Achtste zondag door het jaar (B)
2. DE LIEFDE VAN GOD TOT DE MENSEN
-God houdt van ons met oneindige liefde, zonder enige
verdienste van onze kant. -Ernst van de onverschilligheid tegenover de liefde
die God voor ons heeft. -God bemint ons met een persoonlijke en individuele
liefde, en heeft ons voorzien van weldaden. Liefde moet met Liefde beantwoord
worden.
2.1 De Heilige Schrift vertelt
ons op duizend verschillende manieren over de oneindige liefde van God voor
iedere mens. In de eerste lezing van de mis van vandaag1
schildert de profeet Hosea ons in wonderschone beelden de mateloze grootsheid
van de goddelijke liefde voor de mensen, van wie Hij vraagt dat zij eraan
beantwoorden: Dit zegt de Heer: Ik zorg dat uw moeder
Israël naar de woestijn gaat en Ik spreek tot haar hart. Daar wordt zij weer
gewillig, zoals in de dagen van haar jeugd, toen zij optrok uit Egypte. Ik neem
u als mijn bruid, voor altijd, als mijn bruid, in recht en gerechtigheid, in
goedheid en erbarming. Ondanks de ononderbroken trouweloosheid van het
uitverkoren volk, waarin ónze zwakheden en zonden gesymboliseerd zijn, wendt de
Heer zich een en andermaal tot zijn volk om het te 'heroveren' met zijn Liefde
en barmhartigheid, zoals Hij dag in dag uit ieder van ons opnieuw zoekt -ook
nu, in dit moment van gebed.
Op een andere plaats verzekert Hij ons dat, ook al zou een
moeder het kind van haar schoot vergeten, Hij ons nooit zal vergeten, want Hij
heeft ons geschreven in de palm van zijn hand, om ons altijd voor ogen te
hebben2; en wie ons enig kwaad berokkent, raakt
zijn oogappels.3 En heus: «De God van ons geloof
is geen ver verwijderd wezen dat onbewogen het lot van de mensen beziet, hun
verlangens, hun strijd, hun angsten. Hij is een Vader die houdt van zijn
kinderen.»4 Hij houdt van ons met een liefde
duidelijk onderscheiden van de onze die, ook al is ze ontdaan van alle
onzuiverheid, «altijd door de werkelijke of schijnbare goedheid van de dingen
wordt aangetrokken... De goddelijke liefde daarentegen is een liefde die de goedheid
in de schepsels schept en instort»5, en wel volstrekt
belangeloos. Hij houdt werkelijk van ons.
De liefde van God is gratis, om niet, want de geschapen
dingen kunnen Hem niets geven wat Hij niet al in overgrote mate bezit. De
oorzaak van zijn liefde is zijn oneindige goedheid, en het verlangen om deze te
verbreiden. Hij heeft ons niet alleen geschapen: zijn liefde gaat zover, dat
Hij ons verheft tot de bovennatuurlijke orde, tot deelneming aan zijn eigen leven
en geluk, dat Hij zodoende alle eisen van de geschapen natuur overschrijdt, en
dat zonder enige verdienste van onze kant. Hierin bestaat
de liefde: niet wij hebben God liefgehad, maar Hij heeft ons eerst liefgehad.6 En Jezus Christus openbaarde ons de liefde van God
voor de mensen in al haar diepte.
Rekening houdend met deze liefde zet de Heilige Geest ons ertoe
aan, ons vertrouwen op God te stellen met een absolute overgave. Leg uw leven de Heer in de hand, bouw op Hem: Hij zal het
volvoeren.7 En op een andere plaats: Werp wat u bezwaart op de Heer, Hij zelf zal zorg voor u dragen.8 De heilige Petrus spoort ons aan: Schuift al uw zorgen op Hem af, want Hij heeft zorg voor u.9 Van de Heer hoorde de heilige Catharina van Siena de
aanbeveling: 'Dochter, vergeet jezelf en denk aan mij, zoals Ik voortdurend aan
jou denk'. Is ons vertrouwen in de liefde die God voor ons heeft, ook zodanig?
«Jezus, mijn Heer: maak, dat ik uw genade zozeer voel en
volg, dat mijn hart zich ontledigt..., opdat Gij het vult, mijn Vriend, mijn
Broer, mijn Koning, mijn God, mijn Liefde.»10
2.2 De tederheid van God jegens
de mensen stijgt ver uit boven elke voorstelling die wij ons daarvan kunnen maken.
Hij heeft ons gemaakt tot zijn kinderen, met een echt, waarachtig kindschap,
zoals de apostel Johannes ons leert: Hoe groot is de liefde
die de Vader ons betoond heeft! Wij worden kinderen van God genoemd, en we zijn
het ook.11 Dat is het grootste
liefdeblijk van God jegens de mensen. Hij heeft voor ons de onzelfzuchtigheid
en tederheid van een vader, en Hijzelf vergelijkt zich met een moeder die haar
kind nooit kan vergeten.12 Elke man, elke vrouw
is dit zo geliefde kind. Om ons te redden heeft Hij, toen wij door de zonde
verloren waren, zijn Zoon gezonden, opdat Hij ons, door zijn leven te geven,
zou verlossen uit de staat waartoe wij vervallen waren: Zozeer
immers heeft God de wereld liefgehad, dat Hij zijn eniggeboren Zoon heeft
gegeven, opdat al wie in Hem gelooft niet verloren zal gaan, maar eeuwig leven
zal hebben.13 Deze zelfde liefde brengt Hem ertoe zich
geheel aan ons te geven door te verblijven in de zielen die in staat van genade
zijn14, en met ons te verkeren in het intiemste
van ons hart.15
Tegenover zoveel liefde steekt de onverschilligheid met betrekking
tot de zaken van God wel heel tragisch af, en vooral de inspanningen die erop
gericht zijn een klimaat te bevorderen waarin de mens het middelpunt van alles
is. Men verminkt de volgende passage uit de Heilige Schrift: als hij zijn broeder, die hij ziet, niet liefheeft, kan hij God
niet liefhebben die hij nooit heeft gezien.16
Men gaat zo ver, te zeggen dat alleen de mens het verdient bemind te worden.
God zou ver weg en ontoegankelijk zijn. Het is een nieuw blasfemisch humanisme,
dat zich meestal vertoont onder het mom van een verdediging van de waardigheid
van de menselijke persoon, maar dat erop uit is de Schepper te vervangen door
het schepsel. Zo vernietigen zij zelfs de mogelijkheid God en de mensen
werkelijk lief te hebben, want door het eindige en beperkte schepsel -zichzelf-
een absolute waarde toe te kennen, is al het andere slechts van secundair
belang, in zoverre het nuttig kan zijn... Het buitensluiten van God -het enige
in zichzelf en om zichzelf beminnelijke wezen- loopt nooit uit op een grotere
liefde voor iets of voor iemand. Zoals sommige trieste gevolgen aantonen, kan
het alleen maar uitlopen op haat, wat eigen is aan de hel. Zonder God verdort
of verwordt de liefde tot de schepselen.
De tussenzang van de mis17
geeft het echte antwoord van de mens op de liefde van God, die altijd
meevoelend en barmhartig is: Verheerlijk, mijn ziel, de
Heer, zijn heilige naam uit het diepst van uw wezen! Verheerlijk, mijn ziel, de
Heer, vergeet zijn weldaden niet!
Als wij aan deze diepe liefde niet beantwoorden, beklaagt de
Heer zich met recht: O, niet dat de vijand mij hoont -dat wist ik wellicht te verduren- niet
dat mij mijn hater kleineert -hem wist ik wel te
vermijden- maar gij, een mens mij zo na, mijn boezemvriend,
mijn vertrouweling18, zegt Hij ons,
wanneer wij niet trouw zijn.
De heilige Johannes van Ávila schrijft: «Het vuur van de
liefde voor U, waarvan Gij wilt, dat het in ons brandt tot wij erdoor verzengd,
verteerd worden, tot het wegbrandt wat wij zijn en ons omvormt naar U, blaast
Gij aan met de verdiensten die Gij tijdens uw leven voor ons verkreeg, en Gij
doet het branden met de dood die Gij voor ons onderging».19 Laten wij ons in de intimiteit van het gebed
afvragen: Brandt mijn liefde voor God zo? Blijkt dat uit een grootmoedig
antwoord op wat God van mij vraagt, op mijn roeping? Is mijn hele leven in
overeenstemming met het liefdesverbond dat mij kluistert aan de Heer. «Het is
zo, mijn kind, dat God het recht heeft ons te vragen: Denk jij aan Mij?
Verblijf jij in mijn aanwezigheid? Zoek jij Mij, als jouw steun? Zoek jij Mij
als het Licht van je leven, als harnas..., als alles?»20
2.3 In zijn oneindige wijsheid
heeft God besloten ons deelgenoten te maken van zijn liefde en zijn waarheid,
want hoewel wij van nature in staat waren Hem uit eigen kracht lief te hebben,
kunnen wij ons pas, nadat Hij ons zijn eigen Liefde gegeven heeft, intiem met
Hem verenigen. Door de menswording van zijn Eniggeborene, door de vereniging
van het goddelijke met het menselijke, herstelde Hij de vernielde orde, verhief
Hij ons tot de waardigheid van kinderen Gods en openbaarde Hij ons de volheid
van de goddelijke liefde. Ten slotte, om aan te tonen dat wij zijn kinderen
zijn, heeft Hij de Geest van zijn Zoon in ons hart
gezonden,21 de Helper, de grootste gave
die God ons kon schenken.
God houdt met een persoonlijke en individuele liefde van
ieder van ons in het bijzonder. En Hij heeft ons overladen met goede gaven.
Vaak heeft Hij gesproken tot ons hart en heeft Hij ons wellicht op duidelijke
wijze gezegd: meus es tu, gij zijt van Mij.22 Nooit hield Hij op ons lief te hebben, ons te
helpen en beschermen, zich tot ons te richten; ook niet in de momenten van de
grootste ondankbaarheid van onze kant, of op de ogenblikken waarop wij de
zwaarste zonden begingen. Misschien hebben wij juist in die droevige
omstandigheden meer gunsten van God ontvangen, zoals men kan lezen in de eerste
lezing van de mis.
Laten wij nu overwegen hoe wij deze liefde moeten beantwoorden:
in het vervullen van onze plichten, waar Hij op ons wacht; in het liefdevol
vervullen van uw normen van vroomheid; in het apostolaat van vriendschap met
onze collega's; in de edelmoedige overgave tot in details die onze roeping tot
heiligheid met zich mee brengt... Laten wij nagaan of we toestaan, dat de lauwheid
als kwelwater door de verzwakte dijken stroomt van een onvoldoende diepgaand
gewetensonderzoek, dat volstaat met te zien of wij onze verplichtingen
uiterlijk nakomen.
Laten wij voor ogen houden, dat het regelmatig en vaak overwegen
hoe God van ons houdt, heel veel goeds in de ziel bewerkstelligt. De heilige
Theresia gaf al de raad «ons te herinneren aan de Liefde waarmee [de Heer] ons
overlaadt met zoveel gunsten, aan die zo grote liefde die God ons betoont: de
liefde die liefde voortbrengt. Laten wij zorgen dit van nu af immer te bezien
en onze liefde wakker te houden.»23 En wij
moeten inderdaad overtuigd zijn van deze geestelijke werkelijkheid: het
overwegen van de liefde van God brengt onze liefde voort en wekt ons op meer
lief te hebben. Sprekend over de liefde van Christus zet Johannes Paulus ii ons aan, daaraan te beantwoorden; hij gebruikt de
woorden van een bekende uitdrukking: liefde wordt betaald met liefde.24
Het overwegen van de liefde die God voor ons heeft, zal ons
er verder toe brengen Hem meer liefde te vragen, zoals de mysticus Johannes van
het Kruis stoutmoedig schrijft: «Ontsluier mij uw bijzijn; / mijn dood zij het
U te aanschouwen in uw schoonheid. / Bedenk toch, dat de kwelling / der liefde
nooit een eind neemt, / dan door het beminde bijzijn en zijn aanblik.»25
-1. Hos 2,16b.17b. 21-22. -2.
Vgl. Jes 49,15-17. -3. Vgl. Zach
2,12. -4. H. Jozefmaria Escrivá, Als Christus nu langs komt,
84. -5. H. Thomas van Aquino, Summa Theologiae,
I, q20, a2. -6. 1 Joh 4,10. -7. Ps 37,5. -8. Ps 55,23. -9. 1 Pe 5,7. -10. H. Jozefmaria Escrivá, De Smidse, 913. -11. 1 Joh 3,1. -12. Vgl. Jes
49,15. -13. Joh 3,16. -14. Vgl. Joh 14,23. -15. Vgl. Joh 14,26. -16. 1 Joh 4,20. -17. Ps 103,1-4,8, 10,12-13. -18. Ps 55,13-14. -19. H. Johannes van Ávila,
Audi filia, 69. -20. H.
Jozefmaria Escrivá, De Smidse, 506. -21. Gal 4,6.
-22. Jes 43,1. -23. H. Theresia van
Ávila, Het boek van haar leven, 22,14.
-24. Johannes Paulus ii, Toespraak bij het Eucharistisch lof, Madrid 31 oktober
1982. -25. H. Johannes van het Kruis, Geestelijk Hooglied, 11.
|