Eenendertigste week. Maandag
22. de liefde zoekt zichzelf niet
-Geven en onszelf geven, ook al zien we geen
vruchten of reacties. -De beloning voor edelmoedigheid. Blijmoedig geven. -De
ontvangen talenten in dienst van de anderen stellen.
22.1 Jezus was voor het eten uitgenodigd
door een van de voornaamste Farizeeën van de plaats1,
en wederom gebruikt Hij het beeld van het gastmaal om ons een belangrijke les
te geven over hetgeen wij voor de anderen moeten doen en hoe wij dat kunnen
volbrengen. De Heer wendde zich tot de gastheer en sprak: Wanneer gij een middag- of avondmaal geeft, nodig
dan niet uw vrienden, broers en bloedverwanten uit en ook geen rijke buren. Het
zou kunnen zijn, dat zij op hun beurt u uitnodigen en gij het dus terugkrijgt. Daarentegen geeft Jezus meteen aan wie men dan wel moet uitnodigen:
armen, gebrekkigen, kreupelen, blinden... En als reden van deze keuze geeft Hij: Gelukkig zult ge zijn, omdat zij het u niet kunnen
vergelden. Het zal u vergolden worden bij de opstanding van de rechtvaardigen.2
Vrienden, bloedverwanten, rijke buren zullen
zich door onze uitnodiging verplicht voelen deze te beantwoorden met een invitatie
van hun kant, minstens van hetzelfde gehalte of nog hoger. Hetgeen men in de
maaltijd heeft geïnvesteerd, heeft dan al meteen zijn vruchten opgeleverd. Dit
kan een correct menselijk handelen zijn, zelfs zeer goed als het met oprechte
bedoelingen gebeurt en de doeleinden edel zijn (vriendschap, apostolaat,
familiebanden aanhalen...), maar op zichzelf genomen verschilt dit weinig van wat
de heidenen doen. Het is een menselijke wijze van te werk gaan: Als ge bemint wie u beminnen, wat voor recht op
dank hebt ge dan? Ook de zondaars beminnen wie hen liefhebben. Als ge weldoet aan
wie u weldaden bewijzen, wat voor recht op dank hebt ge dan? Dat doen de
zondaars ook...3, zal de Heer bij een andere gelegenheid zeggen. De naastenliefde van
de christen gaat verder; zij sluit in -en overstijgt tegelijkertijd- het plan
van het natuurlijke, van het louter menselijke: zij geeft uit liefde tot de
Heer, en zonder iets terug te verwachten. Armen, verminkten... zij kunnen niets
teruggeven, omdat zij niets bezitten. Dan kan men gemakkelijk Christus in de
ander zien. Het beeld van het gastmaal beperkt zich niet uitsluitend tot
stoffelijke goederen; het is het beeld van alles wat de mens aan anderen kan
aanbieden: waardering, blijheid, optimisme, gezelschap, aandacht...
Men vertelt van het leven van de heilige
Martinus, dat deze in een droom een verschijning
kreeg van Christus, die bekleed was met de helft van de Romeinse
officiersmantel die hij kort tevoren
aan een arme had gegeven. Hij bekeek de Heer aandachtig en herkende zijn
kleding. Tegelijkertijd hoorde hij hoe Jezus, met een stem die hij
nooit zou vergeten, tot de engelen zei die Hem vergezelden: «Martinus, die nog
pas een doopleerling is, heeft Mij met deze mantel bekleed.» En onmiddellijk
schoten de heilige die andere woorden van Jezus te binnen: Al wat gij gedaan hebt voor een dezer geringsten
van mijn broeders, hebt gij voor Mij gedaan.4 Dit visioen vervulde Martinus met moed en vrede, en
spoedig ontving hij het doopsel.5
We moeten het goede niet doen om in dit leven
een beloning of onmiddellijke vruchten te verwachten. Wij moeten hier edelmoedig
zijn -in het apostolaat, in het geven van aalmoezen, in werken van
barmhartigheid...- zonder daarvoor iets terug te verwachten. De liefde zoekt
niets, de liefde zoekt zichzelf niet.6 Geven, zaaien, onszelf geven, ook al
zien we vruchten noch reacties noch dankbaarheid, en ook geen schijnbaar
persoonlijk voordeel. De Heer leert ons in deze gelijkenis dat wij royaal
moeten geven, zonder op enige wederdienst te rekenen. Die zullen we in
overvloed krijgen.
22.2 Er gaat niets verloren van hetgeen we
tot stand brengen ten gunste van de anderen. Geven vergroot het hart en houdt
het jeugdig, vermeerdert zijn capaciteit tot liefhebben. Egoïsme verkleint en
beperkt de eigen horizon en maakt die arm en beperkt. Hoe meer we daarentegen
geven, hoe rijker onze ziel wordt. Soms zullen we de vruchten niet zien en
zullen we zelfs geen enkele dank van de mensen ontvangen; het is voor ons
voldoende te weten, dat Christus zelf het voorwerp van onze edelmoedigheid is.
Niets gaat verloren. «Gij ziet -legt de heilige Augustinus uit- nu niet het
belang van het goede dat ge doet; ook de landbouwer moet bij het zaaien nog
wachten op de oogst; maar hij vertrouwt op de aarde. Waarom vertrouwt gij niet
op God? Er zal een dag komen, waarop we zullen oogsten. Stel u voor, dat we nu
nog bezig zijn met het bewerken van het land; maar we doen dat om later te
kunnen oogsten, zoals de Heilige Schrift het zegt: Zij die zaaien met tranen, zij zullen oogsten met jubel, onder het
dragen van zijn schoven (Ps 125).»7 Liefde verliest niet de moed als zij niet onmiddellijk
resultaat ziet; zij weet te wachten, zij is geduldig.
Edelmoedigheid opent de bedding voor een levensbehoefte van de mens: geven. Het hart dat
geen goed weet te doen aan hen door wie het omringd wordt, aan de samenleving
zelf, wordt ongeschikt, veroudert en sterft af. Wanneer we geven, verheugt zich
het hart en zijn we in staat de Heer beter te begrijpen, die zijn leven als
losprijs voor allen heeft gegeven.8 Wanneer de
heilige Paulus de christenen van Filippi dankt voor de hulp die zij hem hebben
verleend, leert hij hun dat hij niet zozeer blij is over de weldaad die hij
heeft ontvangen, maar vooral over de vruchten die de aalmoezen hunzelf zullen
opleveren voor het steeds aangroeiend
tegoed op uw rekening9, zoals hij tot hen zegt. Daarom beveelt de heilige Leo de Grote aan
«dat iemand die aalmoezen geeft, het onbezorgd en vol vreugde doet want hoe
minder men voor zichzelf houdt, des te groter zal de winst zijn die men
behaalt.»10
Ook de heilige Paulus spoorde de eerste
christenen aan om vol vreugde de edelmoedigheid te beleven, want God houdt van een blijmoedige gever.11 Niemand -zeker niet de Heer- is
gesteld op een dienst die men verleent of een aalmoes die men geeft met
tegenzin of in droefheid: «Als ge het brood met droefheid geeft -zo legt de
heilige Augustinus uit- zijt ge het brood en de beloning kwijt.»12 De Heer wordt daarentegen geestdriftig bij de
overgave van wie uit liefde, spontaan, zonder berekening geeft en zichzelf
geeft...
22.3 Wij kunnen veel aan anderen geven en
meehelpen aan werken van hulpverlening aan degenen die het meest onmisbare
ontberen, of vorming, cultuur... We kunnen financiële steun geven -ook al is die
gering, als we over weinig beschikken-, tijd, gezelschap, hartelijkheid... Het
gaat erom dat wij de talenten die we van de Heer hebben ontvangen, ten dienste
van de anderen gebruiken. «Dit is een dringende taak: het geweten van gelovigen
en ongelovigen wakker schudden -mensen van goede wil mobiliseren- om hen te
laten meehelpen en hun de materiële middelen te bezorgen die nodig zijn bij het
werk voor de zielen.»13
Het evangelie van de heilige Mis leert ons, dat
de beste beloning voor edelmoedigheid op aarde is: gegeven hebben. Daar houdt
alles mee op. We mogen de ander later nergens meer aan herinneren; we mogen niets
eisen. Gewoonlijk is het beter als ouders hun kinderen niet herinneren aan het
vele dat zij voor hen hebben gedaan; evenmin de vrouw haar man aan de duizenden
vormen van hulp die zij hem in moeilijke ogenblikken verleend heeft, de zorg,
het geduld...; en de echtgenoot moet zijn vrouw niet herinneren aan zijn harde
arbeid om het gezin te onderhouden... Alles is beter in Gods aanschijn en staat
opgeschreven in het persoonsverhaal van ieder van ons. Het verdient de voorkeur
-en dat is de Heer veel welgevalliger- geen rekening op te maken van alles wat
we met vreugde hebben gedaan, zonder te denken aan enige vorm van beloning, met
volle edelmoedigheid. Ook het aanvaarden van het feit dat de goede handelingen
die we willen volbrengen, soms verkeerd vertaald zullen worden. «Ik zag het
gezicht van die eenvoudige man rood worden en er stonden bijna tranen in zijn
ogen: hij had edelmoedig met zijn eigen, eerlijk verdiende geld bijgedragen aan
goede werken, en toen kreeg hij te horen dat 'de goeden' zijn daden als oneerlijk
brandmerkten. -Met de naïviteit van de beginneling in deze veldslagen van God
mompelde hij: 'Ze zien dat ik me opoffer... en toch slachten ze me af!' Ik heb
rustig met hem gesproken; hij kuste mijn crucifix en zijn begrijpelijke
verontwaardiging veranderde in vrede en vreugde.»14
De Heer zegt ons dat wij de ander moeten
begrijpen, ook al begrijpt die ons niet -misschien kan hij dat niet op dat
ogenblik, zoals die behoeftige genodigden aan het gastmaal, die niet met een
tegen-invitatie konden antwoorden. En de mensen beminnen, ook al kennen ze ons
niet, en vele kleine diensten verlenen, ook als ons die in soortgelijke
omstandigheden worden ontzegd. Het leven vriendelijk maken voor wie ons
omringen, ook al lijken we soms niet beantwoord te worden... En dat alles met een
groot hart, zonder een boekhouding bij te houden van elke verleende gunst.
Wanneer men het gejammer en geklaag hoort van sommigen die -naar zij zeggen- in
hun leven almaar hebben gegeven en zichzelf hebben overgegeven zonder daarvoor
hetzelfde te hebben teruggekregen, dan kan men vermoeden dat er iets wezenlijks
aan die overgave heeft ontbroken, wellicht oprechtheid van bedoeling. Want
geven kan geen neerslachtigheid of vermoeienis veroorzaken, maar wel innerlijke
vreugde en het bemerken, dat het hart groter wordt en God verheugd is over wat
we gedaan hebben. «Hoe edelmoediger je bent voor God, hoe gelukkiger je zult
zijn.»16
Onze heilige Moeder Maria, die met haar fiat haar wezen en haar
leven aan de Heer en aan ons, haar kinderen, heeft overgegeven, zal ons helpen
om niets voor onszelf te behouden, maar om edelmoedig te zijn in de duizenden
kleine kansen die zich iedere dag voordoen.
-1. Vgl. Lc 14,1. -2. Lc 14,12-14. -3. Lc 6,32. -4. Mt 25,40. -5. Vgl. P. Croiset, Año cristiano, Madrid 1846, vol. IV, bl.
82-83. -6. 1 Kor 13,5. -7. H. Augustinus, Preek 102, 5. -8. Vgl. Mt 20,28. -9. Fil 4,17. -10. H. Leo de Grote, Preek X over de Vasten. -11. 2 Kor 9,7. -12. H. Augustinus, Commentaar op de Psalmen, 42,8. -13. H. Jozefmaria Escrivá, De
Voor, 24. -14. Ibidem, 28. -15. Ibidem, 18.
|