Drieëndertigste week. Zaterdag
45. De kuisheid liefhebben
-Zonder zuiverheid is liefde onmogelijk. -Huwelijkse
kuisheid en maagdelijkheid. -Apostolaat met betrekking tot deze deugd. Middelen
om haar te bewaren.
45.1 De Sadduceeën, die de verrijzenis van
de doden loochenden, kwamen Jezus een
kwestie voorleggen die volgens hen zou aantonen hoe absurd de waarheid was die
algemeen door de rest van het joodse volk werd aangenomen.1 Volgens de joodse wet2 had, indien een man zonder kinderen kwam te
overlijden, diens broer de plicht met de weduwe te huwen om aldus nakomelingen
voor zijn overleden broer te verwekken. De
gevolgen van deze wet boden een ogenschijnlijk krachtig argument tegen
de verrijzenis van de lichamen. Want als zeven broers achtereenvolgens gestorven
waren zonder afstammelingen na te laten, van wie van hen is zij dan bij de verrijzenis de vrouw?
De Heer antwoordde met citaten uit de Heilige
Schrift en bevestigde andermaal de verrijzenis van de doden. Door te onderrichten
welke hoedanigheid de verrezen lichamen zouden bezitten, ontzenuwde Hij het
argument van de Sadduceeën. Hun tegenwerping toonde op zichzelf aan hoe groot
hun onwetendheid was inzake Gods macht om de lichamen van man en vrouw te
verheerlijken tot een toestand gelijk aan die der engelen, die zich vanwege hun
onsterfelijkheid niet behoeven voort te planten.3
De voortplantingsdaad beperkt zich tot enige jaren binnen deze aardse etappe
van de mens om de opdracht tot verbreiding van de soort te vervullen, maar
vooral om het aantal uitverkorenen voor de hemel te vermeerderen. Dit leven is
slechts een doortocht naar de hemel.
Door middel van de
deugd van de kuisheid of zuiverheid wordt het
voortplantingsvermogen geleid door de rede en gericht op de procreatie en de
vereniging van de echtelieden binnen het huwelijk. De seksuele drang wordt
zodoende binnen de orde geplaatst die God in de schepping heeft gewild,
ofschoon soms -vanwege de diepe wanorde die in de menselijke natuur is
binnengeslopen door toedoen van de erfzonde en de persoonlijke zonde- een
ascetische strijd nodig is om deze ordening te handhaven.
De deugd van de
kuisheid leidt eveneens tot het beleven van zuiverheid van
geest en hart: tot het vermijden van die
gedachten, hartstochten en verlangens die van de liefde van God verwijderen,
overeenkomstig de eigen roeping.4 Zonder
kuisheid is de menselijke liefde en ook de liefde tot God onmogelijk. Als
iemand zich niet meer inzet om deze reinheid van lichaam en ziel te bewaren,
levert hij zich over aan de dwingelandij van
de zintuigen en verlaagt hij zich tot een beneden-menselijk niveau: «het
lijkt wel of je 'geest' verminderd is, kleiner geworden, tot er nog maar een puntje over is. En je lichaam wordt groter,
reuzegroot, tot het allesoverheersend is.»5
Dan is de mens niet meer bij machte de vriendschap met de Heer te verstaan. In
de vroegste tijden te midden van een hedonistische heidense omgeving, waarschuwde de Kerk de christenen met
kracht voor «de genoegens van het vlees, die als wrede tirannen eerst de
ziel tot onzuiverheid verlagen en haar vervolgens machteloos maken voor de
heilige werken van de deugd».6 Zuiverheid stelt
de ziel in staat om de goddelijke liefde te ontvangen, om apostolaat te
verrichten.
45.2 Kuisheid is niet alleen maar het
afzien van de zonde. Het is niet iets negatiefs: «niet kijken», «niet doen»,
«niet willen». Kuisheid is de overgave van het hart aan God, fijnzinnigheid en
tederheid jegens de Heer, een «blijde bevestiging.»7
Het is een deugd voor iedereen, die men volgens de eigen status moet beleven.
In het huwelijk leert de kuisheid de echtelieden om elkaar wederkerig te
eerbiedigen en elkaar steeds meer, verfijnder en duurzamer te beminnen. «De
liefde bewerkt dat de betrekkingen van de echtgenoten weliswaar vleselijk blijven,
maar zich ook, om het zo uit te drukken, bekleden met de adel van de geest en
de hoogte van de waardigheid van de mens bereiken.
De gedachte dat de seksuele vereniging bestemd is tot het verwekken van
nieuw leven, heeft een grote betekenis, maar de lichamelijke vereniging wordt
pas werkelijk veredeld als zij voortkomt uit de liefde en de uitdrukking van de
liefde is [...]. Wanneer het seksuele volledig losgemaakt wordt van de liefde en
omwille van zichzelf wordt gezocht, dan verliest de mens zijn waardigheid en
ontheiligt hij ook de waardigheid van de ander.
»Een krachtige liefde, vol tederheid, is
derhalve een van de beste waarborgen en vooral een van de diepste oorzaken van
de zuiverheid in het huwelijk.
»Maar
er is nog een hogere reden. De kuisheid is, zo zegt
ons de heilige Paulus, een 'vrucht van de Geest' (vgl. Gal 5,23), dat wil
zeggen, een gevolg van de goddelijke liefde. Om de zuiverheid in het huwelijk
te bewaren is niet alleen een tedere liefde nodig, vol eerbied voor de ander,
maar vooral een grote liefde tot God. De christen die Jezus Christus wil leren
kennen en liefhebben, vindt in die liefde een krachtige prikkel voor zijn
kuisheid. Hij weet dat de zuiverheid hem op een bijzondere wijze nader tot
Jezus Christus brengt, en dat de nabijheid van God, zoals die is beloofd aan
hen die het hart zuiver bewaren (vgl. Mt 5,8), de voornaamste waarborg is voor
diezelfde zuiverheid.»8
Kuisheid is niet de eerste of belangrijkste
deugd, en men kan het christelijk leven niet terugbrengen tot kuisheid. Maar
zonder kuisheid is er geen liefde, en liefde is wel de eerste deugd, die
bovendien haar volheid verleent aan al de andere. Zonder kuisheid gaat zelfs de
menselijke liefde te gronde. Zij die de roeping hebben ontvangen God te dienen
in het huwelijk, worden juist geheiligd door belangeloos en trouw als
echtgenoten te leven; de echtelijke vereniging is voor hen de zekere weg naar
vereniging met God.
Degenen die de roeping tot het apostolisch
celibaat hebben gekregen, vinden in de volledige overgave aan de Heer en aan de
ander omwille van God, indiviso corde9, zonder
tussenkomst van de echtelijke liefde, de genade om gelukkig te leven en een
intieme en diepe vriendschap met God te bereiken.
Op deze dag van de week, de zaterdag, houden
vele gelovigen Onze Lieve Vrouw heel bijzonder voor ogen. Wanneer wij dan
vandaag naar haar opzien, bemerken we hoe in haar op verheven wijze
tegelijkertijd die twee mogelijkheden vervuld zijn, wat bij alle andere vrouwen
uitgesloten is: moederschap en maagdelijkheid. In onze streken noemen we haar
vaak eenvoudigweg «de Maagd», de maagd Maria. En we gaan met haar om als
Moeder! Het was Gods wil, dat zijn Moeder tegelijkertijd ook Maagd is.
Maagdelijkheid moet in Gods ogen dus wel van bijzonder hoge waarde zijn; zij
sluit ook een belangrijke boodschap in voor de mensen aller tijden: de
bevrediging van het seksuele behoort niet tot de volmaaktheid van de mens. De
woorden van Jezus, dat zij bij de
verrijzenis uit de doden niet huwen en niet ten huwelijk worden gegeven duiden aan, dat «er een levensstatus is, zonder huwelijk, waarin de
mens, man of vrouw, zowel de volheid van de persoonlijke gave vindt alsook de
gemeenschap onder de mensen, dank zij de verheerlijking van heel hun wezen in
de eeuwige vereniging met God. Wanneer de oproep tot onthouding omwille van het rijk der hemelen weerklank vindt in de menselijke ziel [...], valt daar niet moeilijk een
bijzondere gevoeligheid van de menselijke geest waar te nemen, die reeds in de
aardse omstandigheden lijkt vooruit te lopen op datgene waarvan de mens bij de
toekomstige verrijzenis deelgenoot zal zijn.»10
Maagdelijkheid en apostolisch celibaat zijn hier op aarde een voorbode van de
hemel.
Tegelijkertijd heeft de christelijke leer
altijd bevestigd dat «het geslachtelijke geen beschamende werkelijkheid is,
maar een goddelijke gave die zuiver past bij het leven, de liefde, de vruchtbaarheid.
Dat is de context, de achtergrond, waarin en waartegen de christelijke leer
over de seksualiteit wordt geplaatst. Ons geloof is niet onbekend met al het
schone, edelmoedige, waarlijk menselijke, dat hier beneden is.»11
Wie uit liefde heel zijn wezen aan God
overgeeft, zonder daar een menselijke liefde in het huwelijk tussen te
plaatsen, doet dat niet «vanuit een veronderstelde negatieve waardering van het
huwelijk, maar met het oog op de bijzondere waarde die aan deze keuze is
gekoppeld en die men persoonlijk als eigen roeping moet ontdekken en
aanvaarden. Daarom zegt Christus: Wie
bij machte is dit te begrijpen, hij begrijpe het
(Mt 19,12).»12 De Heer heeft ieder van ons een
opdracht hier in dit leven gegeven; ons geluk is gelegen in het volbrengen
daarvan, op volmaakte wijze, met opoffering en vreugde.
45.3 De kuisheid zoals die in de eigen
levensstaat wordt beleefd, in de bijzondere roeping die men van God heeft
ontvangen, is een van de grootste rijkdommen van de Kerk tegenover de wereld;
zij ontstaat uit liefde en maakt zich aan de liefde ondergeschikt. Zij is een
teken van God op aarde. Onthouding omwille
van het rijk der hemelen «brengt bovenal het
afgietsel mee van de gelijkenis op Christus die in zijn verlossingswerk zelf
deze keuze heeft gemaakt omwille van
het rijk der hemelen.»13
De apostelen hebben, door afstand te nemen van de traditie van het Oude
Verbond, waar vruchtbaarheid in de voortplanting als een zegen werd beschouwd,
het voorbeeld van Christus nagevolgd; zij waren ervan overtuigd, dat zij Hem
aldus meer van nabij volgden en beter beschikbaar waren om de apostolische
zending die ze gekregen hadden te volbrengen. Langzamerhand gingen zij
begrijpen -houdt Johannes Paulus II ons voor- hoe deze onthouding de oorsprong
is van een bijzondere «geestelijke en bovennatuurlijke vruchtbaarheid van de
mens, voortkomend uit de Heilige Geest».14
Wellicht komt velen kuisheid heden ten dage
onbegrijpelijk voor, en meer nog het apostolisch celibaat en de maagdelijkheid,
te midden van de wereld beleefd. Ook de eerste christenen moesten het hoofd
bieden aan een omgeving die vijandig tegenover deze deugd stond. Daarom is een
belangrijk deel van het apostolaat dat we moeten vervullen, het naar waarde
doen schatten van de kuisheid en de stoet van deugden die haar vergezellen:
haar aantrekkelijk doen zijn door een voorbeeldig gedrag, en de leer uitdragen
die de Kerk altijd over deze aangelegenheid heeft verkondigd en die de deur
opent voor de vriendschap met God. We moeten bijvoorbeeld zorg dragen voor
details inzake schaamtegevoel, fatsoenlijke kleding, hygiëne, sport; de scherpe
afwijzing deel te nemen aan gesprekken die niet bij een christen passen; het
verwerpen van onzedige schouwspelen...; en met name dienen we het vreugdevolle
voorbeeld van ons eigen leven te geven. Door onze manier van spreken dienen we,
zo nodig onbeschaamd, de schoonheid van deze deugd duidelijk te maken, evenals
de ontelbare vruchten die uit haar voortkomen: groter vermogen tot liefhebben,
edelmoedigheid, vreugde, verfijndheid van ziel... We moeten naar alle vier de
windrichtingen verkondigen, dat deze deugd altijd mogelijk is, als we de
middelen aanwenden die onze Moeder de Kerk eeuwenlang heeft aanbevolen:
beheersing van de zintuigen, attente voorzichtigheid om de boze gelegenheid te
vermijden, het bewaren van het schaamtegevoel, matiging in het vermaak,
ingetogenheid, veelvuldig gebed, het ontvangen van de sacramenten en de
boetedoening, het dikwijls ontvangen van de heilige eucharistie, oprechtheid...
en vooral een grote liefde tot de allerheiligste Maagd.15
We zullen nooit boven onze krachten beproefd worden.16
Aan het einde van ons gebed keren wij ons tot
de heilige Maria, Mater pulchrae
dilectionis, Moeder der schone liefde; zij zal ons
altijd helpen om zelfs uit de ergste bekoringen een nog krachtiger liefde te
putten.
-1. Lc 20,27-40. -2. Vgl. Dt 25,5 e.v. -3. H. Thomas van Aquino, Commentaar op het evangelie van Matteüs, 22,30. -4. Vgl. Romeinse
Katechismus, III,7,6. -5. H. Jozefmaria Escrivá, De Voor, 841. -6. H. Ambrosius, Tractaat over de maagden, 1,3. -7. Vgl. H. Jozefmaria
Escrivá, Als Christus nu langs komt, 5. -8. J. Martínez
Doral, La
santidad de la vida conyugal, in Scripta Theologica,
Pamplona 1989, vol. XXI, fasc. 3, bl. 880-881. -9. Vgl. 1 Kor 7,33. -10. Johannes Paulus ii, Algemene audiëntie 10
maart 1982. -11. H. Jozefmaria Escrivá, Als
Christus nu langs komt, 24. -12. Johannes Paulus ii, loc.cit. -13. Idem, Algemene audiëntie 24 maart 1982. -14. Ibidem. -15. Vgl. Congregatie voor de Geloofsleer, Verklaring over enige
kwesties inzake de seksuele ethiek, 29 december
1975, 12. -16. Vgl. 1 Kor 10,13.
|