Vierde week. Zaterdag
32. DE LEER VAN CHRISTUS
BEKENDMAKEN
-Het onderricht van Jezus. Iedere christen moet van zijn
leer getuigenis afleggen. -De Heer navolgen. Voorbeeld zijn. Niet een
gelegenheid ongebruikt voorbij laten gaan. -Verscheidenheid aan mogelijkheden
de lessen van Jezus te laten kennen. Rekening houden met moeilijke situaties.
32.1 Dit is inderdaad de profeet... Nooit heeft
iemand zo gesproken.1 De Heer spreekt met de grootste eenvoud over zeer
diepzinnige kwesties en Hij doet het op een aantrekkelijke en leerzame manier.
Zijn woorden werden begrepen zowel door een schriftgeleerde als door de vissers
uit Galilea.
Het woord van Jezus is aangenaam en op zijn plaats. Hij
benadrukt vaak dezelfde leer, maar zoekt de vergelijkingen die het best passen
bij zijn toehoorders: de tarwekorrel die moet sterven om vrucht te dragen, de
blijdschap bij het aantreffen van een paar verloren munten, het vinden van een
verborgen schat... En met beelden en gelijkenissen heeft Hij op een onovertroffen
wijze de soevereiniteit van God geschetst en tegelijkertijd Diens Vaderschap,
de wijze waarop Hij liefdevol met ieder van zijn kinderen omgaat. Niemand heeft
zoals Hij de grondwaarheid van de mens, zijn vrijheid en bovennatuurlijke
waardigheid, dank zij het goddelijk kindzijn, verkondigd.
De menigten zochten Hem op om naar Hem te luisteren. Vaak was
het noodzakelijk hen weg te sturen, anders bleven ze bij Hem. Christus heeft
woorden van eeuwig leven.2 Ons heeft Hij gelast deze door te geven aan alle
generaties tot aan het einde der tijden.
Ook vandaag dorsten mensen naar de woorden van Jezus, de
enige die vrede brengen in de ziel, de enige die de weg naar de hemel
onderrichten. En alle katholieken delen deze missie aan Christus bekendheid te
geven. «Alle gelovigen, vanaf de Paus tot aan de laatste gedoopte, zijn
deelhebbers in dezelfde roeping, hetzelfde geloof, dezelfde Geest, dezelfde
genade... Allen nemen op actieve en verantwoordelijke wijze -binnen de
noodzakelijke veelheid van ambten en dienstbaarheden- deel aan de unieke missie
van Christus en van de Kerk.»3
Het
is van het allergrootste belang snel bekendheid te geven aan de leer van
Christus, want onwetendheid is in de wereld een machtige vijand van God en is
«de bron en de wortel van alle onheil, dat individuen, volken en naties als het
ware vergiftigt.»4 Deze
urgentie is des te groter in de westerse landen, zoals paus Johannes
Paulus ii bij herhaling
heeft aangegeven: «Wij worden geconfronteerd met een Europa waar de verleiding
van atheïsme en scepticisme telkens heftiger de kop opsteekt. Een Europa waarin
een pijnlijke onzekerheid op zedelijk gebied wortel schiet met als gevolg een
uiteenvallen van familie en gezin en verval van zeden en gewoonten. Een Europa,
dat beheerst wordt door een gevaarlijke strijd van ideeën en bewegingen.»
5
Elke christen moet een getuigenis zijn van de juiste leer en
-niet alleen met zijn voorbeeld, maar ook met het woord- getuigen van de
boodschap van het evangelie. Laat het zo zijn, dat we elke gelegenheid die zich
voordoet, benutten: bij familieleden, vrienden, collega's, buren en ook, met
verstand, die gelegenheden creëren. Er doen zich ook gelegenheden voor, ook al
zijn ze misschien kort, met mensen die we ontmoeten, op reis, bij een congres,
bij het boodschappen doen, bij zaken...
Voor wie de weg naar de
heiligheid wil volgen, kan het leven nooit een laan der verloren kansen zijn.
De Heer wil immers, dat onze woorden een echo van zijn onderricht zijn om de
harten te roeren. «Het staat vast, dat God de vrijheid van de mens respecteert,
en dat er personen kunnen zijn die hun ogen 'niet willen' richten op het licht
van de Heer. Maar veel sterker, en overvloediger, en edelmoediger is de genade
die Jezus Christus over de aarde wil uitstorten, door zich -nu, zoals vroeger
en zoals altijd- te bedienen van de medewerking van apostelen die Hijzelf heeft
uitgekozen om zijn licht overal te verspreiden.»6
32.2 Als we deze herevangelisatie
in werking willen stellen, dit leerstellig apostolaat, is het nodig dezelfde
ideeën heel vaak te benadrukken en het onderricht van de Heer met al ons kunnen
zo aantrekkelijk mogelijk -niets is aantrekkelijker dan dat- aan te bieden. De
Heer wacht op de menigten die vandaag de dag ronddolen als schapen zonder
herder7, zonder gids,
zonder richting, verward door zoveel vluchtige ideologieën. Geen enkele
katholiek mag passief afwachten -buiten spel blijven- bij deze opdracht, de
enige die in de wereld werkelijk telt. Hier gelden geen excuses, geen: aan mij
heb je niets, ik dien nergens toe, ik heb geen tijd... De roeping van de christen
is de roeping tot apostolaat. God geeft genade om daaraan te beantwoorden.
Zijn wij werkelijk een
straaltje licht in de duisternis, of worden we gekweld door luiheid en
menselijk opzicht? Als we in aanwezigheid van God bedenken dat de mensen die
ons levenspad kruisen, er recht op hebben dat wij hen helpen Jezus beter te
kennen, dan zal ons dat helpen meer apostolisch werkzaam te zijn en de
hindernissen te overwinnen. Hebben we deze christenplicht vervuld? Ze zouden
ons toch -in dit leven of het andere- niet moeten kunnen verwijten, dat wij hun
die hulp onthouden zouden hebben: hominem non habeo8, er was niemand die me een beetje licht wilde
verschaffen bij zoveel duisternis.
Het woord van God is
levend en krachtig. Het is scherper dan een tweesnijdend zwaard.9 Het reikt tot in het diepst van de ziel, aan de
bron van het leven en de gewoonten der mensen.
Op zekere dag -vertelt het
evangelie van de Mis van vandaag- zonden de Joden de tempelwachters om Jezus
gevangen te nemen. Toen ze terugkwamen, vroegen hun meerderen: Waarom hebt
gij Hem niet meegebracht? Daarop moesten zij antwoorden: nooit heeft
iemand zo gesproken.10 We
mogen veronderstellen dat die eenvoudige dienaren een tijdje tussen het volk
verkeerden om op het geschikte moment te wachten om de Heer op te pakken en
verwonderd waren over de leer van Jezus. Hoeveel mensen zouden hun houding
veranderen, als wij erin zouden slagen de figuur van Christus, het werkelijke
beeld van onze Moeder de heilige Kerk, bekend te maken. Wat een enorm gebrek
aan kennis, na twintig eeuwen, in onze wereld, ook bij katholieken.
De heilige Lucas zegt dat onze Heer begon te doen en te onderrichten.11 Het Tweede
Vaticaans Concilie leert, dat de Openbaring tot ons kwam gestis
verbisque, door onlosmakelijk verbonden
daden en woorden.12 De
daden van Christus zijn in de ware zin van het woord daden van God. En
eenvoudige mensen hebben daar maar één antwoord op: wij zijn vandaag van
ongehoorde dingen getuigen geweest.13
Als christenen moeten wij, met de hulp van de genade, laten
zien wat het betekent Jezus werkelijk te volgen. «Wie de opdracht heeft grote dingen te zeggen -en alle christenen hebben
de zoete plicht over het volgen van Christus te spreken- is evenzeer verplicht
dit in daden om te zetten», zegt de heilige Gregorius de Grote.14 Onze vrienden,
gelijken, collega's en bekenden moeten zien dat wij trouw, oprecht, blij,
optimistisch, goed in ons werk, recht door zee, vriendelijk, waardevol... zijn.
Oprecht en natuurlijk tegelijkertijd tonen wij ons geloof in Christus. «We
hebben -zegt Johannes Paulus ii-
helden van het evangelie nodig, experts in menselijkheid, die het hart van de
mens van vandaag tot in de grond kennen, deelhebben in hun vreugden en
verwachtingen, in hun vrees en droefheid en bovendien contemplatief zijn,
verliefd op God. Dat vereist nieuwe heiligen. De grote evangeliepredikers van
Europa zijn heiligen geweest. Laten we de Heer vragen de geest van
heiligheid in de Kerk te vergroten en ons nieuwe heiligen te zenden om de
wereld van vandaag te evangeliseren.»15
32.3 «Sommigen weten
niets van God, want er is met hen nog nooit in begrijpelijke woorden over Hem
gesproken.»16 Er zijn veel manieren om de figuur en de leer van
Christus en de Kerk vriendelijk bekend te maken: een gesprek thuis,
deelnemen aan een cursus catechese, in een gesprek het katholieke dogma helder,
liefdevol en stevig staande houden, een mooi boek of een goed artikel
aanprijzen... In sommige gevallen met ons
zwijgen dat anderen op prijs stellen; of door een eenvoudige bedankbrief
te schrijven aan de massamedia voor een goed
stuk werk... Er vaart altijd iemand wel bij, misschien op een wijze die
wij niet kunnen vermoeden. Op de een of andere manier moeten we ons allemaal in dit ogenblik van gebed afvragen: «Hoe
zou ik een werkzamer en beter werktuig kunnen zijn? Hoe belemmer ik de
werking van de genade? Welk milieu, welke mensen zou ik kunnen bereiken, als ik
minder gemakzuchtig -meer verliefd op God- was en meer tot opofferen bereid
was?»17
We moeten er rekening mee houden dat we vaak tegen de
stroom in moeten gaan zoals zoveel gelovigen in de loop der eeuwen gedaan hebben. Met de hulp van de Heer
zullen we de kracht hebben ons niet te laten meeslepen door modieuze
dwalingen of al te vrije gewoonten die in strijd zijn met de natuurlijke en christelijke zedenleer. En dan zullen we ook
over God spreken met onze broeders en zusters, de mensen, zonder een kans
voorbij te laten gaan: «Alle voorvallen in het leven -zowel die in ons
persoonlijk bestaan als die, welke zich op de een of andere wijze afspelen op
beslissende momenten van de geschiedenis- doen zich bij mij voor als oproepen
die God tot de mensen richt, opdat ze positie kiezen m.b.t. de waarheid. Tevens
zijn het voor ons, christenen, gelegenheden om door woorden en werken, met de
hulp van de genade, te verkondigen door welke Geest we bezield worden (Vgl. Lc 9,55). Iedere generatie van christenen moet haar
eigen tijd verlossen en heiligen. Om dat te bereiken, moeten ze de zorgen van
hun medemensen begrijpen en delen, opdat ze hen met de gave der vertolking
van talen kunnen doen verstaan hoe ze kunnen beantwoorden aan de werking
van de Heilige Geest en aan de steeds overvloedige rijkdom van het goddelijk
Hart. Wij christenen hebben in onze tijd de taak aan de wereld, waarin wij ons
bewegen en zijn, die oude en toch steeds nieuwe boodschap van het evangelie te
verkondigen.»18
De Heilige Geest zal ons altijd en met name in moeilijke
omstandigheden verlichten en wij zullen niet naar woorden hoeven te zoeken, wij
zullen niet met onze houding geen raad weten.
-1. Joh 7,40 en 47. -2. Joh 6,68. -3. A. del Portillo, Fieles y laicos en
la Iglesia (1981). -4. Johannes
xxiii, Enc. Ad Petri cathedram, 29 juni 1959, n. 4. -5. Johannes Paulus ii, Toespraak,
6 september 1981. -6. A. del Portillo,
Pastorale brief, 25 december 1985, n 7. -7. Mc 6,34. -8. Joh
5,7. -9. Heb 4,12. -10. Joh 7,45-46. -11. Hnd 1,1. -12. Vaticanum ii, Dogm. const. Dei
Verbum, 2. -13. Lc 5,26. -14. H.
Gregorius de Grote, Regula pastoralis, 2, 3. -15. Johannes Paulus ii, Toespraak
tot de Europese bisschoppen, 11 oktober 1985. -16. H. Jozefmaria Escrivá, De Voor, 941. -17. A. del Portillo, Pastorale brief,
25 december 1985, 9. -18. H. Jozefmaria
Escrivá, Als Christus nu langs komt, 132.
|