23 januari. Zesde dag
van de Bidweek
9. DE KERK, HET NIEUWE VOLK GODS
-Wij, christenen,
zijn een uitverkoren
geslacht, een koninklijk priesterschap, een door Jezus Christus in eigendom
verworven volk. -Deelneming van de leken aan de
priesterlijke, profetische en koninklijke bediening van Christus. Heiliging van
de wereldse taken. -Het ambtelijk priesterschap.
9.1 God roept ieder mens persoonlijk, bij zijn naam1; maar vanaf het begin «heeft het God behaagd de mensen
geenszins afzonderlijk, zonder enig
onderling verband, te heiligen en te redden, maar hen tot een volk te
verenigen dat Hem naar waarheid zou erkennen en in heiligheid zou dienen.»2 Onder de naties der wereld heeft Hij het volk van
Israël willen uitkiezen om zichzelf te openbaren en zijn wilsbesluit kenbaar te
maken. Met dit volk sloot Hij een verbond, dat keer op keer vernieuwd werd. Dit
alles echter is geschied ter voorbereiding en voorafbeelding van het nieuwe
volk van God, de Kerk, dat Jezus voor zich zou vrijkopen met zijn bloed,
vergoten op het kruis. In de Kerk komen de benamingen tot vervulling die men in
het Oude Testament aan het volk van Israël gaf: uitverkoren geslacht3, aangeworven volk om Gods lof te verkondigen.4
De wezenlijke hoedanigheid van hen die dit
nieuwe volk vormen «is de waardigheid en de
vrijheid van de kinderen van God, in wier hart de Heilige Geest als in
een tempel woont. Zijn wet is het nieuwe gebod om te beminnen zoals Christus
zelf ons heeft liefgehad (vgl. Joh 13,34). Zijn einddoel tenslotte is het koninkrijk van God, dat door God zelf
is begonnen en zich verder moet verspreiden.»5 Gij -zo houdt Petrus de
christenen uit de vroegste tijden voor- zijt een uitverkoren geslacht, een
koninklijk priesterschap, een heilige natie, Gods
eigen volk, bestemd om de roemruchte daden te verkondigen van Hem die u uit de
duisternis heeft geroepen tot zijn wonderbaar licht: gij, vroeger geen
volk, nu Gods volk, vroeger van genade verstoken, nu begenadigd.6
Dit nieuwe volk kent slechts één priester,
Jezus Christus, en één offer, namelijk het offer van Calvarië, dat elke dag
hernieuwd wordt in de heilige mis. Al degenen die van dit volk deel uitmaken,
zijn een uitverkoren geslacht,
ze delen in het priesterschap van Christus en zijn aldus bekwaam om een
priesterlijk middelaarschap te vervullen, het fundament van elk apostolaat, en
om actief deel te nemen aan de goddelijke eredienst. Op deze wijze kunnen zij
al hun werkzaamheden maken tot geestelijke
offers die God welgevallig zijn.7
Het betreft een werkelijk priesterschap, hoewel het wezenlijk verschilt van het
ministeriële priesterschap, waardoor de priester in staat is namens Christus te
handelen, vooral wanneer hij de zonden vergeeft en de heilige mis opdraagt.
Niettemin zijn beide met elkaar geordend en verbonden, en delen zij, elk op
eigen wijze, in het priesterschap van Christus. In dit priesterschap -in het
delen in het priesterschap van Christus- worden wij geheiligd en vinden wij de
genade die nodig is om de anderen te steunen.
9.2 De gelovigen delen in de zending van Christus en doordrenken aldus hun
leven midden in de wereld, en de wereld zelf, met de geest van hun Heer. Hun
gebeden, het leven in gezin en maatschappij, hun apostolische initiatieven,
werk en rust, en zelfs de beproevingen en tegenslagen van het leven, worden
tot een heilige offerande die de Heer vooral in de heilige mis bereikt, «het
middelpunt en de wortel van het geestelijk leven van de christen.»8
Deze deelneming van de leken in de
priesterlijke bediening van Christus brengt een leven met zich mee, dat als middelpunt de heilige mis heeft, maar de
eucharistische deelneming houdt niet op bij het actief deelnemen aan het
offer van het altaar, noch komt in de eerste plaats tot uitdrukking in
bepaalde liturgische taken die door de leken kunnen worden vervuld. Het eigen
terrein van de leken is de heiliging van hun gewone werk, de vervulling van de
plichten in het beroep, het gezin, de maatschappij..., welke zij met de grootste rechtschapenheid trachten uit te
oefenen.
De leken delen ook in de profetische zending
van Christus. Hun specifieke roeping brengt
hen tot de verkondiging van Gods woord, niet in de kerk, maar op
straat: in de fabriek, op kantoor, in de club, in het gezin.9 Zij moeten het
goddelijk woord verkondigen door hun voorbeeld, als collega's op het
werk, als buren, als burgers... En ook door de juiste raadgeving, een innig en
diepgaand gesprek waarop ware vriendschap recht geeft; door een boek te
adviseren dat richting kan wijzen en door het afraden van een schouwspel dat
niet gepast is voor iemand die het goede nastreeft; door te bemoedigen -zo de
rol van Christus vervullend- en vreugdevol een kleine dienst te bewijzen.
De christen is eveneens deelgenoot van de
koninklijke bediening van Christus. In de eerste plaats door baas te zijn over
zijn beroepswerk, zonder slaaf van zijn werk te worden, maar door dit te
beheersen en het, met oprechte bedoeling, tot glorie van God te leiden, door
het vervullen van het goddelijk plan voor heel de schepping.10 De rol van de leken wordt niet versterkt wanneer
men hen doet delen in het clericale gezag of ambt. Wellicht kunnen enkelen die
richting inslaan, maar zelfs dat is niet het meest eigene van een wereldlijke
roeping.11 Het is in de wereld, te midden van de
wereldse structuren van het menselijk leven,
waar zich hun deelname aan de koninklijke zending van Jezus Christus
ontplooit. «Hun voornaamste en onmiddellijke taak -zo merkte
Paulus vi op- is niet het vestigen
of ontwikkelen van de kerkelijke gemeenschap - dat is de specifieke taak van de
geestelijkheid- maar het benutten van alle christelijke en evangelische
mogelijkheden, verborgen maar toch reeds aanwezig en werkzaam, in de tijdelijke
zaken.»12 Binnen dit nieuwe volk van God -de Kerk- brengt de deelneming aan de
koninklijke zending van Christus hen ertoe de maatschappelijke orde te
doordrenken met deze christelijke
beginselen die haar menselijk maken en verheffen: de waardigheid en
verhevenheid van de menselijke persoon, maatschappelijke saamhorigheid, de
heiligheid van gezin en huwelijk, vrijheid in verantwoordelijkheid, de liefde
tot de waarheid, de bevordering van gerechtigheid op alle niveaus, de geest van
dienstbaarheid, wederzijds begrip en broederlijke liefde...
«De leken moeten niet de 'longa manus' van de
hiërarchie zijn. Zij zijn geen verlengstuk van een officieel kerkelijk
'systeem'. Zij zijn -een ieder is, krachtens eigen recht en op basis van eigen vroomheid, bekwaamheid en
leerstellige vorming- de aanwezigheid van Christus in de tijdelijke zaken.»13
Laten wij vandaag overwegen of de anderen, wanneer zij ons dagelijks
optreden zien, bewogen worden tot een grotere toenadering tot Christus, of wij
door ons werk en ons deelhebben aan de maatschappelijke taken -op hun
onderscheiden niveaus- werkelijk de wereld tot God brengen.
9.3 Dit nieuwe volk van God heeft Christus tot eeuwige Hogepriester. De
Heer nam de oude traditie op om deze om te vormen en te vernieuwen en zó een
nieuw priesterschap in te stellen. De priesters van Christus zijn, ieder van
hen, als het ware een werktuig van de Heer en verlengstuk van zijn
allerheiligste mensheid. Zij handelen niet in eigen naam, zij zijn niet
eenvoudig vertegenwoordigers van het volk,
maar zij vervullen de rol van Christus. Van elk van hen kan men zeggen,
dat hij, genomen
uit de mensen, is aangesteld voor de mensen om hen te vertegenwoordigen bij
God...14
Christus handelt daadwerkelijk door hen, door
hun woorden, gebaren enz.; en hun priesterschap is innig en onafscheidelijk
verbonden met het priesterschap van Christus en met het leven en de groei van
de Kerk. De priester is vader, broeder, vriend...; hij behoort anderen toe, is
bezit van de Kerk, die hij met bovenmatige liefde bemint en ten aanzien waarvan hij betrekkingen en rechten heeft
waarvan niemand anders de bewaarder kan zijn.15
«Jezus -zo onderrichtte Johannes Paulus ii
ter gelegenheid van een talrijke priesterwijding in Brazilië- vereenzelvigt ons
zodanig in de uitoefening van de machten die Hij ons heeft verleend, dat onze
persoonlijkheid als het ware zou verdwijnen
tegenover de zijne, want Hij is het die door middel van ons handelt.
?Door het sacrament van het priesterschap-zo heeft iemand treffend gezegd- is
de priester werkelijk in staat aan onze Heer zijn stem, zijn handen, zijn hele
zijn te lenen. Het is Jezus Christus die in
de heilige mis, met de woorden van de consecratie de substantie van
brood en wijn verandert in zijn lichaam, zijn
ziel, zijn bloed en zijn Godheid. (Vgl. Zalige J. Escrivá, De liefde tot
de Kerk, bl. 80)? En wij kunnen eraan toevoegen -vervolgde de paus-: Het is Jezus
zelf die in het sacrament van boete en verzoening het gezagsvolle en vaderlijke
woord uitspreekt: Uw zonden zijn u
vergeven (Mt 9,2; Lc 5,20; 7,48; vgl. Joh 20,23). En Christus
spreekt wanneer de priester, in de uitoefening van zijn ambt in naam en in de
geest van de Kerk, het woord van God verkondigt.
Christus zelf zorgt voor de zieken, de kinderen en de zondaars, wanneer
zij omringd worden door de liefde en herderlijke zorg van de gewijde
bedienaren.»16
De priesterwijding verleent de hoogste graad
van waardigheid die een mens kan ontvangen.
Door de wijding wordt de priester tot dienaar van God en uitdeler van
zijn goddelijke schatten.17 Deze schatten zijn
vooral de viering van de heilige mis, van
oneindige waarde, en de macht om zonden
te vergeven en de ziel weer de genade te schenken. Op velerlei wijzen
wordt de priester tot kanaal van de goddelijke genade. Bovendien wordt de
priester door zijn wijding tot bemiddelaar en ambassadeur tussen God en de
mensen, tussen de hemel en de aarde. Met één hand neemt hij de schatten van de
goddelijke barmhartigheid; met de andere deelt hij die uit aan zijn
medebroeders, de mensen.
De priester is een grootse weldaad voor de Kerk
en geheel de mensheid. Daarom moeten wij bidden, dat het nooit mag ontbreken
aan heilige priesters, dat dezen zich dienaren
voelen van hun broeders, de mensen, dat zij nooit de waardigheid en de
schat vergeten die God hun in handen heeft gelegd om deze edelmoedig aan de
overige leden van het volk Gods uit te delen. Terecht kan men zeggen dat «als
er een tijd is geweest waarin een priester een schouwspel is voor mensen en
engelen, dan is dat wel juist in deze tijd die zich voor ons opent.»18 Laten wij altijd voor hen blijven bidden.
-1. Jes 43,1. -2. Vaticanum ii, Dogm. const. Lumen gentium, 9.
-3. Vgl. Ex 19,5-6. -4. Vgl. Jes 43,20-21. -5. Vaticanum ii, loc.
cit. -6. 1 Pe 2,9-10. -7. 1 Pe 2,5. -8. Vgl. H. Jozefmaria Escrivá, Als
Christus nu langs komt, 87.
-9. Vgl. Johannes Paulus ii, Apost.
exhort. Christifideles laici, 30-XII-1988,
14. -10. Vgl. Idem, Enc.
Laborem exercens, 14-IX-1981,
5. -11. Vgl. C. Burke, Autoridad y libertad en la Iglesia, Madrid
1988, bl. 196. -12. Paulus vi, Apost. exhort. Evangelii nuntiandi, 8-XII-1975, 70. -13. C. Burke, o.c., bl. 203. -14. Vgl. Heb
5,1-4. -15. Vgl. A. del Portillo,
Escritos sobre el sacerdocio, Palabra,
Madrid 1970, bl. 81. -16. Johannes Paulus ii, Homilie 2-VII-1980. -17. Vgl. 1 Kor 4,1. -18. Kard. J. H. Newman, Preek bij de opening
van het Sint Bernardus seminarie, 2-X-1873.