Boeken over RK geloof en leven
Boeken & DVD's Voor eenheid van geloof en leven 
Home Best verkocht Alle titels Aanbiedingen Bestellijst Help Contact
pijl
Categorie
Kort Bestek
Andere pockets
Arco Reeks
Van Jozefmaria Escrivá
Spreken met God
Andere Boeken
Over Jozefmaria Escrivá
Voor kinderen
Jade Reeks
Theologie/ATRIUM
Video / DVD
Navarre bible

Zoek cadeau
tot € 5,-
van € 5,- tot € 10,-
van € 10,- tot € 20,-
vanaf € 20,-

Zoeken


Meditaties
Uit Spreken met God


Betaal snel & veilig met
Meditaties Uit de serie Spreken met God

Dertigste week. Donderdag

16. De liefde van Jezus

-Onze toevlucht en bescherming liggen in de liefde tot God. Naar het Tabernakel gaan. -Jezus in het Allerheiligste zal ons alle benodigde hulp verlenen. -Bij het Tabernakel zullen we alle veldslagen winnen. Eucharistische zielen.

16.1 Tijdens zijn tocht naar Jeruzalem, die Lucas zo gedetailleerd beschrijft, liet Jezus uit het diepst van zijn hart de volgende klacht ontsnappen tegen de Heilige Stad, die zijn boodschap afwees: Jeruzalem, Jeruzalem [...], hoe dikwijls heb Ik uw kinderen willen verzamelen, zoals een kloek haar kuikens verzamelt onder haar vleugels...1 Zo blijft de Heer ons beschermen: als een kloek haar kuikens, die zo weerloos zijn. Vanuit het Tabernakel waakt Jezus over ons gaan en staan en let Hij op de gevaren die ons belagen, geneest Hij onze wonden en schenkt Hij ons voortdurend zijn Leven. Vaak hebben wij tot Hem gezegd: Pie pellicane, Iesu Domine, me immundum munda tuo sanguine... Pelikaan vol goedheid, Gij, Jezus, mijn Heer, reinig mij, onreine, met uw eigen bloed, waarvan toch één druppel zalig maken kan heel de grote wereld uit haar zondigheid.2 In Hem ligt ons heil en onze toevlucht.

Het beeld van de rechtvaardige die bij de Heer bescherming zoekt «zoals kuikens zich beschutten onder de vleugels van hun moeder», komt vaak voor in de Heilige Schrift: Bewaar als uw oogappel mij, verberg mij, door uw vleugelen beschaduwd 3, want altijd waart Gij mij de toevlucht, een bolwerk naar de vijand gekeerd. Laat in uw tent mij wijlen voor immer, schuilen waar mij uw vleugelen beschutten4, zo lezen we in de Psalmen. De profeet Jesaja neemt zijn toevlucht tot dit beeld om het uitverkoren volk ervan te verzekeren, dat God het tegen zijn belagers zal beschermen. Zoals vogels heen en weer vliegen boven hun jongen, zo zal Jahwe van de legerscharen Jeruzalem beschermen.5

Aan het einde van ons leven zal Jezus onze Rechter en onze Vriend zijn. Toen Hij hier op aarde leefde en ook zolang onze pelgrimstocht duurt, is het zijn zending ons te redden, en daarbij geeft Hij ons alle hulp die wij nodig hebben. Vanuit het Tabernakel beschermt Jezus ons op duizend-en-een manieren. Hoe zouden we ons een Jezus kunnen voorstellen, die zich op afstand houdt van de moeilijkheden die we ondervinden en die onverschillig staat tegenover wat ons bedrukt?

Hij wilde in alle uithoeken van de wereld verblijven, opdat wij Hem gemakkelijk ontmoeten en genezing en hulp vinden in de warmte van zijn vriendschap. «Als wij pijn lijden of onaangename dingen meemaken, verlicht en troost Hij ons. Als we ziek worden, zal Hij ofwel ons geneesmiddel zijn of ons de kracht geven om het lijden te dragen, opdat wij aldus de hemel verdienen. Als de duivel en de hartstochten ons de oorlog verklaren, zal Hij ons de wapens geven om te strijden, weerstand te bieden en de overwinning te behalen. Als we arm zijn, zal Hij ons verrijken met alle soorten goede dingen, nu en in eeuwigheid.»6 Laten wij Hem altijd, elke dag, vergezellen. Die paar minuten van ons bezoek zullen de best bestede ogenblikken van de dag zijn. «Ach, en wat moeten we, zo vraagt ge soms, doen voor Gods aanschijn in het Sacrament? Hem beminnen, prijzen, danken en smeken. Wat doet een arme als hij bij een rijke is? Een een zieke bij de dokter? Wat doet iemand die dorst heeft, als hij een kristalheldere bron ontwaart?»7

16.2 Ons vertrouwen, dat we alle beproevingen, gevaren en lijden te boven zullen komen, is niet gebaseerd op onze krachten, die altijd bescheiden zijn, maar op de bescherming van God die ons van eeuwigheid af heeft bemind en zelfs zijn Zoon aan de dood heeft overgeleverd voor onze redding. Dezelfde Jezus blijft ons nabij in het Tabernakel, misschien wel op korte afstand van onze woning of ons werk, om ons te steunen, onze wonden te helen en ons nieuwe moed te geven op de weg die uiteindelijk ten hemel leidt. Het is voldoende als wij naderen tot Hem, die altijd op ons wacht. Niets van wat ons kan overkomen, zal ons van God kunnen verwijderen, zoals de heilige Paulus ons leert in een van de lezingen van de heilige Mis8, want indien God vóór ons is, wie zal dan tegen ons zijn? Hij heeft zelfs zijn eigen Zoon niet gespaard, voor ons allen heeft Hij Hem overgeleverd. En zou Hij ons na zulk een gave ook niet al het andere schenken? [...] Wie zal ons scheiden van de liefde van Christus? Verdrukking wellicht of nood, vervolging, honger, naaktheid, levensgevaar of het zwaard? Niets zal ons van Hem kunnen scheiden, als wij ons niet van Hem verwijderen.

«Bekleed met de goddelijke genade zullen wij de bergen doorkruisen (vgl. Ps 103,10), en wij zullen de steile helling beklimmen -de vervulling van onze christenplicht- zonder te stoppen. Als wij, vol goede wil, deze hulpmiddelen gebruiken en de Heer vragen of Hij ons hoop verleent die elke dag groter is, zullen wij de aanstekelijke blijdschap bezitten van hen die zich kinderen van God weten: Indien God vóór ons is, wie zal dan tegen ons zijn? (Rom 8,31).»9

Hoewel de Heer heel krachtige bekoringen kan toelaten of ook kan toestaan, dat de moeilijkheden in het gezin toenemen, of dat er ziekte komt of de weg moeilijker wordt..., geen enkele beproeving is op zichzelf krachtig genoeg om ons van Jezus te scheiden. Meer nog, door een bezoek aan het meest nabije Tabernakel, door een goed gebed, zullen we Gods machtige hand aantreffen en zullen we kunnen zeggen: Omnia possum in eo qui me confortat.10 Alles vermag ik in Hem die mij kracht geeft. En de heilige Paulus vervolgt in de eerste lezing van de heilige Mis: Ik ben ervan overtuigd, dat noch de dood noch het leven, noch engelen noch boze geesten, noch wat is noch wat zijn zal, en geen macht in den hoge of in de diepte, noch enig wezen in het heelal ons zal kunnen scheiden van de liefde Gods, die is in Christus Jezus. Het is een gezang van vertrouwen en optimisme dat we vandaag tot het onze mogen maken.

De heilige Johannes Chrysostomus herinnert ons eraan, dat «Paulus zelfs moest strijden tegen talloze vijanden. De vreemdelingen vielen hem aan, zijn eigen lijfwachten legden hem valstrikken, zelfs de gelovigen -soms in groten getale- verzetten zich tegen hem, en toch heeft Paulus over dit alles gezegevierd. Laten we niet vergeten, dat een christen die trouw blijft aan de wetten van zijn God, zowel de mensen als de satan zelf zal overwinnen.»11 Als we dicht bij Jezus blijven, tegenwoordig in de Eucharistie, zullen we in alle veldslagen zegevieren, ook al lijken we die soms te verliezen... Het Tabernakel zal onze burcht zijn, want Jezus is bij ons willen blijven om ons te beschermen, om ons te steunen in alle noden. Komt tot Mij..., roept Hij ons elke dag toe.

16.3 De gemoedsrust die we moeten bezitten, verkrijgen we niet door de ogen te sluiten voor de werkelijkheid of door te denken dat we geen hindernissen of moeilijkheden zullen tegenkomen, maar wel door het heden en de situatie optimistisch te bezien, omdat we weten dat de Heer bij ons wilde blijven om ons te hulp te komen.

Juist uit de beproevingen van het leven zal een groot goed voortkomen, en we zullen nooit alleen staan in de moeilijkste omstandigheden. Als we in zulke gevallen zo dankbaar zijn voor de nabijheid van een vriend, wat zal dan niet de vrede zijn die we verkrijgen bij de Vriend in het meest nabije Tabernakel? Daar moeten we aanstonds heen gaan om troost, vrede en de nodige kracht te vinden. «Wat willen we nog liever bij ons hebben dan zo'n goede Vriend, die ons niet in de steek laat bij moeilijkheden en tegenslagen, zoals de vrienden van de wereld doen?»12, zo schrijft de heilige Teresia van Ávila.

Toen het hem al duidelijk werd dat hij vervolgd zou wor­den, werd de heilige Thomas More opgeroepen om voor de rechtbank van Lambeth te verschijnen. More nam afscheid van de zijnen, maar hij wilde niet dat zij hem, zoals gewoon­lijk, vergezelden tot aan de aanlegsteiger. Hij werd alleen begeleid door William Roper, de echtgenoot van zijn oudste kind, zijn lievelingsdochter Margareth, en enkele bedienden. Niemand in de boot durfde het stilzwijgen te verbreken. Na een tijdje fluisterde Thomas, geheel onverwachts, Roper in het oor: «Son Roper, I thank our God the field is won: Roper, mijn zoon, ik dank God, want de slag is gewonnen.» Roper zou later bekennen, dat hij de betekenis van die woorden niet goed had begrepen. Naderhand echter begreep hij, dat More's liefde zozeer gegroeid was, dat die hem de zekerheid gaf, dat hij elke hindernis zou overwinnen.13 Het was de zekerheid van degene die wist, dat zijn laatste veldslag nabij was, maar erop rekende, dat de Heer hem op dit belangrijkste moment niet zou verlaten. Als wij Jezus nabij blijven, als wij 'eucharis­tische zielen' zijn, zal Hij ons beschutten, zoals vogels hun jongen, en zullen we altijd tegenover de grootste hindernissen bij voorbaat kunnen zeggen: «de strijd is gewonnen.»

«Wees een eucharistische ziel! Als het middelpunt van je gedachten en verwachtingen in het Tabernakel ligt, mijn zoon, hoe overvloedig zijn dan de vruchten van heiligheid en apostolaat!»14 De heilige Maria, die zo vaak met Hem hier op aarde heeft gesproken en die Hem nu voor altijd in de hemel aanschouwt, zal ons de gepaste woorden in de mond leggen, als we ooit niet zo goed zouden weten wat we tot Hem moeten zeggen. Zij snelt ons altijd meteen te hulp om onze stomheid te genezen.

-1. Lc 13,34. -2. Hymne Adoro te devote. -3. Ps 17,8. -4. Ps 61,4-5. -5. Jes 31,5. -6. H. Jean-Baptiste Marie Vianney, Preek over Witte Donderdag. -7. H. Alfonsus Maria van Liguori, Bezoeken aan het Allerheiligst Sacrament, 1. -8. Eerste lezing (oneven jaren), Rom 8,31-39. -9. H. Jozefmaria Escrivá, Vrienden van God, 219. -10. Fil 4,13. -11. H. Johannes Chrysostomus, Homilieën over de Brief aan de Romeinen, 15. -12. H. Teresia van Avila, Leven, 22,6-7. -13. Vgl. H. Thomas More, La agonía de Cristo, Rialp, Madrid 1988, Introd., bl. XXXII. -14. H. Jozefmaria Escrivá, De Smidse, 835.


Derde vrijdag na Pinksteren. Hoogfeest (2)

50. DE LIEFDE VAN JEZUS

-Unieke en persoonlijke liefde tot elk schepsel. -Genoegdoening en eerherstel. -Een «gloeiende oven van liefde».

50.1 Wij hebben de liefde leren kennen die God voor ons heeft. God is liefde: wie in de liefde woont, woont in God en God is met hem, lezen we in een der lezingen van de heilige mis.1

De volheid van Gods goedertierenheid jegens de mensen komt tot uitdrukking in de zending van de Persoon van zijn Eniggeboren Zoon. Wij hebben geleerd dat God ons liefheeft, niet alleen omdat Jezus ons dit voortdurend onderricht heeft, maar omdat zijn tegenwoordigheid onder ons het grootste bewijs van deze liefde is: Hij zelf is de volle openbaring van God en van zijn liefde voor de mensen.2 De heilige Augustinus leert, dat de bron van alle genade de liefde is die God voor ons heeft en die Hij niet alleen door woorden, maar ook door werken heeft geopenbaard. De hoogste daad van deze liefde geschiedde, toen zijn Eniggeboren Zoon sterfelijk vlees aannam en mens werd als wij, behalve dan in de zonde.3

Vandaag zullen we bidden om nieuw licht om Gods liefde voor alle mensen, voor ieder van hen dieper te verstaan. Wij moeten de Heilige Geest smeken, dat wij dagelijks, met zijn genade en ons antwoord daarop, persoonlijk en steeds diepgaander kunnen zeggen: ik heb Gods liefde voor mij leren kennen. Tot die wijsheid -die waarlijk van belang is- zullen wij komen, met de hulp van de genade, als wij vaak de allerheiligste mensheid van Jezus overwegen: zijn leven, zijn daden, zijn lijden om ons te verlossen van de slavernij waarin we ons bevonden en om ons te verheffen tot een vriendschap met Hem, die tot in eeuwigheid zal voortduren. Jezus' hart, een hart met menselijke gevoelens, was het werktuig, verenigd met zijn godheid, om ons zijn onuitsprekelijke liefde tot uitdrukking te brengen; het hart van Jezus is het hart van een goddelijk Persoon, dat wil zeggen, van het mens geworden Woord, en «het beeldt derhalve heel de liefde uit die Hij voor ons heeft gekoesterd en nog steeds koestert, en stelt ons deze voor ogen. Daarin ligt de reden waarom de eredienst tot het Heilig Hart in de praktijk beschouwd wordt als de meest volledige belijdenis van het christelijk geloof. De godsdienst van Jezus Christus is waarlijk geheel en al gebaseerd op de God-Mens, de Middelaar; zodoende kan men slechts tot het Hart van God komen dóór het Hart van Christus, zoals Hij zelf heeft bevestigd: Ik ben de weg, de waarheid en het leven. Niemand komt tot de Vader tenzij door Mij (Joh 14,6).»4

Alle handelingen uit Christus' ziel of wil waren gericht op onze verlossing, om voor ons alle hulp te verkrijgen opdat wij ons nooit van Hem zouden verwijderen of tot Hem zouden terugkeren, als we waren afgedwaald. Er was geen enkel lichaamsdeel, dat niet zou lijden omwille van onze liefde. Alle soorten smart, beschimpingen of smaad aanvaardde Hij vrijwillig voor onze redding. Er was niet één druppel van zijn kostbaar Bloed, dat niet omwille van ons werd vergoten.

God heeft mij lief. Dit is de meest troostvolle waarheid, die méér weerklank moet vinden in de praktijk van mijn leven. Wie zou de diepe ondoorgrondelijkheid kunnen begrijpen van Jezus' goedheid, die zich uit in de oproep die wij hebben ontvangen om met Hem zijn leven, zijn vriendschap te delen...? Een leven en een vriendschap die zelfs niet door de dood kunnen worden verbroken; in tegendeel, die zal haar krachtiger en sterker maken.

«God heeft mij lief... en de apostel Johannes schrijft: 'laten we derhalve God beminnen, want God heeft ons als eerste liefgehad'. -Voor het geval dat deze gering zou zijn, dan richt Jezus zich tot ieder van ons, ondanks onze onmiskenbare ellende, om ons te vragen zoals Hij aan Petrus vroeg: 'Simon, zoon van Johannes, hebt gij Mij méér lief dan dezen?'...

» -Het is tijd om te antwoorden: 'Heer, Gij weet alles, Gij weet dat ik U liefheb!', er nederig aan toevoegend: help mij U meer te beminnen, vermeerder mijn liefde!»5

50.2 In de heilige mis van dit hoogfeest bidden wij: God, in het Hart van uw Zoon, dat om onze zonden gewond werd, schenkt Gij ons genadig de rijkdom van uw liefde. Geef dat wij Hem onze eerbiedige hulde brengen en zo onze plicht tot passend eerherstel vervullen.6

Dit gebedsuur moet ons de onmetelijke vreugde geven andermaal de levende en werkelijke liefde van God voor ieder van ons te overwegen. Een God met een hart van vlees, zoals het onze! Jezus van Nazaret blijft weldoende7 door onze straten en over onze pleinen rondgaan, zoals Hij dat deed toen Hij in sterfelijk vlees onder de mensen verbleef: helpend, genezend, troostend, vergevend, het eeuwig leven schenkend door middel van zijn sacramenten... Dat zijn de oneindige schatten van zijn Hart, die Hij met gulle hand blijft uitdelen. De heilige Paulus leert, dat Hij toen Hij is opgevaren naar den hoge, gevangenen heeft meegevoerd en gaven heeft gegeven aan de mensen.8 Onmetelijk zijn dagelijks de genaden, de ingevingen, de hulp, geestelijk en stoffelijk, die wij van het beminnelijk Hart van Jezus ontvangen. Niettemin «legt Hij zijn heerschappij niet op, maar bedelt om wat liefde door ons zwijgend de wonden van zijn handen te tonen.»9 Hoe vaak hebben wij Hem dat niet geweigerd! Hoe vaak heeft Hij méér liefde, méér ijver verwacht bij dat Bezoek aan het Allerheiligste, in die communie...!

Wij moeten veel eerherstel en genoegdoening brengen aan het allerheiligst Hart van Jezus. Voor ons leven in het verleden, voor zoveel verloren tijd, voor zoveel ruwheid in onze omgang met Hem, voor zoveel onverschilligheid... «Ik bid U -zo zeggen wij tot Hem met de woorden die de hei­lige Bernardus heeft opgeschreven- dat U de offerande van de rest van mijn jaren aanvaardt. Veracht, mijn God, dit berouwvolle en vernederde hart niet, voor alle jaren die ik op verkeerde wijze heb verknoeid.»10 Geef mij, Heer, de gave van berouw over zoveel werkelijke traagheid in mijn om­gang en liefde jegens U, vermeerder mijn afkeer van elke opzettelijke dagelijkse zonde, leer mij om U als boetedoe­ning de fysieke en morele tegenslagen van elke dag aan te bieden, de lasten van het werk, de inspanning om mijn taken te volbrengen zoals Gij dat wilt.

Wij mogen niet onverschillig blijven voor allen die voor de genade wegvluchten. «Vraag Jezus niet alleen vergiffenis voor jóuw zonden; heb Hem niet alleen met jóuw hart lief... Schenk Hem genoegdoening voor alle beledigingen die Hem zijn aangedaan, nu worden aangedaan of zullen worden aangedaan... Heb Hem lief met alle kracht van alle harten van alle mensen die Hem het meest bemind hebben. Durf: zeg Hem, dat je gekker op Hem bent dan Maria Magdalena, dan Teresia van Avila en de kleine Teresia... meer weg van Hem dan Augustinus, dan Dominicus en Franciscus, dan Ignatius en Franciscus Xaverius.»11

50.3 Die twee leerlingen, met wie Jezus meeging op weg naar Emmaüs, herkenden Hem uiteindelijk aan het breken van het brood, na enkele uren samen met Hem meegegaan te zijn. En zij zeiden tot elkaar: Brandde ons hart niet in ons, terwijl Hij onderweg met ons sprak en ons de Schriften ontsloot? 12 Hun hart, dat kort tevoren verdoofd, ontmoedigd en bedroefd was, is nu vol vuur en blijdschap. Dat zou voldoende reden zijn geweest om te herkennen, dat Christus met hen meeging, want dit is de uitwerking die Jezus bewerkstelligt in hen die dicht bij zijn allerbeminnelijkste Hart verkeren. Dat gebeurde toen en dat vindt elke dag plaats.

In die 'kostbare kluis' van Jezus' Hart ligt de volheid van alle liefde. Het is deze liefde, de gave bij uitstek van «het Hart van Christus en van zijn Geest, die aan de apos­telen en aan de martelaren de kracht gaf om de waarheid van het evangelie te prediken, daarvan te getuigen en daar­voor zelfs hun bloed te geven.»13 Hieruit halen ook wij de kracht die nodig is om Christus bekend te maken. In de omgang met Jezus wordt de ware apostolische ijver ontsto­ken, die in staat is stand te houden ondanks schijnbare mislukkingen, ondanks de hindernissen van een omgeving die soms van Jezus lijkt weg te vluchten.

Een vriend schenkt zijn vriend het beste wat hij heeft. Wij bezitten niets dat vergeleken kan worden met het feit dat wij Jezus hebben leren kennen. Daarom moeten wij Christus bekend maken bij onze familieleden, onze vrien­den, onze vakgenoten.

Aan het Hart van Jezus dienen wij onze apostolische ijver voor de zielen te ontsteken. In Hem vinden wij een «gloeiende oven van liefde» voor de zielen, zoals we in de Litanieën van het Heilig Hart bidden. «De oven brandt -zo verklaarde paus Johannes Paulus ii-. Als iets brandt, dan brandt al het stoffelijke op, of het nu hout is of een andere gemakkelijk brandbare substantie.

»Het Hart van Jezus, het menselijk Hart van Jezus, brandt van de liefde waarmee het tot de rand toe gevuld is. En dat is de liefde tot de eeuwige Vader en de liefde tot de mensen: tot zijn aangenomen dochters en zonen.

»Een oven gaat, als hij brandt, langzamerhand uit. Jezus' Hart daarentegen is een onblusbare oven. In dit op­zicht lijkt het op de brandende braamstruik van het boek Exodus, waarin God zich aan Mozes openbaarde. De braam­struik die door het vuur in brand stond, maar die toch niet verbrandde (Ex 3,2).

Inderdaad, de liefde die in Jezus' Hart brandt, is vooral de Heilige Geest, in wie de God-Zoon zich voor eeuwig verenigt met de Vader. Het Hart van Jezus, het menselijk hart van de God-Mens, wordt verteerd door de levende vlam van de drieëne Liefde, die nooit uitblust.

»Hart van Jezus, gloeiende oven van liefde. De oven verlicht, als hij brandt, de duisternis van de nacht en verwarmt de lichamen van de verkleumde voetreizigers.

»Vandaag willen wij bidden tot de Moeder van het Eeuwige Woord, dat tegen de horizon van het leven van ieder van ons het Hart van Jezus, gloeiende oven van liefde, altijd moge branden. Opdat Hij ons de liefde moge openbaren die nooit uitdooft of minder wordt, de liefde die eeuwig is. Opdat Hij de duisternis van de nacht verlicht en de harten verwarmt.

»Wanneer wij Hem dank brengen voor de enige liefde die in staat is de wereld en het menselijk leven om te vormen, dan richten wij ons met de onbevlekte Maagd, op het ogenblik van de Boodschap van de Engel, tot het goddelijk Hart dat altijd een gloeiende oven van liefde is. Brandend: zoals de braamstruik die Mozes zag aan de voet van de berg de Horeb.»14

-1. Tweede lezing (Cyclus A) 1 Joh 4,16. -2. Vgl. Joh 1,18; Heb 1,1. -3. Vgl. H. Augustinus, Tractaat over de Drieëenheid, 9,10. -4. Pius xii, Enc. Haurietis aquas, 15-V-1956. -5. H. Jozefmaria Escrivá, De Smidse, 497. -6. Altaarmissaal, gebed. -7. Vgl. Hnd 10,38. -8. Ef 4,8. -9. H. Jozefmaria Escrivá, Als Christus nu langs komt, 179. -10. H. Bernardus, Preek 20, 1. -11. H. Jozefmaria Escrivá, De Weg, 402. -12. Lc 24,32. -13. Pius xii, loc. cit., 23. -14. Johannes Paulus ii, Engel des Heren 23-VI-1985.




Catalogus 2012
Aanbiedingen
De avonturen van Josemaría
van € 12,00 voor € 5,00
De heilige Jozefmaria Escrivá
van € 9,50 voor € 5,00
Meer aanbiedingen ...
Best verkocht
1 Kinderen van God
2 Korte Geschiedenis van de Katholieke Kerk
3 De Bijbel leren kennen
4 De Katholieke Kerk verkennen
Meer over best verkocht ...
Snel zoeken
Sitemaps: xml  html    ©De Boog 07 feb 2012