Boeken over RK geloof en leven
Boeken & DVD's Voor eenheid van geloof en leven 
Home Best verkocht Alle titels Aanbiedingen Bestellijst Help Contact
pijl
Categorie
Kort Bestek
Andere pockets
Arco Reeks
Van Jozefmaria Escrivá
Spreken met God
Andere Boeken
Over Jozefmaria Escrivá
Voor kinderen
Jade Reeks
Theologie/ATRIUM
Video / DVD
Navarre bible

Zoek cadeau
tot € 5,-
van € 5,- tot € 10,-
van € 10,- tot € 20,-
vanaf € 20,-

Zoeken


Meditaties
Uit Spreken met God


Betaal snel & veilig met
Meditaties Uit de serie Spreken met God

Eenendertigste week. Maandag

22. de liefde zoekt zichzelf niet

-Geven en onszelf geven, ook al zien we geen vruchten of reacties. -De beloning voor edelmoedigheid. Blijmoedig geven. -De ontvangen talenten in dienst van de anderen stellen.

22.1 Jezus was voor het eten uitgenodigd door een van de voornaamste Farizeeën van de plaats1, en wederom gebruikt Hij het beeld van het gastmaal om ons een belangrijke les te geven over hetgeen wij voor de anderen moeten doen en hoe wij dat kunnen volbrengen. De Heer wendde zich tot de gastheer en sprak: Wanneer gij een middag- of avondmaal geeft, nodig dan niet uw vrienden, broers en bloedverwanten uit en ook geen rijke buren. Het zou kunnen zijn, dat zij op hun beurt u uitnodigen en gij het dus terugkrijgt. Daarentegen geeft Jezus meteen aan wie men dan wel moet uitnodigen: armen, gebrekkigen, kreupelen, blinden... En als reden van deze keuze geeft Hij: Gelukkig zult ge zijn, omdat zij het u niet kunnen vergelden. Het zal u vergolden worden bij de opstanding van de rechtvaardigen.2

Vrienden, bloedverwanten, rijke buren zullen zich door onze uitnodiging verplicht voelen deze te beantwoorden met een invitatie van hun kant, minstens van hetzelfde gehalte of nog hoger. Hetgeen men in de maaltijd heeft geïnvesteerd, heeft dan al meteen zijn vruchten opgeleverd. Dit kan een correct menselijk handelen zijn, zelfs zeer goed als het met oprechte bedoelingen gebeurt en de doeleinden edel zijn (vriendschap, apostolaat, familiebanden aanhalen...), maar op zichzelf genomen verschilt dit weinig van wat de heidenen doen. Het is een menselijke wijze van te werk gaan: Als ge bemint wie u beminnen, wat voor recht op dank hebt ge dan? Ook de zondaars beminnen wie hen liefhebben. Als ge weldoet aan wie u weldaden bewijzen, wat voor recht op dank hebt ge dan? Dat doen de zondaars ook...3, zal de Heer bij een andere gelegenheid zeggen. De naastenliefde van de christen gaat verder; zij sluit in -en overstijgt tegelijkertijd- het plan van het natuurlijke, van het louter menselijke: zij geeft uit liefde tot de Heer, en zonder iets terug te verwachten. Armen, verminkten... zij kunnen niets teruggeven, omdat zij niets bezitten. Dan kan men gemakkelijk Christus in de ander zien. Het beeld van het gastmaal beperkt zich niet uitsluitend tot stoffelijke goederen; het is het beeld van alles wat de mens aan anderen kan aanbieden: waardering, blijheid, optimisme, gezelschap, aandacht...

Men vertelt van het leven van de heilige Martinus, dat deze in een droom een verschijning kreeg van Christus, die bekleed was met de helft van de Romeinse officiersmantel die hij kort tevoren aan een arme had gegeven. Hij bekeek de Heer aandachtig en herkende zijn kleding. Tegelijker­tijd hoorde hij hoe Jezus, met een stem die hij nooit zou vergeten, tot de engelen zei die Hem vergezelden: «Marti­nus, die nog pas een doopleerling is, heeft Mij met deze mantel bekleed.» En onmiddellijk schoten de heilige die andere woorden van Jezus te binnen: Al wat gij gedaan hebt voor een dezer geringsten van mijn broeders, hebt gij voor Mij gedaan.4 Dit visioen vervulde Martinus met moed en vrede, en spoedig ontving hij het doopsel.5

We moeten het goede niet doen om in dit leven een beloning of onmiddellijke vruchten te verwachten. Wij moeten hier edelmoedig zijn -in het apostolaat, in het geven van aalmoezen, in werken van barmhartigheid...- zonder daarvoor iets terug te verwachten. De liefde zoekt niets, de liefde zoekt zichzelf niet.6 Geven, zaaien, onszelf geven, ook al zien we vruchten noch reacties noch dankbaarheid, en ook geen schijnbaar persoonlijk voordeel. De Heer leert ons in deze gelijkenis dat wij royaal moeten geven, zonder op enige wederdienst te rekenen. Die zullen we in overvloed krijgen.

22.2 Er gaat niets verloren van hetgeen we tot stand brengen ten gunste van de anderen. Geven vergroot het hart en houdt het jeugdig, vermeerdert zijn capaciteit tot liefhebben. Egoïsme verkleint en beperkt de eigen horizon en maakt die arm en beperkt. Hoe meer we daarentegen geven, hoe rijker onze ziel wordt. Soms zullen we de vruchten niet zien en zullen we zelfs geen enkele dank van de mensen ontvangen; het is voor ons voldoende te weten, dat Christus zelf het voorwerp van onze edelmoedigheid is. Niets gaat verloren. «Gij ziet -legt de heilige Augustinus uit- nu niet het belang van het goede dat ge doet; ook de landbouwer moet bij het zaaien nog wachten op de oogst; maar hij vertrouwt op de aarde. Waarom vertrouwt gij niet op God? Er zal een dag komen, waarop we zullen oogsten. Stel u voor, dat we nu nog bezig zijn met het bewerken van het land; maar we doen dat om later te kunnen oogsten, zoals de Heilige Schrift het zegt: Zij die zaaien met tranen, zij zullen oogsten met jubel, onder het dragen van zijn schoven (Ps 125).»7 Liefde verliest niet de moed als zij niet onmiddellijk resultaat ziet; zij weet te wachten, zij is geduldig.

Edelmoedigheid opent de bedding voor een levensbehoefte van de mens: geven. Het hart dat geen goed weet te doen aan hen door wie het omringd wordt, aan de samenleving zelf, wordt ongeschikt, veroudert en sterft af. Wanneer we geven, verheugt zich het hart en zijn we in staat de Heer beter te begrijpen, die zijn leven als losprijs voor allen heeft gegeven.8 Wanneer de heilige Paulus de christenen van Filippi dankt voor de hulp die zij hem hebben verleend, leert hij hun dat hij niet zozeer blij is over de weldaad die hij heeft ontvangen, maar vooral over de vruchten die de aalmoezen hunzelf zullen opleveren voor het steeds aangroeiend tegoed op uw rekening9, zoals hij tot hen zegt. Daarom beveelt de heilige Leo de Grote aan «dat iemand die aalmoezen geeft, het onbezorgd en vol vreugde doet want hoe minder men voor zichzelf houdt, des te groter zal de winst zijn die men behaalt.»10

Ook de heilige Paulus spoorde de eerste christenen aan om vol vreugde de edelmoedigheid te beleven, want God houdt van een blijmoedige gever.11 Niemand -zeker niet de Heer- is gesteld op een dienst die men verleent of een aalmoes die men geeft met tegenzin of in droefheid: «Als ge het brood met droefheid geeft -zo legt de heilige Augustinus uit- zijt ge het brood en de beloning kwijt.»12 De Heer wordt daarentegen geestdriftig bij de overgave van wie uit liefde, spontaan, zonder berekening geeft en zichzelf geeft...

22.3 Wij kunnen veel aan anderen geven en meehelpen aan werken van hulpverlening aan degenen die het meest onmisbare ontberen, of vorming, cultuur... We kunnen financiële steun geven -ook al is die gering, als we over weinig beschikken-, tijd, gezelschap, hartelijkheid... Het gaat erom dat wij de talenten die we van de Heer hebben ontvangen, ten dienste van de anderen gebruiken. «Dit is een dringende taak: het geweten van gelovigen en ongelovigen wakker schudden -mensen van goede wil mobiliseren- om hen te laten meehelpen en hun de materiële middelen te bezorgen die nodig zijn bij het werk voor de zielen.»13

Het evangelie van de heilige Mis leert ons, dat de beste beloning voor edelmoedigheid op aarde is: gegeven hebben. Daar houdt alles mee op. We mogen de ander later nergens meer aan herinneren; we mogen niets eisen. Gewoonlijk is het beter als ouders hun kinderen niet herinneren aan het vele dat zij voor hen hebben gedaan; evenmin de vrouw haar man aan de duizenden vormen van hulp die zij hem in moeilijke ogenblikken verleend heeft, de zorg, het geduld...; en de echtgenoot moet zijn vrouw niet herinneren aan zijn harde arbeid om het gezin te onderhouden... Alles is beter in Gods aanschijn en staat opgeschreven in het persoonsverhaal van ieder van ons. Het verdient de voorkeur -en dat is de Heer veel welgevalliger- geen rekening op te maken van alles wat we met vreugde hebben gedaan, zonder te denken aan enige vorm van beloning, met volle edelmoedigheid. Ook het aanvaarden van het feit dat de goede handelingen die we willen volbrengen, soms verkeerd vertaald zullen worden. «Ik zag het gezicht van die eenvoudige man rood worden en er stonden bijna tranen in zijn ogen: hij had edelmoedig met zijn eigen, eerlijk verdiende geld bijgedragen aan goede werken, en toen kreeg hij te horen dat 'de goeden' zijn daden als oneerlijk brandmerkten. -Met de naïviteit van de beginneling in deze veldslagen van God mompelde hij: 'Ze zien dat ik me opoffer... en toch slachten ze me af!' Ik heb rustig met hem gesproken; hij kuste mijn crucifix en zijn begrijpelijke verontwaardiging veranderde in vrede en vreugde.»14

De Heer zegt ons dat wij de ander moeten begrijpen, ook al begrijpt die ons niet -misschien kan hij dat niet op dat ogenblik, zoals die behoeftige genodigden aan het gastmaal, die niet met een tegen-invitatie konden antwoorden. En de mensen beminnen, ook al kennen ze ons niet, en vele kleine diensten verlenen, ook als ons die in soortgelijke omstandigheden worden ontzegd. Het leven vriendelijk maken voor wie ons omringen, ook al lijken we soms niet beantwoord te worden... En dat alles met een groot hart, zonder een boekhouding bij te houden van elke verleende gunst. Wanneer men het gejammer en geklaag hoort van sommigen die -naar zij zeggen- in hun leven almaar hebben gegeven en zichzelf hebben overgegeven zonder daarvoor hetzelfde te hebben teruggekregen, dan kan men vermoeden dat er iets wezenlijks aan die overgave heeft ontbroken, wellicht oprechtheid van bedoeling. Want geven kan geen neerslachtigheid of vermoeienis veroorzaken, maar wel innerlijke vreugde en het bemerken, dat het hart groter wordt en God verheugd is over wat we gedaan hebben. «Hoe edelmoediger je bent voor God, hoe gelukkiger je zult zijn.»16

Onze heilige Moeder Maria, die met haar fiat haar wezen en haar leven aan de Heer en aan ons, haar kinderen, heeft overgegeven, zal ons helpen om niets voor onszelf te behouden, maar om edelmoedig te zijn in de duizenden kleine kansen die zich iedere dag voordoen.

-1. Vgl. Lc 14,1. -2. Lc 14,12-14. -3. Lc 6,32. -4. Mt 25,40. -5. Vgl. P. Croiset, Año cristiano, Madrid 1846, vol. IV, bl. 82-83. -6. 1 Kor 13,5. -7. H. Augustinus, Preek 102, 5. -8. Vgl. Mt 20,28. -9. Fil 4,17. -10. H. Leo de Grote, Preek X over de Vasten. -11. 2 Kor 9,7. -12. H. Augustinus, Commentaar op de Psalmen, 42,8. -13. H. Jozefmaria Escrivá, De Voor, 24. -14. Ibidem, 28. -15. Ibidem, 18.




Catalogus 2012
Aanbiedingen
De avonturen van Josemaría
van € 12,00 voor € 5,00
De heilige Jozefmaria Escrivá
van € 9,50 voor € 5,00
Meer aanbiedingen ...
Best verkocht
1 Kinderen van God
2 Korte Geschiedenis van de Katholieke Kerk
3 De Bijbel leren kennen
4 De Katholieke Kerk verkennen
Meer over best verkocht ...
Snel zoeken
Sitemaps: xml  html    ©De Boog 08 feb 2012