-11. -8. Hnd 12,12-17. -9. Vgl. H.
Jozefmaria Escrivá, De Weg, 570. -10. Johannes Paulus ii, Algemene Audiëntie, 20 augustus
1986. -11. Ex 23,20. -12. Katechismus van de Katholieke Kerk,
336. -13. G. Huber, Gods
engelen waken over ons. -14. H.
Johannes van het Kruis, Geestelijk Hooglied, 2,3. -15. H. Jozefmaria Escrivá, o.c.,
562. -16. Idem, Als Christus
nu langs komt, 63.
|