Negende week door het jaar. Dinsdag
14. DE KEIZER GEVEN WAT DE KEIZER TOEKOMT. VOORBEELDIGE
BURGERS
-De christen in het openbare leven. Het voorbeeldig
vervullen van onze plichten. -Eenheid van leven. -Onze vereniging met God,
noodzakelijk om betere burgers te zijn.
14.1 Het evangelie van de mis van
vandaag1 vertelt dat er een paar farizeeën naar
Jezus toe gingen om Hem op een woord te vangen, iets waarvan zij Hem zouden
kunnen beschuldigen. Daartoe stelden zij Hem boosaardig de vraag, of het
geoorloofd is aan de keizer belasting te betalen. Het ging om de belasting die
alle joden aan Rome betaalden, wat hen eraan herinnerde, dat zij aan een
vreemde macht onderworpen waren. Het was geen zware belasting, maar het ging om
een politiek en moreel probleem; de joden zelf waren verdeeld over deze verplichting.
Zij wilden nu Jezus partij laten kiezen voor of tegen die Romeinse
belastingmaatregel. Meester -zeiden zij Hem- is het geoorloofd belasting te betalen aan de keizer of niet? Als
de Heer ja zou zeggen, zouden zij Hem ervan kunnen beschuldigen te collaboreren
met de Romeinse machthebbers, die door de joden gehaat werden aangezien zij
binnendringers waren; als Hij nee zou antwoorden, zouden zij Hem kunnen
beschuldigen van rebellie tegen Pilatus, de Romeinse gezagdrager. Partij kiezen
voor of tegen de belasting betekende feiltelijk zich uitspreken over de
rechtmatigheid van de politiek-sociale situatie waar het joodse volk zich in
bevond: collaboreren met de bezetter of de in de boezem van het volk latent
aanwezige rebellie aanmoedigen. Later zouden zij Hem beschuldigen door gebruik
te maken van een evidente leugen: Wij hebben vastgesteld,
dat die man ons volk tot opstand aanspoort, dat Hij het ervan afhoudt aan de
keizer belasting te betalen.2
Bij deze gelegenheid zei Jezus, die de huichelachtigheid van
hun vraag kende: Geeft Mij een tienling [...] Van wie is
deze beeldenaar en het randschrift? Ze antwoordden: Van de keizer. Jezus
verbijsterde hen met de eenvoud en de diepzinnigheid van zijn antwoord: Geeft dan aan de keizer wat de keizer toekomt en aan God wat God
toekomt. Jezus ging de vraag niet uit de weg, maar bracht ze tot haar
ware proporties terug. Het gaat erom, dat de staat zich niet tot het niveau van
het goddelijke verheft, en dat de Kerk geen partij kiest in tijdelijke kwesties
die veranderlijk en betrekkelijk zijn. Op deze wijze stelt Hij zich ook teweer
tegen de onder de farizeeën verbreide misvatting van een politieke messiasverwachting,
en tegen de onterechte inmenging van de Romeinse staat -van welke staat dan
ook- op religieus terrein.3 Met zijn antwoord
bakent de Heer op duidelijke wijze twee machtssferen af. Zij zijn «op eigen
terrein onafhankelijk van elkaar en autonoom. Maar beide zijn zij, hoewel op
verschillende titel, dienstbaar aan de persoonlijke en maatschappelijke roeping
van dezelfde mensen.»4
De Kerk als zodanig rekent het niet tot haar opdracht,
concrete oplossingen te geven in tijdelijke aangelegenheden. Daarin volgt zij
Christus die, met de bevestiging dat zijn rijk niet van deze wereld is 5, uitdrukkelijk weigerde een oordeel te vellen in
aardse kwesties.6 Laten wij, christenen, dus
nooit vervallen in datgene wat Jezus Christus met de grootste zorg vermeed: de
boodschap van het evangelie, die universeel is, vermengen met een systeem, een
keizer. Dat wil zeggen, dat het niet mag gebeuren, dat mensen die niet een
bepaald systeem, een bepaalde partij of 'keizer' aanhangen, moeilijkheden
ondervinden een boodschap te aanvaarden die als uiteindelijk doel het eeuwig
leven heeft. De opdracht van de Kerk, die in de tijd het verlossingswerk van
Christus voortzet, is de mensen tot dit bovennatuurlijk en eeuwig doel te brengen:
de juiste en verschuldigde zorg voor de problemen van de samenleving is een
afgeleide van haar geestelijke opdracht en blijft beperkt tot de grenzen van
deze opdracht.
Het is de taak van ons, christenen, die in het hart van de samenleving,
bekleed met alle rechten en plichten, actief zijn, oplossingen aan te dragen
voor tijdelijke problemen. Het is onze taak, om ons heen, een steeds betere
wereld te vormen, door voorbeeldige burgers te zijn die staan op hun rechten en
die al hun plichten tegenover de samenleving weten na te komen. Sterker nog, in
veel gevallen kan het optreden van de christenen in het openbare leven zich
niet beperken tot het louter nakomen van de wettelijke regels, tot dat wat
voorgeschreven is. Het verschil tussen de wettelijke orde en de morele criteria
brengt soms met zich mee, dat men in het eigen gedrag veeleisender moet zijn
dan wat de juridische normen eisen7: situaties
waarin te lage lonen gewoon zijn, onrechtvaardige gevallen waarop de wet geen
acht slaat, toewijding die de arts sommige zieken moet geven, ook al
overschrijdt hij daarmee de strikte eisen van zijn werkcontract enz. Staan wij
op ons werk bekend -wat dat ook voor werk is- als mensen die, uit liefde tot
God en tot de mensen, meer doen dan wat strikt vereist is: werktijden,
toewijding, belangstelling, oprechte bezorgdheid voor de mensen en hun
problemen... ?
14.2 Geeft
dan aan de keizer wat de keizer toekomt... De Heer onderscheidt de
plichten die betrekking hebben op de samenleving en de plichten die verwijzen
naar God, maar Hij wil op geen enkele manier aan zijn leerlingen een soort
dubbelleven opleggen. De mens is een geheel, met één hart, met één enkele ziel,
met zijn deugden en tekortkomingen die zijn gehele handelen beïnvloeden. «Zowel
in het openbaar als in het privé-leven moet de christen zich laten inspireren
door de leer en de navolging van Christus»8,
waardoor zijn handelen steeds menselijker en edeler zal worden. De Kerk heeft
altijd de terechte autonomie van het aardse verkondigd, maar deze opgevat in de
zin, dat «de geschapen dingen en de samenleving zelf eigen wetten en waarden
genieten [...] Maar als men onder 'autonomie van het tijdelijke' verstaat, dat
het geschapene niet van God afhankelijk is en dat de mens zich deze zo ten
nutte kan maken, dat hij ze niet op de Schepper betrekt, dan voelt iedereen die
God erkent aan, hoe bedrieglijk dergelijke ideeën zijn. Zonder een Schepper
verdwijnt immers het schepsel in het niet.»9 En
de maatschappij zelf wordt onmenselijk en moeilijk om in te wonen.
De christen maakt zijn politieke, maatschappelijke, professionele
keuzes overeenkomstig zijn intiemste overtuigingen. Wat hij de maatschappij
waarin hij leeft, te bieden heeft, is een juiste visie op de mens en op de samenleving,
want alleen de katholieke leer reikt de volledige waarheid over de mens, over
diens waardigheid en over zijn eeuwige bestemming waartoe hij geschapen is,
aan. Er zijn nogal wat mensen die bij gelegenheid zouden willen, dat christenen
als het ware een dubbelleven leiden: een leven voor hun tijdelijk en openbaar
handelen en een ander voor hun geloof. Zij gaan zelfs zo ver, dat zij met
sektarische en discriminerende woorden en daden verkondigen, dat de burgerlijke
plichten en de plichten die voortvloeien uit het volgen van Christus, onverenigbaar
zijn. Wij, christenen, moeten met woorden en met het getuigenis van een leven
uit één stuk laten zien, dat «het niet waar is, dat er een tegenstelling bestaat
tussen goed katholiek zijn en het trouw dienen van de burgermaatschappij. Zoals
er ook geen reden is waarom Kerk en Staat met elkaar zouden moeten botsen in de
wettige uitoefening van ieders eigen gezag, bij het vervullen van de opdracht
die God hun heeft toevertrouwd. Wie het tegendeel beweert, liegt. Ja: liegt!
Dat zijn dezelfden die, uit verering van een valse vrijheid, de katholieken
vriendelijk zouden willen verzoeken naar de catacomben terug te gaan»10, naar de stilte.
Ons getuigenis midden in de wereld moet zich in een diepe
eenheid van leven uiten. De liefde tot God dient ons ertoe te brengen onze
plichten als burger trouw te volbrengen: rechtvaardige belastingen betalen,
gewetensvol stemmen met het oog op het algemeen welzijn enz. Het onbelangrijk
vinden -uit nalatigheid, luiheid, vanwege smoesjes- onze eigen opvatting op
alle niveaus te laten horen door middel van, bijvoorbeeld, het uitbrengen van
onze stem, is een tekortkoming tegenover de gerechtigheid, want het betekent
het veronachtzamen van rechten die, omwille van anderen, ook plichten zijn.
Deze veronachtzaming kan ernstig zijn in zoverre ze -in de beroepsorganisatie,
in de ouderraad van een instelling waaraan de kinderen studeren, op landelijk
politiek vlak- mede leidt tot de overwinning van een kandidaat wiens ideeëngoed
niet met dat van de christenen strookt.
«Laat -spoort Johannes Paulus ii
aan- uw leven en de tijdelijke activiteiten doordrenkt zijn van het sap van het
geloof van Christus, in het bewustzijn dat het geloof niets vernietigt dat
authentiek menselijk is, maar dit juist versterkt, zuivert en verheft. Toont
deze geest in de aandacht die u aan problemen van doorslaggevend belang
besteedt. Door in de familiekring de onontbindbaarheid en de andere waarden van
het huwelijk, evenals de eerbied voor elk leven vanaf het moment van de
conceptie, te beleven en te verdedigen. Door voor uw kinderen in kunst en
cultuur, in onderwijs en opvoeding een onderricht te kiezen waarin het brood
van het christengeloof aanwezig is.
»Weest ook sterk en edelmoedig wanneer men u vraagt te helpen
bij de bestrijding van onrecht en het uit de weg ruimen van maatschappelijke en
economische discriminatie. Weest sterk en ruimhartig in uw deelname aan een
positieve actie voor groei en rechtvaardige verdeling van goederen. Spant u in,
opdat wetten en gewoonten de transcendente betekenis, noch de morele aspecten
van het leven, links laten liggen.»11
14.3 ...en
aan God, wat aan God toekomt. Ook dit wordt door de Heer met nadruk
gezegd, ook al werd het Hem niet gevraagd. «De keizer zoekt zijn beeldenaar,
geef hem die. God zoekt de zijne, geef Hem die terug. Laat de keizer zijn munt
niet om u verliezen. Laat God de zijne niet in u verliezen.»12 Dat is het commentaar van Augustinus. En van God is
heel ons leven, ons werk, onze zorgen, onze blijdschap... Al het onze is het
zijne. Heel in het bijzonder die momenten -zoals deze tijd van gebed- die wij
exclusief aan Hem toewijden. Goed katholiek zijn, dat zal ons aansporen goede
burgers te zijn, want ons geloof zet ons voortdurend aan goede studenten,
onbaatzuchtige moeders die krachten putten uit hun geloof en liefde om hun
gezin vooruit te helpen, rechtvaardige ondernemers enz. te zijn. Het voorbeeld
van Christus brengt ons allen ertoe arbeidzaam, hartelijk, blij, optimistisch
te zijn, niet kleinzielig in het nakomen van onze verplichtingen, trouw te zijn
aan het bedrijf, in het huwelijk, aan de partij of de groepering waartoe wij
behoren. De liefde tot God is, mits ze echt is, een waarborg voor de liefde tot
de mensen, en zal uit de feiten blijken.
«Er is een beschikking uitgegaan van keizer Augustus, dat
alle inwoners van Israël zich moeten laten registreren. Maria en Jozef reizen
naar Betlehem. Heb je er wel eens aan gedacht, dat de Heer zich van de stipte
naleving van een wet heeft bediend om zijn profetie in vervulling te doen gaan?
»Houd van de regels van een eerzame samenleving, respecteer
ze, en twijfel er niet aan, dat ook de door jou trouw vervulde plicht het
werktuig kan zijn waardoor anderen de christelijke rechtschapenheid, vrucht van
de liefde tot God, zullen ontdekken en God zullen ontmoeten.»13
-1. Mc 12,13-17. -2. Lc 23,2. -3. Vgl. J.M. Casciaro, Jesucristo y la sociedad política, Madrid 1973. -4. Vaticanum ii, Past. const. Gaudium
et spes, 76. -5. Vgl. Joh 18,36. -6. Vgl. Lc 12,13 e.v. -7. Vgl. Spaanse
bisschoppenconferentie, Los cristianos en la
vida pública, 22 april 1986. -8. Ibidem. -9. Vaticanum ii, o.c., 36.
-10. H. Jozefmaria Escrivá, De Voor, 301. -11. Johannes Paulus ii, Toespraak,
7 november 1982. -12. H. Augustinus, Commentaar
op Psalm 57,11. -13. H.
Jozefmaria Escrivá, De Voor, 322.
|