Zesde zondag door het jaar (B)
44. De melaatsheid van de zonde
-De Heer komt onze diepste kwalen genezen. De
genezing van een melaatse. -Melaatsheid, beeld van de zonde. Priesters vergeven
zonden in persona Christi. -Het apostolaat van de biecht.
44.1 De genezing van een melaatse, zoals die beschreven wordt in het
evangelie van vandaag1, moet een diepe indruk op de mensen gemaakt hebben en was vaak
onderwerp van prediking in het geloofsonderricht van de apostelen. Dit wordt
duidelijk door het feit, dat dit wonder zo gedetailleerd door drie evangelisten
wordt beschreven. Van hen vermeldt de heilige Lucas nog heel nauwkeurig, dat
het wonder plaatshad in een stad en dat de ziekte zich reeds in een
vergevorderd stadium bevond: hij was
overdekt met melaatsheid,2 zegt hij ons.
In die tijd werd melaatsheid als een
ongeneeslijke ziekte beschouwd. De ledematen van de melaatse werden langzaam
maar zeker aangetast, wat tot vervormingen van het gezicht, van handen en
voeten leidde, dat alles onder het lijden van veel pijn. Uit vrees voor
besmetting werden de melaatsen verdreven uit de steden en van de wegen. Zoals
we in de eerste lezing zien3, werden ze wettelijk onrein verklaard. Ze moesten hun hoofd onbedekt
houden en droegen gescheurde kleren, en ze waren verplicht als ze door bewoond
gebied trokken, hun komst al van verre aan te kondigen. Mensen vluchtten voor
hen weg, zelfs de eigen familieleden. Hun ziekte werd veelal uitgelegd als een
straf van God voor hun zonden. In zulke omstandigheden verbaast het, dat deze melaatse
zich in een stad bevindt. Misschien heeft hij van Jezus gehoord en heeft hij de
gelegenheid afgewacht om bij Hem te komen. Nu heeft hij Hem eindelijk gevonden
en om Hem te kunnen spreken, breekt hij met de strikte voorschriften van de
oude wet van Mozes. Christus is zijn hoop, zijn enige hoop.
Het moet een uitzonderlijk tafereel geweest
zijn. De melaatse knielt neer voor Jezus en zegt tot Hem: Als Gij wilt, kunt Gij mij reinigen. Als Gij wilt... Misschien had hij wel een uitvoeriger toespraak voorbereid,
méér willen uitleggen..., maar uiteindelijk bleef het bij dit eenvoudige,
vertrouwensvolle en fijngevoelige schietgebed: Si vis, potes me mundare, als Gij wilt,
kunt Gij... Deze paar woorden zijn in feite een krachtig gebed. Jezus kreeg
medelijden met hem, en de drie evangelisten die het gebeuren beschrijven hebben
ons het verrassende gebaar van de Heer nagelaten: Hij stak de hand uit en raakte hem aan. Tot
dan toe was iedereen in vrees en afkeer van hem weggevlucht, en Christus, die
hem op afstand had kunnen genezen -zoals Hij bij andere gelegenheden gedaan had-,
keerde zich niet van hem af maar raakte zelfs zijn melaatsheid aan. Het is niet
moeilijk zich Christus' tederheid voor te stellen evenals de dankbaarheid van
de melaatse, toen hij het gebaar van de Heer zag en zijn woorden hoorde: Ik wil: word rein.
De Heer wil ons altijd genezen van onze
zwakheid en onze zonden. En wij hoeven geen dagen of maanden lang te wachten,
tot Hij in onze stad of dorp komt... Dezelfde Jezus van Nazareth die deze
melaatse genas, ontmoeten wij dagelijks in het meest nabij gelegen tabernakel,
in het binnenste van de ziel in staat van
genade, in het sacrament van de biecht. «Hij is Geneesheer en verzorgt ons
egoïsme, indien wij zijn genade tot in het diepst van onze ziel laten doordringen.
Jezus heeft ons getoond dat de ergste ziekte huichelarij is, hoogmoed die ons
ertoe drijft om persoonlijke zonden te ontveinzen. Met de Geneesheer moeten we, als eerste voorwaarde, ten volle oprecht zijn,
de waarheid geheel blootleggen, en dan zeggen: Heer, als Gij wilt, kunt Gij mij reinigen.»4
Vandaag dienen we te bedenken, dat juist onze
zwakheden en tekortkomingen ons de mogelijkheid kunnen bieden om dichter tot
Christus te naderen, zoals die melaatse overkwam. Vanaf dat moment af zal hij
reeds een onvoorwaardelijke leerling van de Heer zijn geweest. Gaan wij
biechten in deze gesteldheid van geloof en vertrouwen? Hebben we een echt
verlangen om onze ziel te zuiveren? Zorgen wij nauwgezet ervoor, dat we
regelmatig gaan biechten?
44.2 Vanwege de afstotende lelijkheid en walgelijkheid, met als gevolg
daarvan de afzondering van de anderen, zagen de Kerkvaders in de melaatsheid
het beeld van de zonde...5 Maar toch is de zonde, zelfs de dagelijkse zonde, onvergelijkbaar
veel erger dan melaatsheid in lelijkheid, walgelijkheid en tragische gevolgen
in dit leven en in het toekomstige. «Als we geloof hadden en de ziel in staat
van doodzonde zagen, zouden we sterven van schrik.»6 Wij zijn allen
zondaars, hoewel we dankzij de goddelijke barmhartigheid ver kunnen zijn van
doodzonde. Dat is de realiteit die we niet mogen vergeten; en Jezus is de enige
die ons kan genezen; Hij alleen.
De Heer komt de zieken zoeken, en alleen Hij
kan de belediging, die de zonde is, in heel haar vreselijke werkelijkheid
beoordelen en meten. Daarom worden we geraakt als Jezus de zondaar nadert. Hij die de heiligheid
zelf is, toont zich niet vervuld van toorn, maar met grote fijngevoeligheid en
eerbied. «Dit is de stijl van Jezus. Hij kwam om te vervullen, niet om te
vernietigen.
»Als Hij beter maakt, als Hij ons geneest van
de melaatsheid, verricht de Heer 'grote tekenen'. Deze 'tekenen' openbaren Gods
macht over de ziekten van de ziel, over de zonde. Dezelfde overweging wordt
ontvouwd in de tussenzang, die juist de gelukzaligheid van de vergeving der
zonden verkondigt: Zalig wiens
overtreding vergeven, wiens zonde uitgewist is... (Ps
31,1) Jezus
geneest de fysieke ziekte, maar bevrijdt ons tegelijkertijd van de zonde. Zo
openbaart Hij zich als de Messias, wiens komst voorspeld was door de profeten,
en die onze ziekten op zich nam en de zonden van velen op
zich genomen heeft (Jes 53,3-12) om ons te bevrijden van
alle geestelijke en stoffelijke ziekten [...]. Om die reden is een centraal thema
in de liturgie van vandaag de zuivering van de zonde, die als het ware de melaatsheid van de ziel
is.»7
Jezus vertelt ons dat Hij is gekomen om te
vergeven, te verlossen, ons te bevrijden van de zonde, die melaatsheid van de ziel. En Hij verkondigt zijn vergeving
als teken van almacht, een teken van macht die alleen God zelf kan
uitoefenen.8 Elke biecht is de uitdrukking van de macht en van de barmhartigheid
van God. De priesters oefenen deze macht niet uit in hun eigen naam, maar in
naam van Christus -in persona Christi-, als werktuigen in de handen van de Heer. «Jezus vereenzelvigt ons
zodanig met zichzelf in het uitoefenen van de volmachten die Hij ons heeft
verleend -zo sprak Johannes Paulus ii tot de priesters- dat onze persoonlijkheid als het ware verdwijnt tegenover de zijne, want Hij is het die
door middel van ons handelt [...]. Het is Jezus zelf die in de woorden van het
sacrament van de biecht de gezaghebbende en vaderlijke woorden
uitspreekt: Uw zonden zijn u vergeven.9 In de stem van de
priester horen we Christus spreken.
In de biecht naderen we tot Christus zelf met
eerbied en in dankbaarheid. In de priester moeten we Jezus zien, de enige die
onze ziekten kan genezen. «Domine, si vis, potes me
mundare. Heer, als U wilt, kunt U mij reinigen. Wat een mooi gebed om het met het geloof van de arme melaatse dikwijls
te herhalen, telkens als die dingen voorkomen, waarvan God, jijzelf en ik weet
hebben! -Je zult spoedig het antwoord van de Meester horen: volo, mundare. Ik wil, word rein!»10 Jezus behandelt ons met de diepste genegenheid en liefde, als we in
diepste nood verkeren, door onze fouten en zonden.
44.3 We moeten leren van deze melaatse: in zijn oprechtheid komt hij voor
de Heer staan, en op zijn knieën vallend11 erkent hij zijn
ziekte en vraagt om genezing. De Heer
zei tot de melaatse: Ik wil, word rein. Terstond verdween de melaatsheid en was
hij gereinigd. We kunnen ons voorstellen hoe groot
de vreugde was van de genezen melaatse. Zo groot was zijn geluk, dat hij
ondanks de waarschuwing van de Heer aan iedereen verkondigde en bekend maakte
wat er gebeurd was en welk een oneindig groot goed hij had ontvangen. Zo'n
groot geluk kon hij niet voor zichzelf alleen houden; hij moest iedereen
deelgenoot daarvan maken.
Zo moet ook onze houding zijn ten opzichte van
de biecht. Daarin worden wij immers ook bevrijd van onze ziekten, hoe groot
deze ook mogen zijn. Niet alleen wordt de zonde gereinigd, maar de ziel krijgt
een nieuwe genade, een nieuwe jeugdigheid, een vernieuwing van het leven van
Christus in ons. Wij worden met de Heer op een bijzondere en geheel andere
wijze verenigd. En van dit nieuwe leven en deze nieuwe vreugde die we in de
biecht hebben gekregen, willen wij allen die wij het meest nabij staan, willen
wij iedereen deelgenoot maken. Het is niet genoeg dat we de Geneesheer gevonden
hebben. Door ons persoonlijk apostolaat moeten we het nieuws verspreiden naar
de velen die ziek zijn zonder het te weten, of die menen dat hun kwalen
ongeneeslijk zijn. Velen tot de biecht brengen is een van de grote opdrachten
die Christus ons geeft op momenten waarop grote massa's mensen zich verwijderd
hebben van hetgeen zij het meest nodig hebben: de vergeving van hun zonden.
Soms zullen we moeten beginnen met een elementaire
katechese, door hun eenvoudig leesbare boeken aan te raden en hun de kernpunten
van geloof en moraal uit te leggen, met woorden die ze kunnen begrijpen. We
moeten hen helpen in te zien dat hun droefheid en innerlijke leegte voortkomen
uit de afwezigheid van God in hun leven. Begripsvol zullen we hen de manier om
een diepgaand gewetensonderzoek te doen leren, hen aanmoedigen naar een
priester te gaan -misschien dezelfde bij wie wij gewoonlijk biechten-, hem
eenvoudig en nederig alles vertellen wat hen verwijdert van God, die op hen
wacht. Ons gebed, het opofferen voor hen van onze arbeid en een of andere
versterving, zelf zo vaak gaan biechten als wij ons hebben voorgenomen, dat
alles zal genade van God verkrijgen voor deze mensen, van wie we willen dat ze
tot het sacrament, tot Christus zelf naderen.
Het was een onvergetelijke dag voor de
melaatse. Elke ontmoeting van ons met Christus is eveneens onvergetelijk. Onze
vrienden, degenen die wij op hun weg naar God toe hebben geholpen, zullen nooit
de vrede en vreugde vergeten van hun ontmoeting met de Meester. Zij zullen op
hun beurt apostelen worden die het Goede Nieuws zullen verspreiden, hun vreugde
over een goede biecht. Onze moeder Maria zal, als we ons tot haar wenden, ons
de vreugde en de innerlijke drang verlenen de grote weldaden die de Heer -Vader van barmhartigheid- ons in dit sacrament heeft nagelaten, te verkondigen.
-1. Mc 1,40-45. -2. Lc 5,12. -3. Lev 13,1-2; 44-46.
-4. H. Jozefmaria Escrivá, Als Christus nu langs komt, 93. -5. H. Johannes Chrysostomus, Homilieën over Matteüs,
25-2. -6. H. Jean-Marie Baptiste Vianney, geciteerd door Johannes xxiii in, Sacerdotii nostri
primordia. -7. Johannes
Paulus ii, Homilie, 17 februari 1985. -8. Mt 9,2 e.v. -9. Johannes Paulus ii, Homilie in het Maracanã-stadion, Rio de Janeiro, 2 juli 1980. -10. H.
Jozefmaria Escrivá, De Weg, 142. -11. Mc 1,40.
|