Vijfentwintigste zondag door het jaar (C)
30. De kinderen van het licht
-De parabel van de onrechtvaardige rentmeester. -Gebruik
maken van alle wettige middelen ten dienste van God. -Menselijke en
bovennatuurlijke middelen.
30.1 In
de eerste lezing van de Mis van deze zondag gaat de profeet Amos tekeer tegen
de uitbuiting van de armen door gewetenloze woekeraars.1
Deze gewetenloze handelaars minachten de behoeftigen en maken hun geld
afhandig. Zij vervalsen de weegschaal en verkopen goederen die mankementen
vertonen. Zij drijven de prijzen op door tekorten uit te buiten... Zij weten heel
wat onrechtvaardige methoden te bedenken om hun zaken beter te laten lopen.
In het evangelie van vandaag vertelt de Heer de parabel van
de onrechtvaardige rentmeester die gedwongen wordt verantwoording af te leggen
tegenover zijn heer.2 De man denkt bij zichzelf:
Wat zal ik doen, nu mijn heer mij
het rentmeesterschap afneemt? Spitten kan ik niet en bedelen, daarvoor schaam
ik mij. Ik weet al wat ik ga doen, opdat ze mij na mijn ontslag als rentmeester
in hun huis opnemen. De rentmeester laat de schuldenaars van zijn
heer bij zich komen en stelt ieder een gunstige schikking toe. Tot de eerste
zei hij: Hoeveel zijt ge aan mijn
meester schuldig? Deze antwoordt: Honderd vaten olie. De rentmeester antwoordt: Hier hebt ge uw schuldbekentenis, ga
gauw zitten en schrijf: vijftig. Daarop vroeg hij nog een tweede
schuldenaar: En hoeveel zijt gij
schuldig? Hij antwoordt: Honderd maten tarwe. De rentmeester zegt hem: Hier hebt ge uw schuldbekentenis,
schrijf tachtig.
Wanneer de eigenaar ontdekt wat zijn rentmeester heeft gedaan,
geeft hij wat wrang commentaar op dit schrandere gedrag. En Jezus voegt eraan
toe, misschien met een bedroefde ondertoon: De kinderen van de wereld handelen onderling met meer
overleg dan de kinderen van het licht. De Heer heeft niet de
bedoeling de oneerlijkheid van deze beheerder, die zijn toekomst probeerde
veilig te stellen, te prijzen. «Waarom legde de Heer deze parabel voor?» vraagt
de heilige Augustinus. «Niet omdat deze dienaar een voorbeeld voor ons was om
na te volgen. Toch had de wereldwijze rentmeester een oog voor de toekomst. Zo
ook moet de christen deze vastberadenheid hebben om zijn eeuwige beloning
veilig te stellen. Zo niet, dan doet de rentmeester hem beschaamd staan.»3 De meester prees de schranderheid, de
besluitvaardigheid, de sluwheid en de vastberaden beslissing van de
rentmeester, die het beste wist te maken van een moeilijke situatie. Hij gaf
niet toe aan ontmoediging.
Wij zijn eraan gewend om mensen ongelofelijke offers te zien
brengen om hun stijl van leven of hun levensstandaard te verbeteren. Soms
worden wij verrast door de moeite die mensen willen doen om meer rijkdom, macht
of roem te verwerven. De media plaatsen vaak eerzuchtige mensen en hun
prestaties in het middelpunt van de belangstelling. Wel, wij christenen moeten
met evenveel geestdrift God dienen. Deze onderneming heeft zowel een materieel
als een geestelijk aspect. Op het materiële vlak zou onze samenleving een diepe
zorg moeten tonen voor de noden van de armen, die gestalte krijgt in onderwijs,
rechtvaardige lonen, zinvolle sociale uitkeringen en programma's die gericht
zijn op het welzijn van die samenleving. Op het geestelijke vlak moeten wij ons
heldhaftig inspannen om de hemel te bereiken. «Welke inspanningen getroosten de
mensen zich toch in aardse zaken; verlangen naar eer, naar rijkdom, zucht naar
zinnelijk genot! Mannen en vrouwen, rijken en armen, grijsaards, volwassenen,
jongeren en zelfs kinderen: ze zijn allemaal hetzelfde.
»Wanneer jij en ik ons dezelfde inspanning getroosten voor de
aangelegenheden van onze ziel, dan zullen we een levend en werkdadig geloof
hebben, en zullen er in ons apostolisch werk geen hindernissen zijn die wij
niet kunnen overwinnen.»4
30.2 Soms
lijkt het alsof de kinderen van deze wereld met meer vastberadenheid hun
doeleinden nastreven dan wij, christenen. Zij leven alsof alleen het aardse
bestaat, en zij richten vastberaden hun aandacht uitsluitend daarop. De Heer
wil, dat wij ons geheel inzetten voor zijn belangen -persoonlijke heiligheid en
apostolaat- met minstens dezelfde vastberadenheid als die waarmee anderen zich
inzetten voor wereldse zaken. Jezus wil dat wij echte belangstelling hebben
voor zijn zaken. Dit is het enige doel dat echt de moeite waard is. Geen enkel
ideaal valt te vergelijken met het ideaal Christus te dienen, de talenten te
gebruiken die ons gegeven zijn als middelen om de altijddurende zaligheid te
bereiken.
Aan het einde van de parabel herinnert de Heer ons aan een
onontkoombaar feit: Geen knecht
kan twee heren dienen, want hij zal de een haten en de ander liefhebben, ofwel
de een aanhangen en de ander verachten. Gij kunt niet God dienen en ook de
mammon. Wij hebben slechts één Heer. Wij moeten Hem dienen met
geheel ons hart, met de natuurlijke gaven die Hijzelf ons heeft gegeven, en
ieder wettig middel gebruiken gedurende ons hele leven. Wij moeten alles naar
Hem richten: ons werk, onze plannen, onze vrije tijd, zonder iets terug te
houden. De oprechte christen geeft niet een deel van zijn aandacht aan God en
een ander deel aan de zaken van deze wereld. Hij moet zich volledig inzetten
ten dienste van God en de naasten middels een oprechte intentie,
rechtvaardigheid en naastenliefde.
Teneinde een goed beheerder te zijn van de talenten die hij
heeft ontvangen, moet de christen weten hoe hij zijn daden op een verstandige
manier moet richten op het algemeen welzijn. Hij moet beginnen met of meewerken
aan initiatieven die zich richten op de dienst aan anderen. Ongetwijfeld zijn
deze activiteiten meer waard dan de meest bloeiende en 'winstgevende' zakelijke
ondernemingen. Het zijn de leken «die moeten worstelen met de kwesties die in
verband staan met de tegenwoordigheid van de Kerk in de wereld: opvoeding, de
bescherming van het leven, de bescherming van het milieu, de
godsdienstvrijheid, het doeltreffend uitdragen van de christelijke boodschap in
de media. De lekengelovigen moeten hun volledige rol als burgers spelen met
alle wettige middelen voor sociale ontwikkeling. Christenen moeten hun stem
laten horen. En zij moeten zorgen dat hun billijke eisen de overhand krijgen.»5
We kunnen niet toestaan, dat geld onze god wordt, of dat het
doel van ons leven wordt: het vergaren van zoveel mogelijk goederen en het
grootst denkbare comfort. God roept ons tot een bestemming die alles overtreft.
Wij moeten werken «met vernieuwde geestdrift en energie om weer heel te maken
wat vernietigd is door de cultuur van genotzucht en materialisme. Laten wij
nieuw leven geven aan de overblijfselen van de christelijke cultuur, die nog
steeds aanwezig zijn. De uitdaging is echter niet om de wortels te versterken.
In veel gevallen, op al te veel plaatsen, is het de uitdaging om van de grond
af te beginnen, praktisch vanuit het niets. Dit verklaart waarom we vandaag de
dag zeggen, dat wij bezig zijn met een 'nieuwe' evangelisatie.»6 Johannes Paulus ii heeft deze uitdaging samengevat met deze treffende
woorden: «God houdt van de mensheid! Deze zeer eenvoudige en toch zo diepe
verkondiging heeft de mensheid te danken aan de Kerk. De woorden en het leven
van iedere christen moeten deze verkondiging doen weerklinken.»7 «De Meester heeft het al gezegd: och was het maar
zo, dat wij, de kinderen van het licht, in het doen van het goede tenminste
evenveel energie en onverzettelijkheid steken als waarmee de kinderen der
duisternis zich aan hun werken wijden. -Beklaag je niet: werk daarentegen om
het kwaad te verstikken met een overvloed aan goed.»8
30.3 Ofschoon
het de genade is die het innerlijk bekeert, wilde de Heer toch dat wij menselijke
middelen gebruiken bij het apostolaat. De heilige Thomas van Aquino leert9 dat wij God zouden tarten als wij nalieten te doen
wat wij kunnen -en zouden verwachten dat alles door de Heer gedaan wordt. Deze
grondgedachte is zeker van toepassing op het apostolaat, waar de Heer van zijn
leerlingen een wijze, doeltreffende en volledige samenwerking verwacht. Wij
zijn geen logge werktuigen. Samen met de bovennatuurlijke middelen moeten de kinderen van het licht ook
hun menselijke mogelijkheden benutten, hun vernuft en hun enthousiasme om
iemand voor Christus te winnen. Voor apostolaatswerken op terreinen als vorming
en onderwijs zijn ook materiële middelen nodig, zoals de Heer zelf tot zijn
leerlingen zei: Toen Ik u uitzond
zonder beurs, reiszak of schoeisel, hebt ge toen aan iets gebrek gehad?
Zij antwoordden: Aan niets.
Hij hernam: Maar nu moet wie een
beurs heeft, die meenemen en eveneens een reiszak: en wie die niet bezit,
verkope zijn mantel en schaffe zich een zwaard aan.10 Bij vele gelegenheden verkoos Jezus aardse middelen
te gebruiken zoals een paar stukken brood en wat vis, een handvol klei, de
goederen die door een aantal vrome vrouwen verschaft waren...
Het is duidelijk dat de apostolische zending onze eigen
bekwaamheden en capaciteiten en menselijk vermogen te boven gaat. Daarom zullen
wij de bovennatuurlijke middelen niet terzijde leggen, alsof zij pas op de
tweede plaats komen. Wij hebben ons vertrouwen niet gesteld op onze
persoonlijke gaven of werklust, of op een van de andere middelen die een
apostolisch werk ondersteunen. Onze hoop steunt op goddelijke genade. Wij kunnen
ervan verzekerd zijn, dat God ongelofelijke wonderen kan verrichten met
ontoereikende middelen. Laten wij geloven in de kracht van zijn genade en nooit
ontmoedigd worden door belemmeringen. «Laat je door gebrek aan instrumenten er
niet van weerhouden je plannen door te zetten: begin maar zo goed als je kunt.»11 Laten wij Jezus vragen, dat Hij geeft wat wij te
kort komen.
«Ik had plezier in je felheid. Toen je gebrek had aan
materiële middelen voor je werk en geen hulp van anderen had, merkte je op: Ik
heb maar twee armen aan mijn lichaam, maar soms ben ik zo ongeduldig dat ik een
vijfarmig monster zou willen zijn om meer te kunnen zaaien en oogsten'. -Bid de
Heilige Geest om zo'n grote effectiviteit... Hij zal je die geven!»12
-1. Vgl. Am
8,4-7. -2. Lc
16,1-13. -3. H. Augustinus, Preek 359, 9-11. -4. H. Jozefmaria Escrivá, De Weg, 317. -5. Kard. A. Suquía, Toespraak
tot de Spaanse Bisschoppenconferentie, 19 februari 1990. -6. Ibidem. -7. Johannes Paulus ii, Apost.
exhort. Christifidelis laici, 30
december 1988, 34. -8. H. Jozefmaria
Escrivá, De
Smidse, 848. -9. H. Thomas
van Aquino, Summa
Theologiae, II-II, q53, a1, ad 1. -10. Lc 22,35-36. -11. Vgl. H. Jozefmaria Escrivá, De Weg, 488. -12. Idem, De Voor, 616.
|