Achttiende week. Zaterdag
36. De kracht van het Geloof
-Geloof is in staat bergen te verzetten. De grootste
wonderen gebeuren dagelijks in de Kerk. -Hoe groter de hindernissen, hoe groter
de genade. -Geloof met daden.
36.1 Uit de grote menigte die Jezus' aankomst opwachtte, kwam een man naar
voren die zich voor Hem op zijn knieën wierp en sprak: Heer, ontferm U over mijn
zoon...1 De houding en woorden van deze vader tonen aan dat zijn gebed nederig
is. Hij doet geen beroep op de macht van Jezus, maar op zijn medelijden. Hij
brengt zijn eigen verdiensten niet in het geding noch biedt hij iets van
waarde. Hij kijkt naar Jezus' barmhartigheid.
Vragen naar het barmhartige hart van Christus betekent altijd
gehoord worden: de man zijn zoon zou worden genezen hoewel toch de apostelen
eerder niet in staat waren hem te genezen. Later, alleen, vroegen de leerlingen
de Heer waarom zij de bezeten jongen niet konden genezen. Hij sprak tot hen: Om uw gebrek aan geloof.
Voorwaar, Ik zeg u: wanneer gij een geloof bezit, ook al is dit klein als een
mosterdzaadje, dan kunt ge tot deze berg zeggen: Verplaats u van hier naar
daar, en hij zal zich verplaatsen. Niets zal u onmogelijk zijn.
Als wij echt leven uit geloof, nemen wij deel aan Gods
almacht. Aldus zou de Heer op een andere keer zeggen: Wie in Mij gelooft, zal ook de werken doen die Ik
doe. Ja, grotere dan die zal hij doen, omdat Ik naar de Vader ga. En wat gij
ook zult vragen in mijn Naam, Ik zal het doen, opdat de Vader moge verheerlijkt
worden in de Zoon. Als gij Mij iets zult vragen in mijn Naam, zal Ik het doen.2 En de heilige Augustinus merkt op: «Hij die in mij
gelooft is niet groter dan ik; maar ik zal dan grotere dingen doen dan die ik
nu doe. Ik zal meer doen door hem die in mij gelooft, dan wat ik nu op mijzelf
doe.»3
De Heer vertelde de apostelen in deze passage van het
evangelie van vandaag dat zij in staat zouden zijn 'bergen te verzetten', een
uitdrukking die spreekwoordelijk is geworden. Dit -en meer- wordt elke dag in
de Kerk vervuld. Sommige Kerkvaders wijzen erop dat 'bergen worden verzet' als
iemand -met behulp van genade- bereikt wat menselijke kracht alleen niet kan
bereiken. Dat is het geval met het werk van onze persoonlijke heiliging dat de
Heilige Geest in onze ziel en in het apostolaat verricht. Hoewel het
onopgemerkt plaatsheeft, is dit werk veel prachtiger dan het verplaatsen van
bergen, en wordt het dagelijks in de levens van veel heilige zielen verricht.
De apostelen en andere heiligen hebben door de eeuwen heen
ook prachtige wonderen verricht op lichamelijk vlak; maar de grootste en
belangrijkste wonderen zijn geweest, zijn en zullen zijn die van zielen die
ondergedompeld waren in de dood van de zonde, in onwetendheid of geestelijke
middelmatigheid. Zij zijn herboren en groeien op in het nieuwe leven van de
zonen van God.4 «Si habueritis fidem, sicut granum sinapis! Als je
een geloof had zo groot als een mosterdzaadje! Hoeveel beloften
houdt de uitroep van de Meester niet in!»5,
beloften voor ons innerlijk leven, voor het apostolaat, voor alles wat wij
nodig hebben...
36.2 Heer, waarom hebben wij hem niet
kunnen uitdrijven? Waarom konden wij geen goed doen
in uw naam? De heilige Marcus6 en vele
geschriften die deze tekst optekenen, voegen deze woorden van de Heer eraan
toe: Dit soort kan
door niets anders uitgedreven worden als door bidden en vasten.
De apostelen konden deze bezeten jongeman niet bevrijden
omdat zij het vereiste geloof misten, een geloof dat in gebed en versterving
had moeten worden getoond. Ook wij kunnen mensen tegenkomen voor wie deze middelen
nodig zijn om hen wakker te schudden uit de machteloosheid van de zonde of
godsdienstige onwetendheid... Iets dergelijks gebeurt met verschillende
metalen: zij smelten bij verschillende temperaturen. Het verharde innerlijk van
sommige zielen -misschien meer verstokt in slechte gewoonten- vereist
krachtiger bovennatuurlijke middelen. Laten wij deze zielen niet verloren laten
gaan in hun lusteloosheid door gebrek aan gebed en vasten.
De Heer leert ons dat geloof zo klein als een mosterdzaadje
in staat is bergen te verzetten. Laten wij tijdens deze dag en deze tijd van
gebed om dat geloof vragen dat ons in staat stelt de bovennatuurlijke en
menselijke middelen edelmoedig te gebruiken. Dit is het wapen dat de wereld overwint: ons geloof.7 «Met dit geloof zullen de bergen -de meest
schrikbarende hindernissen die wij op onze weg tegen kunnen komen- voor ons
ineenzakken, omdat God geen veldslagen verliest. Wandel dan 'in nomine Domini',
met vreugde en zekerheid in de naam van onze Heer. Zonder pessimisme! Als er
moeilijkheden komen, zal Gods genade overvloedig zijn. Als er meer
moeilijkheden komen, zal uit de hemel zelfs meer genade van God op ons
neerdalen. Als er veel moeilijkheden zijn, kunnen we rekenen op een des te
grotere toevloed van genade. Goddelijke bijstand is evenredig aan de hindernissen
die de wereld en de duivel tegen het apostolische werk oprichten. Daarom durf
ik te bevestigen dat moeilijkheden goed zijn, omdat daar waar zij bestaan wij
meer bijstand van God zullen hebben: Waar de zonden heeft gewoekerd, werd de genade mateloos (Rom
5,20).»8
De grootste hindernissen voor de wonderen die de Heer zelfs
vandaag -met onze hulp- in de zielen wenst te doen, komen vooral van onszelf.
Met een menselijke visie kunnen wij de vergezichten versmallen die de Heer
voortdurend opent in de levens van onze vrienden en bekenden, verwanten en
collega's.
Wij mogen in het apostolaat nooit denken dat iemand 'een
hopeloos geval' is. Zoals de heiligen hebben aangetoond, bestaat het woord
'onmogelijk' niet in het woordenboek van iemand die echt leeft uit het geloof.
«God is altijd dezelfde. Mannen van geloof zijn nodig: dan zullen opnieuw de
wonderdaden gebeuren waarover we in de heilige Schrift lezen. Ecce non est abbreviata manus
Domini. De arm van God, Zijn macht, is niet verkort!»9 Zelfs vandaag doet Hij dezelfde wonderen als Hij
toen deed.
36.3 «Christus stelt als voorwaarde, dat we uit het geloof leven: dan zullen
we bergen kunnen verzetten. Er moet nog zoveel verzet worden... in deze wereld
en allereerst in ons hart. Zoveel hinderpalen voor de genade! Geloof dus;
geloof en daden, geloof en offervaardigheid, geloof en nederigheid. Want door
het geloof worden we schepselen die alles kunnen. En al wat gij in vertrouwvol gebed zult vragen, zult
gij verkrijgen (Mt 21,22).»10
Geloof moet dagelijks in praktijk gebracht worden. Estote factores verbi et non
auditores tantum -Weest doeners van het Woord en niet alleen toehoorders.11 Voer in je leven het woord van God uit; beperk je
er niet toe er alleen maar naar te luisteren of het te erkennen, roept de
apostel Jakobus op. Dit is niet genoeg. Het is noodzakelijk die waarheden te
leven, ze te vervullen. Geloof behoort een leven van geloof voort te brengen
dat een getuigenis is van vriendschap met Jezus Christus. Wij moeten God
naderen met ons leven, ons werk, ons verdriet en vreugde... met alles!12
Het gebeurt al te vaak dat moeilijkheden ontstaan of
overdreven worden door gebrek aan geloof. Door een onzuivere bedoeling kunnen
wij te veel letten op bijkomstigheden of overdreven voorzichtig zijn. «Er is
niets -hoe eenvoudig ook- dat onze lauwheid ons voorspiegelt als moeilijk en
prijzig. Daarentegen, er is niets -hoe moeilijk en kostbaar ook- dat onze
vurigheid en vastberadenheid niet aan ons zal presenteren als aangenaam en
plezierig.»13
Een leven van geloof zal ons leiden tot een gezond
'meerwaardigheidscomplex', geboren uit een diepe persoonlijke nederigheid
omdat, zoals de heilige Augustinus zegt: «geloof behoort aan de nederigen, niet
aan de trotsen.»14 Geloof is het gevolg van de
diepe overtuiging dat je doeltreffendheid geheel van God komt, niet van jezelf.
Dit vertrouwen brengt de christen ertoe de hindernissen die hij in zijn ziel of
in zijn apostolaat kan tegenkomen, tegemoet te treden met een 'wil om te
winnen', zelfs als de vruchten van zijn inspanningen misschien lang op zich
laten wachten. Met gebed en versterving, met vriendschap en vreugde, zullen we
die grote wonderen in de zielen tot stand kunnen brengen. We zullen in staat
zijn bergen te verzetten,
barrières neer te halen, vrienden tot verzoening met God in de biecht brengen,
mensen helpen de weg terug te winnen die naar God leidt. Het geloof dat ons
bergen doet verzetten, wordt gevoed in een innige relatie met Jezus, in gebed
en in de sacramenten.
Onze Moeder Maria zal ons laten zien hoe wij met geloof,
liefde en durf vervuld zullen worden op de weg die de Heer voor ons in de
wereld heeft uitgestippeld. Zij is dat «goede instrument, volledig één met de
ontvangen zending. Zodra zij Gods plannen verneemt, maakt ze die zich eigen.
Haar plannen zijn niet iets toegevoegds. In de precieze vervulling van deze
plannen maakt zij volledig gebruik van haar verstand en wil, en al haar
krachten. Zij is nooit een willoze marionet: noch wanneer zij met vreugde door
de bergen van Judea op weg gaat om haar nicht Elizabeth te bezoeken; noch
wanneer zij, uit echt moederlijk plichtsbesef, het Kind Jezus zoekt en in de
tempel van Jeruzalem vindt; noch wanneer zij het eerste wonder van de Heer
inleidt; noch wanneer zij verschijnt -zonder te worden geroepen- aan de voet
van het Kruis waarop haar Zoon sterft... Door te zeggen: 'Mij geschiede naar uw
woord' stelt zij vrijwillig haar hele persoon ter beschikking voor de
vervulling van haar roeping. Deze roeping komt haar niet vreemd voor: Gods
belangen zijn haar eigen belangen. Zij loopt niet het risico dat haar plannen
een hindernis zouden kunnen vormen voor de plannen van God; haar plannen zijn
volmaakt met de Zijne vereenzelvigd.»15
-1. Mt
17,14-20. -2. Joh
14,12-14. -3. H. Augustinus, Commentaar op het evangelie van
Johannes, 72,1. -4. The Navarre Bible, in loc.
-5. H. Jozefmaria Escrivá, De Weg, 585. -6. Mc 9,29. -7. 1 Joh 5,4. -8. A. del Portillo, Brief, 31 mei 1987, 22. -9. H.
Jozefmaria Escrivá, De Weg, 586. -10. Idem, Vrienden van God, 203. -11. Jak 1,22. -12. P. Rodríguez, Fe y vida de fe.
-13. H. Johannes Chrysostomus, De compunctione,
1,5. -14. H. Augustinus, Catena aurea, vol
VI, bl. 297. -16. J.M. Pero-Sanz, La hora sexta,
Madrid, 1978.
|