-Onze toevlucht en bescherming liggen in de
liefde tot God. Naar het Tabernakel gaan. -Jezus in het Allerheiligste zal ons
alle benodigde hulp verlenen. -Bij het Tabernakel zullen we alle veldslagen
winnen. Eucharistische zielen.
16.1 Tijdens zijn tocht naar Jeruzalem, die
Lucas zo gedetailleerd beschrijft, liet Jezus uit het diepst van zijn hart de
volgende klacht ontsnappen tegen de Heilige Stad, die zijn boodschap afwees: Jeruzalem, Jeruzalem [...], hoe dikwijls heb Ik uw
kinderen willen verzamelen, zoals een kloek haar kuikens verzamelt onder haar
vleugels...1 Zo blijft de Heer ons beschermen: als een kloek haar kuikens, die zo weerloos
zijn. Vanuit het Tabernakel waakt Jezus over ons gaan en staan en let Hij op de
gevaren die ons belagen, geneest Hij onze wonden en schenkt Hij ons voortdurend
zijn Leven. Vaak hebben wij tot Hem gezegd: Pie pellicane, Iesu Domine, me immundum munda tuo sanguine... Pelikaan
vol goedheid, Gij, Jezus, mijn Heer, reinig mij, onreine, met uw eigen bloed,
waarvan toch één druppel zalig maken kan heel de grote wereld uit haar
zondigheid.2 In Hem
ligt ons heil en onze toevlucht.
Het beeld van de rechtvaardige die bij de Heer
bescherming zoekt «zoals kuikens zich beschutten onder de vleugels van hun
moeder», komt vaak voor in de Heilige Schrift: Bewaar als uw oogappel mij, verberg mij, door uw vleugelen beschaduwd 3, want altijd waart Gij mij de toevlucht, een bolwerk
naar de vijand gekeerd. Laat in uw tent mij wijlen voor immer, schuilen waar
mij uw vleugelen beschutten4, zo lezen we in de Psalmen. De profeet Jesaja neemt zijn toevlucht tot
dit beeld om het uitverkoren volk ervan te verzekeren, dat God het tegen zijn
belagers zal beschermen. Zoals vogels
heen en weer vliegen boven hun jongen, zo zal Jahwe van de legerscharen
Jeruzalem beschermen.5
Aan het einde van ons leven zal Jezus onze
Rechter en onze Vriend zijn. Toen Hij hier op aarde leefde en ook zolang onze
pelgrimstocht duurt, is het zijn zending ons te redden, en daarbij geeft Hij
ons alle hulp die wij nodig hebben. Vanuit het Tabernakel beschermt Jezus ons
op duizend-en-een manieren. Hoe zouden we ons een Jezus kunnen voorstellen, die
zich op afstand houdt van de moeilijkheden die we ondervinden en die
onverschillig staat tegenover wat ons bedrukt?
Hij wilde in alle uithoeken van de wereld
verblijven, opdat wij Hem gemakkelijk ontmoeten en genezing en hulp vinden in
de warmte van zijn vriendschap. «Als wij pijn lijden of onaangename dingen
meemaken, verlicht en troost Hij ons. Als we ziek worden, zal Hij ofwel ons
geneesmiddel zijn of ons de kracht geven om het lijden te dragen, opdat wij
aldus de hemel verdienen. Als de duivel en de hartstochten ons de oorlog
verklaren, zal Hij ons de wapens geven om te strijden, weerstand te bieden en
de overwinning te behalen. Als we arm zijn, zal Hij ons verrijken met alle
soorten goede dingen, nu en in eeuwigheid.»6
Laten wij Hem altijd, elke dag, vergezellen. Die paar minuten van ons bezoek
zullen de best bestede ogenblikken van de dag zijn. «Ach, en wat moeten we, zo
vraagt ge soms, doen voor Gods aanschijn in het Sacrament? Hem beminnen,
prijzen, danken en smeken. Wat doet een arme als hij bij een rijke is? Een een
zieke bij de dokter? Wat doet iemand die dorst heeft, als hij een kristalheldere
bron ontwaart?»7
16.2 Ons vertrouwen, dat we alle
beproevingen, gevaren en lijden te boven zullen komen, is niet gebaseerd op
onze krachten, die altijd bescheiden zijn, maar op de bescherming van God die
ons van eeuwigheid af heeft bemind en zelfs zijn Zoon aan de dood heeft
overgeleverd voor onze redding. Dezelfde Jezus blijft ons nabij in het
Tabernakel, misschien wel op korte afstand van onze woning of ons werk, om ons
te steunen, onze wonden te helen en ons nieuwe moed te geven op de weg die
uiteindelijk ten hemel leidt. Het is voldoende als wij naderen tot Hem, die
altijd op ons wacht. Niets van wat ons kan overkomen, zal ons van God kunnen
verwijderen, zoals de heilige Paulus ons leert in een van de lezingen van de
heilige Mis8, want indien God vóór ons is, wie zal dan tegen ons zijn? Hij heeft zelfs
zijn eigen Zoon niet gespaard, voor ons allen heeft Hij Hem overgeleverd. En
zou Hij ons na zulk een gave ook niet al het andere schenken? [...] Wie zal ons
scheiden van de liefde van Christus? Verdrukking wellicht of nood, vervolging,
honger, naaktheid, levensgevaar of het zwaard?
Niets zal ons van Hem kunnen scheiden, als wij ons niet van Hem verwijderen.
«Bekleed met de goddelijke genade zullen wij de
bergen doorkruisen (vgl. Ps 103,10), en wij zullen de steile helling beklimmen -de
vervulling van onze christenplicht- zonder te stoppen. Als wij, vol goede wil,
deze hulpmiddelen gebruiken en de Heer vragen of Hij ons hoop verleent die elke
dag groter is, zullen wij de aanstekelijke blijdschap bezitten van hen die zich
kinderen van God weten: Indien God
vóór ons is, wie zal dan tegen ons zijn? (Rom
8,31).»9
Hoewel de Heer heel krachtige bekoringen kan
toelaten of ook kan toestaan, dat de moeilijkheden in het gezin toenemen, of
dat er ziekte komt of de weg moeilijker wordt..., geen enkele beproeving is op
zichzelf krachtig genoeg om ons van Jezus te scheiden. Meer nog, door een
bezoek aan het meest nabije Tabernakel, door een goed gebed, zullen we Gods
machtige hand aantreffen en zullen we kunnen zeggen: Omnia possum in eo qui me confortat.10Alles vermag ik in Hem die mij kracht geeft.
En de heilige Paulus vervolgt in de eerste lezing van de heilige Mis: Ik ben ervan overtuigd, dat noch de dood noch het
leven, noch engelen noch boze geesten, noch wat is noch wat zijn zal, en geen
macht in den hoge of in de diepte, noch enig wezen in het heelal ons zal kunnen
scheiden van de liefde Gods, die is in Christus Jezus. Het is een gezang van vertrouwen en optimisme dat we vandaag tot het
onze mogen maken.
De heilige Johannes Chrysostomus herinnert ons
eraan, dat «Paulus zelfs moest strijden tegen talloze vijanden. De vreemdelingen
vielen hem aan, zijn eigen lijfwachten legden hem valstrikken, zelfs de
gelovigen -soms in groten getale- verzetten zich tegen hem, en toch heeft
Paulus over dit alles gezegevierd. Laten we niet vergeten, dat een christen die
trouw blijft aan de wetten van zijn God, zowel de mensen als de satan zelf zal
overwinnen.»11 Als we dicht bij Jezus blijven,
tegenwoordig in de Eucharistie, zullen we in alle veldslagen zegevieren, ook al
lijken we die soms te verliezen... Het Tabernakel zal onze burcht zijn, want
Jezus is bij ons willen blijven om ons te beschermen, om ons te steunen in alle
noden. Komt tot Mij..., roept Hij ons elke dag toe.
16.3 De gemoedsrust die we moeten bezitten,
verkrijgen we niet door de ogen te sluiten voor de werkelijkheid of door te
denken dat we geen hindernissen of moeilijkheden zullen tegenkomen, maar wel
door het heden en de situatie optimistisch te bezien, omdat we weten dat de
Heer bij ons wilde blijven om ons te hulp te komen.
Juist uit de beproevingen van het leven zal een
groot goed voortkomen, en we zullen nooit alleen staan in de moeilijkste
omstandigheden. Als we in zulke gevallen zo dankbaar zijn voor de nabijheid van
een vriend, wat zal dan niet de vrede zijn die we verkrijgen bij de Vriend in
het meest nabije Tabernakel? Daar moeten we aanstonds heen gaan om troost,
vrede en de nodige kracht te vinden. «Wat willen we nog liever bij ons hebben
dan zo'n goede Vriend, die ons niet in de steek laat bij moeilijkheden en
tegenslagen, zoals de vrienden van de wereld doen?»12,
zo schrijft de heilige Teresia van Ávila.
Toen het hem al
duidelijk werd dat hij vervolgd zou worden, werd de
heilige Thomas More opgeroepen om voor de rechtbank
van Lambeth te verschijnen. More nam afscheidvan de zijnen, maar hij wilde niet dat zij hem, zoals gewoonlijk,
vergezelden tot aan de aanlegsteiger. Hij werd alleen begeleid door William Roper, de echtgenoot van zijn oudste kind,
zijn lievelingsdochter Margareth, en enkele bedienden. Niemand in de boot
durfde het stilzwijgen te verbreken. Na een tijdje fluisterde Thomas, geheel
onverwachts, Roper in het oor: «Son Roper, I thank our God the field is won:
Roper, mijn zoon, ik dank God, want de slag is gewonnen.» Roper zou later
bekennen, dat hij de betekenis van die woorden niet goed had begrepen.
Naderhand echter begreep hij, dat More's liefde zozeer gegroeid was, dat die
hem de zekerheid gaf, dat hij elke hindernis zou overwinnen.13 Het was de zekerheid van degene die wist, dat zijn
laatste veldslag nabij was, maar erop rekende, dat de Heer hem op dit
belangrijkste moment niet zou verlaten. Als wij Jezus nabij blijven, als wij
'eucharistische zielen' zijn, zal Hij ons beschutten, zoals vogels hun jongen,
en zullen we altijd tegenover de grootste hindernissen
bij voorbaat kunnen zeggen: «de strijd is gewonnen.»
«Wees een eucharistische ziel! Als het
middelpunt van je gedachten en verwachtingen in het Tabernakel ligt, mijn zoon,
hoe overvloedig zijn dan de vruchten van heiligheid en apostolaat!»14 De heilige Maria, die zo vaak met Hem hier op aarde
heeft gesproken en die Hem nu voor altijd in de hemel aanschouwt, zal ons de
gepaste woorden in de mond leggen, als we ooit niet zo goed zouden weten wat we
tot Hem moeten zeggen. Zij snelt ons altijd meteen te hulp om onze stomheid te
genezen.
-1. Lc 13,34. -2. Hymne Adoro te devote. -3. Ps 17,8. -4. Ps 61,4-5. -5. Jes 31,5. -6. H. Jean-Baptiste Marie Vianney, Preek over Witte Donderdag. -7. H. Alfonsus Maria van Liguori,Bezoeken aan het
Allerheiligst Sacrament, 1. -8. Eerste lezing (oneven
jaren), Rom 8,31-39. -9. H. Jozefmaria
Escrivá, Vrienden van God, 219. -10.
Fil 4,13. -11.
H. Johannes Chrysostomus, Homilieën over de Brief aan de Romeinen, 15. -12. H. Teresia van
Avila, Leven, 22,6-7. -13. Vgl. H. Thomas More,
La agonía de Cristo, Rialp, Madrid 1988, Introd., bl. XXXII. -14. H. Jozefmaria Escrivá, De Smidse, 835.
Derde vrijdag na
Pinksteren. Hoogfeest (2)
50. DE LIEFDE VAN JEZUS
-Unieke en
persoonlijke liefde tot elk schepsel. -Genoegdoening en
eerherstel. -Een «gloeiende oven van liefde».
50.1Wij hebben
de liefde leren kennen die God voor ons heeft. God is liefde: wie in de liefde
woont, woont in God en God is met hem, lezen we in
een der lezingen van de heilige mis.1
De volheid van
Gods goedertierenheid jegens de mensen komt tot
uitdrukking in de zending van de Persoon van zijn Eniggeboren Zoon. Wij hebben
geleerd dat God ons liefheeft, niet alleen omdat Jezus ons dit voortdurend
onderricht heeft, maar omdat zijn tegenwoordigheid onder ons het grootste
bewijs van deze liefde is: Hij zelf is de volle openbaring van God en van zijn
liefde voor de mensen.2 De heilige Augustinus
leert, dat de bron van alle genade de liefde is die God voor ons heeft en die
Hij niet alleen door woorden, maar ook door werken heeft geopenbaard. De
hoogste daad van deze liefde geschiedde, toen zijn Eniggeboren Zoon sterfelijk
vlees aannam en mens werd als wij, behalve dan in de zonde.3
Vandaag zullen we bidden om nieuw licht om Gods
liefde voor alle mensen, voor ieder van hen dieper te verstaan. Wij moeten de
Heilige Geest smeken, dat wij dagelijks, met zijn genade en ons antwoord
daarop, persoonlijk en steeds diepgaander kunnen zeggen: ik heb Gods liefde
voor mij leren kennen. Tot die wijsheid -die waarlijk
van belang is- zullen wij komen, met de hulp van de genade, als wij vaak
de allerheiligste mensheid van Jezus overwegen: zijn leven, zijn daden, zijn
lijden om ons te verlossen van de slavernij waarin we ons bevonden en om ons te
verheffen tot een vriendschap met Hem, die tot in eeuwigheid zal voortduren.
Jezus' hart, een hart met menselijke
gevoelens, was het werktuig, verenigd met zijn godheid, om ons zijn
onuitsprekelijke liefde tot uitdrukking te brengen; het hart van Jezus is het
hart van een goddelijk Persoon, dat wil
zeggen, van het mens geworden Woord, en «het beeldt derhalve heel de
liefde uit die Hij voor ons heeft gekoesterd en nog steeds koestert, en stelt
ons deze voor ogen. Daarin ligt de reden waarom de eredienst tot het Heilig
Hart in de praktijk beschouwd wordt als de meest volledige belijdenis van het
christelijk geloof. De godsdienst van Jezus Christus is waarlijk geheel en al
gebaseerd op de God-Mens, de Middelaar; zodoende kan men slechts tot het Hart
van God komen dóór het Hart van Christus, zoals Hij zelf heeft bevestigd: Ik ben de weg, de waarheid en het leven.
Niemand komt tot de Vader tenzij door Mij (Joh 14,6).»4
Alle handelingen uit Christus' ziel of wil
waren gericht op onze verlossing, om voor ons alle hulp te verkrijgen opdat wij
ons nooit van Hem zouden verwijderen of tot Hem zouden terugkeren, als we waren
afgedwaald. Er was geen enkel lichaamsdeel, dat niet zou lijden omwille van
onze liefde. Alle soorten smart, beschimpingen of smaad aanvaardde Hij
vrijwillig voor onze redding. Er was niet één druppel van zijn kostbaar Bloed,
dat niet omwille van ons werd vergoten.
God heeft mij
lief. Dit is de meest troostvolle waarheid, die méér
weerklank moet vinden in de praktijk van mijn leven. Wie zou de diepe
ondoorgrondelijkheid kunnen begrijpen van Jezus' goedheid, die zich uit in de
oproep die wij hebben ontvangen om met Hem zijn leven, zijn vriendschap te
delen...? Een leven en een vriendschap die zelfs niet door de dood kunnen worden
verbroken; in tegendeel, die zal haar krachtiger en sterker maken.
«God heeft mij lief... en de apostel Johannes
schrijft: 'laten we derhalve God beminnen, want God heeft ons als eerste
liefgehad'. -Voor het geval dat deze gering zou zijn, dan richt Jezus zich tot
ieder van ons, ondanks onze onmiskenbare ellende, om ons te vragen zoals Hij
aan Petrus vroeg: 'Simon, zoon van Johannes, hebt gij Mij méér lief dan
dezen?'...
» -Het is tijd om te antwoorden: 'Heer, Gij
weet alles, Gij weet dat ik U liefheb!', er nederig aan toevoegend: help mij U
meer te beminnen, vermeerder mijn liefde!»5
50.2 In de heilige mis van dit hoogfeest bidden wij: God, in het Hart van uw Zoon,
dat om onze zonden gewond werd, schenkt Gij ons genadig de rijkdom van uw
liefde. Geef dat wij Hem onze eerbiedige hulde brengen en zo onze plicht tot
passend eerherstel vervullen.6
Dit gebedsuur moet ons de onmetelijke vreugde
geven andermaal de levende en werkelijke liefde van God voor ieder van ons te
overwegen. Een God met een hart van vlees, zoals het onze! Jezus van Nazaret
blijft weldoende7 door onze straten en over onze
pleinen rondgaan, zoals Hij dat deed toen Hij in sterfelijk vlees onder de
mensen verbleef: helpend, genezend, troostend, vergevend, het eeuwig leven
schenkend door middel van zijn sacramenten... Dat zijn de oneindige schatten van
zijn Hart, die Hij met gulle hand blijft uitdelen. De heilige Paulus leert, dat
Hij toen Hij is opgevaren naar den
hoge, gevangenen heeft meegevoerd en gaven heeft gegeven aan de mensen.8 Onmetelijk zijn dagelijks de genaden, de ingevingen,
de hulp, geestelijk en stoffelijk, die wij van het beminnelijk Hart van Jezus
ontvangen. Niettemin «legt Hij zijn heerschappij niet op, maar bedelt om wat
liefde door ons zwijgend de wonden van zijn handen te tonen.»9 Hoe vaak hebben wij Hem dat niet geweigerd! Hoe vaak
heeft Hij méér liefde, méér ijver verwacht bij dat Bezoek aan het
Allerheiligste, in die communie...!
Wij moeten veel eerherstel en genoegdoening
brengen aan het allerheiligst Hart van
Jezus. Voor ons leven in het verleden, voor zoveel verloren tijd, voor
zoveel ruwheid in onze omgang met Hem, voor
zoveel onverschilligheid... «Ik bid U -zo zeggen wij tot Hem met de
woorden die de heilige Bernardus heeft
opgeschreven- dat U de offerande van de rest van mijn jaren aanvaardt.
Veracht, mijn God, dit berouwvolle en vernederde hart niet, voor alle jaren die
ik op verkeerde wijze heb verknoeid.»10 Geef mij, Heer, de gave van berouw over zoveel werkelijke traagheid
in mijn omgang en liefde jegens U, vermeerder mijn afkeer van elke
opzettelijke dagelijkse zonde, leer mij om U als boetedoening de fysieke en
morele tegenslagen van elke dag aan te bieden, de lasten van het werk, de
inspanning om mijn taken te volbrengen zoals Gij dat wilt.
Wij mogen niet onverschillig blijven voor allen
die voor de genade wegvluchten. «Vraag Jezus
niet alleen vergiffenisvoor jóuw
zonden; heb Hem niet alleen met jóuw hart lief...Schenk Hem genoegdoening voor alle beledigingen die Hem zijn
aangedaan, nu worden aangedaan of zullen worden aangedaan... Heb Hem lief met alle kracht van alle harten van alle
mensen die Hem het meest bemind hebben. Durf: zeg
Hem, dat je gekker op Hem bent dan Maria Magdalena, dan Teresia van
Avila en de kleine Teresia... meer weg van Hem dan Augustinus, dan Dominicus en
Franciscus, dan Ignatius en Franciscus Xaverius.»11
50.3 Die twee leerlingen, met wie Jezus meeging op weg naar Emmaüs,
herkenden Hem uiteindelijk aan het breken van het brood, na enkele uren samen
met Hem meegegaan te zijn. En zij zeiden tot elkaar: Brandde ons hart niet in ons, terwijl
Hij onderweg met ons sprak en ons de Schriften ontsloot? 12 Hun hart, dat
kort tevoren verdoofd, ontmoedigd en bedroefd was, is nu vol vuur en
blijdschap. Dat zou voldoende reden zijn geweest om te herkennen, dat Christus
met hen meeging, want dit is de uitwerking die Jezus bewerkstelligt in hen die
dicht bij zijn allerbeminnelijkste Hart verkeren. Dat gebeurde toen en dat
vindt elke dag plaats.
In die 'kostbare kluis' van Jezus' Hart ligt de
volheid van alle liefde. Het is deze liefde, de gave bij uitstek van «het Hart van Christus en van zijn Geest, die aan
de apostelen en aan de martelaren de kracht gaf om de waarheid van het evangelie te prediken, daarvan te getuigen
en daarvoor zelfs hun bloed te geven.»13
Hieruit halen ook wij de kracht die nodig is
om Christus bekend te maken. In de omgang
met Jezus wordt de ware apostolische ijver ontstoken, die in staat is
stand te houden ondanks schijnbare mislukkingen,
ondanks de hindernissen van een omgeving die soms van Jezus lijkt weg te
vluchten.
Een vriend schenkt zijn vriend het beste wat
hij heeft. Wij bezitten niets dat vergeleken kan worden met het feit dat wij
Jezus hebben leren kennen. Daarom moeten wij Christus bekend maken bij onze
familieleden, onze vrienden, onze vakgenoten.
Aan het Hart van Jezus dienen wij onze
apostolische ijver voor de zielen te ontsteken. In Hem vinden wij een
«gloeiende oven van liefde» voor de zielen, zoals we in de Litanieën van het
Heilig Hart bidden. «De oven brandt -zo verklaarde paus Johannes Paulus ii-. Als iets brandt, dan brandt al het
stoffelijke op, of het nu hout is of een andere gemakkelijk brandbare
substantie.
»Het Hart van Jezus, het menselijk Hart van
Jezus, brandt van de liefde waarmee het tot
de rand toe gevuld is. En dat is de liefde tot de eeuwige Vader en de
liefde tot de mensen: tot zijn aangenomen dochters en zonen.
»Een oven gaat, als hij brandt, langzamerhand
uit. Jezus' Hart daarentegen is een onblusbare
oven. In dit opzicht lijkt het op de brandende braamstruik van het boek
Exodus, waarin God zich aan Mozes
openbaarde. De braamstruik die door
het vuur in brand stond, maar die toch niet verbrandde (Ex 3,2).
Inderdaad, de
liefde die in Jezus' Hart brandt, is vooral de Heilige
Geest, in wie de God-Zoon zich voor eeuwig verenigt met de Vader. Het Hart van
Jezus, het menselijk hart van de God-Mens,
wordt verteerd door de levende vlam van de drieëne Liefde, die nooit
uitblust.
»Hart van Jezus, gloeiende oven van liefde. De
oven verlicht, als hij brandt, de duisternis van de nacht en verwarmt de
lichamen van de verkleumde voetreizigers.
»Vandaag willen wij bidden tot de Moeder van
het Eeuwige Woord, dat tegen de horizon van het leven van ieder van ons het
Hart van Jezus, gloeiende oven van liefde, altijd moge branden. Opdat Hij ons
de liefde moge openbaren die nooit uitdooft of minder wordt, de liefde die
eeuwig is. Opdat Hij de duisternis van de nacht verlicht en de harten verwarmt.
»Wanneer wij Hem dank brengen voor de enige
liefde die in staat is de wereld en het menselijk leven om te vormen, dan
richten wij ons met de onbevlekte Maagd, op het ogenblik van de Boodschap van
de Engel, tot het goddelijk Hart dat altijd een gloeiende oven van liefde is.
Brandend: zoals de braamstruik die Mozes zag aan de voet van de berg de Horeb.»14
-1. Tweede
lezing (Cyclus A) 1 Joh 4,16. -2. Vgl. Joh 1,18; Heb 1,1. -3. Vgl. H. Augustinus, Tractaat over de Drieëenheid, 9,10. -4. Pius xii, Enc. Haurietis aquas, 15-V-1956. -5. H. Jozefmaria Escrivá, De Smidse, 497. -6. Altaarmissaal, gebed. -7. Vgl. Hnd 10,38. -8. Ef 4,8. -9. H. Jozefmaria Escrivá, Als Christus
nu langs komt, 179. -10. H. Bernardus, Preek 20, 1. -11. H. Jozefmaria Escrivá, De Weg, 402. -12. Lc 24,32. -13. Pius xii, loc. cit., 23. -14. Johannes
Paulus ii, Engel des Heren 23-VI-1985.