Negenentwintigste zondag door het jaar (C)
3. De kracht van gebed
-Vertrouwvol en volhardend bidden. -Volharding
in het gebed. De parabel van de onrechtvaardige rechter. -Gebed als direct
gevolg van geloof.
3.1 Heer, ik roep U aan, want bij U vind ik verhoring. Luister naar mij,
hoor wat ik zeg. Waak over mijn leven, het licht van mijn ogen; wees mijn
toevlucht en mijn beschermer.1 Dit is de introïtus voor de Mis van
vandaag.
De teksten van de liturgie van vandaag richten
onze aandacht op de kracht van vertrouwvol en volhardend gebed om het hart van God te bereiken. Op deze
plaats in het evangelie voorziet de heilige Lucas de parabel van een
uitleg om de bedoeling van Christus duidelijk te maken: Hij leerde hun in een gelijkenis dat zij steeds
moesten bidden en daarin niet versagen.2 In het bovennatuurlijk leven zijn er
handelingen die voor eens en altijd worden verricht, zoals de doop en de
priesterwijding. Andere handelingen kunnen vele malen worden herhaald en
andere moeten voortdurend in praktijk gebracht worden. Hieronder vallen de
geest van gebed, die een teken is van een levend geloof in God de Vader. De
heilige Augustinus merkte bij deze passage uit de bijbel nadrukkelijk op, dat er een nauw verband is tussen geloof en
vertrouwvol gebed: «Als het geloof van iemand zwakker wordt, kwijnt het
gebed... Het geloof is de bron van het gebed... Een rivier kan niet stromen als
zijn bron verdroogd is.»3 Wij dienen voortdurend
en vol vertrouwen te bidden, zoals Jezus, ons voorbeeld, deed: Vader, Ik dank U dat Gij Mij verhoord hebt. Ik wist
wel dat Gij Mij altijd verhoort.4 God luistert altijd naar onze gebeden.
De eerste lezing uit het boek Exodus stelt ons
de scène voor van het uitverkoren volk dat in strijd gewikkeld is met de Amalekieten
te Refidim.5 Mozes besluit om tot God te bidden
op de top van een heuvel terwijl Jozua en zijn manschappen strijd leveren tegen
de vijand. En zolang Mozes zijn armen
opgeheven hield, waren de Israëlieten aan de winnende hand. Maar liet hij zijn
armen zakken dan won Amalek. Om Mozes aan het
bidden te houden ondersteunden Aäron en Chur zijn armen, ieder aan een kant. Zo
konden zij Mozes laten bidden tot zonsondergang. En Jozua versloeg Amalek en zijn leger met het zwaard.
Wij kunnen het bidden niet moe worden. Als we
er ooit genoeg van zouden krijgen, laten we dan onze vrienden vragen om ons te
ondersteunen. De Heer schenkt ons veel genade in tijden van beproeving. Deze
genadegaven zijn noodzakelijker en belangrijker dan de gaven waarom wij vragen.
De heilige Alfonsus van Liguori leert: «De Heer wil ons zijn genade schenken,
maar Hij wil ook, dat wij erom vragen. Op zekere dag zei Hij tot zijn leerlingen:
Tot nu toe hebt gij niets gevraagd in
mijn Naam; vraagt en gij zult verkrijgen, opdat uw vreugde volkomen zij. Het was alsof Hij wilde zeggen: Beklaag je niet bij Mij als je niet
vervuld wordt van zegeningen. Beklaag je bij jezelf, omdat je niet bij Mij geprobeerd
hebt te verkrijgen wat je nodig hebt. Vraag Mij van nu af en je gebeden zullen
worden verhoord.»6 De heilige Bernardus heeft opgemerkt,
dat veel mensen zich zo beklagen en zeggen dat de Heer hen in de steek laat.
Jezus zelf echter klaagt, dat dezelfde klagers niet echt om zijn hulp hebben
gevraagd.7 Laten wij besluiten te bidden zoals
Mozes dat deed: met een volharding die door niets aan het wankelen kon worden
gebracht, en soms met hulp van zijn vrienden als dat nodig was. Er hangt erg
veel af van onze toewijding.
Laten wij vandaag de kwaliteit van ons gebed
onderzoeken. Is het volhardend, vol vertrouwen, aandringend en onvermoeibaar?
«Wees volhardend in het gebed, zoals de Meester aanraadt. Dit uitgangspunt zal
de oorsprong zijn van je vrede, van je kalmte, en daardoor van je bovennatuurlijke
en menselijke energie.»8 Er is niets dat zo
krachtig en doeltreffend is als standvastig gebed.
3.2 Wij bidden in de tussenzang: Omhoog naar de bergen richt ik mijn ogen: vanwaar
kan ik hulp verwachten? Mijn hulp zal komen van God de Heer, die hemel en aarde
gemaakt heeft.9
De parabel in het evangelie van vandaag
confronteert ons met duidelijk verschillende persoonlijkheden. Aan de ene kant
is er de onrechtvaardige rechter, die
zich om God noch gebod bekommerde. Hij beoefent
niet de twee wezenlijke elementen van de deugd van rechtvaardigheid. De profeet
Jesaja had al over zulke mensen gesproken in het Oude Testament: Aan wezen schaffen zij geen recht en de zaak van
weduwen krijgt bij hen geen gehoor10 ... die voor een geschenk de schuldige in het gelijk stellen en de rechtvaardige
van zijn recht beroven.11 Jeremia verwijst ook naar dergelijke mensen: Zij zijn door en door verdorven. Ze verkrachten het
recht; ze komen niet op voor de wezen; de zaak van de armen behartigen zij
niet.12
De Heer stelt de onrechtvaardige rechter
tegenover de weduwe, het oude symbool voor de persoon die niet voor zichzelf
kan opkomen. Of nog duidelijker: de onvermoeibare volharding van de weduwe
staat tegenover de vastberaden weerstand van de onrechtvaardige rechter. De
onverwachte afloop van de parabel is het resultaat van het onophoudelijk vragen
van de arme weduwe. Na vele weigeringen om haar zaak te aanhoren, geeft de
rechter uiteindelijk toe. En op deze wijze heeft de zwakste partij gewonnen. De
reden voor haar overwinning is niet, dat de rechter zich ook maar enigszins
bekeerd heeft. De weduwe heeft gewoon de weerstand van de rechter uitgeput,
door niet op te houden met vragen, totdat hij toegaf. De Heer besluit de
parabel met deze woorden: Zou God dan
geen recht verschaffen aan zijn uitverkorenen, die dag en nacht tot Hem roepen
en naar wie Hij genadig luistert? Ik zeg u: Hij zal hun spoedig recht
verschaffen. Jezus wil dat wij de voornaamste
boodschap van de parabel opmerken: God, die vol van barmhartigheid is, wacht op
ons standvastig gebed.
Tot aan het einde der tijden zal de Kerk een
voortdurend smeekgebed tot God de Vader richten door Jezus Christus in eenheid
met de Heilige Geest. De Kerk bidt voor alle noden van haar kinderen. Dat is de
eerste verantwoordelijkheid van de Kerk, de voornaamste plicht van de
priesters. Dat is het belangrijkste wat wij, de gelovigen, tot stand kunnen
brengen omdat ook wij ons niet zelf kunnen verdedigen, zoals de weduwe uit de
parabel.
Aan het slot van de parabel voegt Jezus de
volgende woorden toe: Maar: zal de
Mensenzoon bij zijn komst het geloof op aarde vinden? Zal de Heer geloof vinden dat even onwankelbaar is als dat van de
weduwe? Dat is het geloof van de kinderen van God in de goedheid en macht van
hun hemelse Vader. De mens kan ertoe komen God uit zijn leven te bannen. Hij
kan het gevoel hebben, dat hij God niet nodig heeft. Hij kan proberen de
oorzaken en oplossingen te zoeken voor die levensproblemen waarvoor alleen God
de bevredigende antwoorden kan verschaffen. Deze mensen zullen nooit de
goederen vinden waar zij het meest behoefte aan hebben. Zoals de Maagd Maria in
het Magnificat verkondigde: Die
hongeren overlaadt Hij met gaven en rijken zendt Hij heen met lege handen.13 Wij moeten als
behoeftige kinderen naar Hem toe gaan. Natuurlijk moeten wij ook gebruik maken
van alle menselijke middelen die nodig zijn in de gegeven omstandigheden. Maar
voor vele zaken zullen wij ontdekken dat alleen de goddelijke barmhartigheid
echt werkt. De heilige pastoor van Ars vertelde dikwijls het verhaal van de
stichter van een weeshuis die erover dacht om advertenties te gebruiken om
schenkingen te krijgen. De heilige raadde de stichter het volgende aan: «Waarom
houdt u geen verhaal voor het tabernakel in plaats van er ruchtbaarheid aan te
geven in de kranten?» De Heer wil, dat wij onze zorgen precies dáár voor Hem
neerleggen. Natuurlijk is er niets op tegen, dat wij ook adverteren in de
kranten, als dat kan helpen.
Door de eeuwen heen zijn christenen ertoe
aangezet hun vragen tot God te brengen door hun Moeder Maria. De heilige Bernardus
leert dat «onze voorspreekster in de hemel werd opgenomen, zodat zij de moeder
van de Rechter werd en de moeder van de Barmhartigheid. Daar zal zij werken aan
onze redding.»14 Laten wij iedere dag naar haar
gaan met onze noden.
3.3 Gebed is het directe gevolg van een
levend geloof. Tegelijkertijd vinden wij in het gebed een grotere zekerheid in
ons geloof.15 Beide hebben hetzelfde doel.
Daarom kan alles waarom wij vragen, ons helpen om betere mensen te worden. Als
dit niet zo was, zouden wij niet vromer worden maar hebzuchtig en eerzuchtig.16 Wanneer wij tot God bidden om een nieuw huis of
voor hulp bij een belangrijk examen, kunnen wij overwegen of dit verzoek in
overeenstemming is met Gods wil, of niet. Wij kunnen bidden om bepaalde
goederen, voor de gezondheid van een vriend of om uit een lastige situatie te komen...
Maar toch, als wij uit ons geloof leven, als wij een leven uit één stuk hebben,
dan zullen wij een dieper begrip hebben voor het betrekkelijke belang van
materiële goederen en menselijke wensen. Wat wij werkelijk wensen is tenslotte
God zelf. Hij is het uiteindelijke doel van onze gebeden. Wanneer wij bidden om
aardse zaken, zouden wij alleen moeten wensen wat ons dichter bij Hem brengt.
God is heel blij met onze gebeden om
geestelijke hulp, zowel voor onszelf als voor onze familie, onze vrienden en bekenden.
Wij kunnen bidden voor onze naasten, dat zij dichter bij God komen. Hoeveel
zijn wij onze familie en vrienden verschuldigd! «Ik heb ooit de hand van een
vriend bezeerd. Toen ik zag, dat zijn blik zo verdrietig en verwijtend was,
vreesde ik, dat U niet in zijn hart was. En ik voelde mij verbijsterd alsof ik
voor een leeg tabernakel stond.
»O mijn God, als U niet in hem zou zijn, dan
zouden mijn vriend en ik zo ver van elkaar verwijderd zijn. Zijn hand in de
mijne zou niets meer zijn dan het aanraken van vlees, zijn hart slechts het
hart van een mens.
»Ik verlang er sterk naar, dat uw leven in hem
en in mij moge zijn. Dit wil ik zo graag omdat ik ernaar verlang, dat mijn
vriend ook mijn broeder is, dankzij U.»17
Laten wij gebruik maken van deze rozenkransmaand
en tot Onze Lieve Vrouw bidden voor al onze noden en voor de noden van onze
vrienden en bekenden.
-1. Introïtus, Ps 17,6-8 . -2. Lc 18,1-8. -3. Vgl. H. Augustinus, Preek 115,1. -4. Joh 11,41-42. -5. Ex 17,8-13. -6. H. Alfonsus van Liguori, Preek 46 voor de tiende zondag na Pinksteren. -7. Vgl. H. Bernardus, Preek 17 over verschillende onderwerpen. -8. H. Jozefmaria Escrivá, De
Smidse, 536. -9. Tussenzang, Ps 121,1-2. -10. Js 1,23. -11. Js 5,23. -12. Jr 5,28. -13. Lc 1,53. -14. H. Bernardus, Preek I over Maria Tenhemelopneming, I. -15. H. Augustinus, Stad Gods, 1,8,1. -16. Ibidem. -17. Vgl. M. Quoist, Prières.
|