Eerste week. Vrijdag
5. de MENSELIJKE DEUGDEN IN HET APOSTOLAAT
-De genezing van de lamme van Kafarnaüm. Geloof zonder menselijke opzicht. Optimisme. -Voorzichtigheid en 'valse voorzichtigheid'.-Andere deugden. Goede instrumenten van de genade zijn.
5.1 Het evangelie van de mis van vandaag1 laat ons Jezus zien, terwijl Hij de
menigte onderricht die uit vele steden en dorpen in Judea en Galilea naar
Kafarnaüm is gekomen. De mensen
stroomden in zulk een aantal samen, dat zelfs de ruimte voor de deur geen
plaats meer bood, toen Hij hun zijn leer verkondigde. Men kwam een lamme
brengen die door vier mannen gedragen werd. Ondanks
hun verwoede inspanningen lukte het hun niet bij Jezus te komen. Maar zij gaven
hun pogingen niet op om met hun vriend, die op een draagbaar lag, de Meester te
benaderen. Terwijl anderen het opgegeven zouden hebben, gezien de moeilijkheden
die hun de doorgang belemmerden, waren deze mensen onverschrokken en klommen ze
op het dak, namen stukken van het dak weg boven de plaats waar onze Heer zich
bevond, en nadat ze er een opening in gemaakt hadden, lieten ze het bed met de
lamme naar beneden zakken. Jezus was verbaasd over het geloof en de
vermetelheid van deze mannen. En omwille van hen en de nederigheid van de lamme
die zich liet helpen, geschiedde een groot wonder: de vergeving van de zonden
van de zieke en de genezing van zijn verlamdheid.
In zekere zin beeldt de lamme iedereen uit, die
door zonden of onwetendheid gehinderd wordt God te bereiken. In zijn commentaar
op deze Schriftpassage roept de heilige Ambrosius uit: «Hoe groot is de Heer,
die omwille van de verdiensten van enkelen, vergeving schenkt aan anderen.»2 De vrienden die
de invalide man bij de Heer brengen, vormen een levend voorbeeld van
apostolaat. Als christenen zijn wij instrumenten van God, opdat Hij echte
wonderen kan bewerkstelligen in onze vrienden die om zoveel redenen uit zichzelf
als het ware gehandicapt zijn om tot Christus te komen, die op hen wacht.
Ons apostolisch handelen moet gedreven worden
door de ijver om de mensen te helpen Jezus te ontmoeten. Daarvoor is onder
andere een reeks van 'bovennatuurlijke deugden' nodig, zoals we zien in de
handelwijze van de vrienden van die zieke man van Kafarnaüm. Het zijn mensen
met een groot geloof in de Meester, die ze reeds bij andere gelegenheden
ontmoet hadden. Misschien is het wel Jezus zelf geweest die hun gezegd had de
zieke man naar Hem toe te brengen. En het is een geloof dat zich in daden uit,
want ze wenden de gewone en buitengewone middelen aan die in dit geval nodig
zijn. Het zijn mensen vol hoop en optimisme, die ervan overtuigd zijn dat Jezus
Christus het enige is wat hun vriend echt nodig heeft.
Het evangelieverhaal toont ons ook vele
'natuurlijke of menselijke deugden', die noodzakelijk zijn in elk
apostolaatswerk. Vooreerst zijn het mannen die elk menselijke opzicht overboord
hebben gegooid: ze trekken zich niets aan van wat anderen denken -en er waren
veel mensen!- van hun handeling, die gemakkelijk beoordeeld kon worden als
overdreven, ongelegen, volledig afwijkend van wat de anderen deden die gekomen
waren om naar de Meester te luisteren. Slechts één ding was voor hen
belangrijk: ten koste van alles met hun vriend bij Jezus komen. Dit is alleen
mogelijk met een volkomen zuivere bedoeling, als alleen Gods oordeel telt en
niet, of heel weinig, het oordeel van de mensen. Handelen wij ook zo? Zijn we
soms meer bezorgd over wat 'men zal zeggen' dan over wat God ervan denkt?
Generen we ons soms om ons te onderscheiden van anderen, terwijl datgene wat de
Heer, en ook de mensen die ons bezig zien, van ons verwachten juist is dat we
ons onderscheiden, door te doen wat we moeten doen? Weten we, indien nodig in
het openbaar, ons geloof en onze liefde voor God te bewaren?
5.2 In hun actie beoefenden deze vier
vrienden de deugd van voorzichtigheid, die hen de beste weg doet zoeken om het
doel te bereiken. Ze zetten die 'valse voorzichtigheid' overboord, die sint
Paulus het
streven van het vlees3 noemt, dat zo
gemakkelijk overgaat in lafheid, en uitsluitend doet zoeken naar wat nuttig is
voor het lichamelijk welzijn, alsof dit het voornaamste of het enige doel van
het leven is. 'Valse voorzichtigheid' is hetzelfde als zelfbedrog,
huichelachtigheid, sluwheid en berekenende zelfzucht, die vooral het stoffelijk
belang beoogt... Als deze mensen zich hadden laten leiden door de 'voorzichtigheid
van het vlees', zou hun vriend Jezus nooit hebben bereikt en zouden zij de
onmetelijke vreugde in Jezus' ogen, toen Hij de zieke genas, niet hebben kunnen
zien. Ze zouden niet verder zijn gekomen dan de deur van het huis vol mensen,
en van daaraf zouden zij zelfs niet in staat zijn geweest om ook maar één van
Jezus' woorden op te vangen...
Deze mensen beleefden volkomen de deugd van de
voorzichtigheid, die ons bij elk probleem leert 'wat we moeten doen' zelfs als
dat moeilijk is, of wat we juist niet moeten doen. Zij leert ons de middelen
aan te wenden die naar het gewenste doel leiden, zij geeft ons aan 'wanneer en
hoe' we moeten handelen. Deze vrienden wisten precies wat hun doel was -de Heer
te bereiken- en ze zochten naar de middelen om dat te verwezenlijken: op het
dak van het huis klimmen, er een gat in maken dat groot genoeg is, en de lamme
op zijn bed naar beneden laten zakken, tot hij aan de voeten van Jezus ligt.
Zij lieten zich niets gelegen liggen aan de valselijk «wijze» woorden van
anderen, die hun de raad gaven een andere gelegenheid af te wachten.
Deze mannen van Kafarnaüm waren echte vrienden
van hem, die uit zichzelf de Meester niet kon bereiken, want «het is eigen aan
een vriend, zijn vrienden goed te doen, vooral hen die in grootste nood
verkeren.»4 En er is geen grotere nood dan de behoefte aan God. Daarom is het eerste teken
van vriendschap, onze vrienden dichter bij Christus te brengen, de bron van
alle goedheid. We mogen ons niet tevreden ermee stellen, dat ze geen kwaad
begaan en zich niet slecht gedragen. We moeten zien te bereiken, dat zij
streven naar de heiligheid waartoe zij -allen- geroepen zijn, en waarvoor God
hun de nodige genade zal geven. Er bestaat geen grotere gunst dan hen te helpen
op hun weg naar God toe. Een groter goed zullen we hun niet kunnen geven. Om
die reden dienen we ernaar te streven veel vrienden te hebben en echte
vriendschap te bevorderen.
«De ware vriend kan niet twee gezichten hebben
voor zijn vriend. Loyale en oprechte vriendschap vraagt om opoffering,
eerlijkheid, om het uitwisselen van gunsten, van grootmoedige en oprechte
dienstbaarheid. Een vriend is sterk en
oprecht in de mate waarin hij, volgens de bovennatuurlijke voorzichtigheid,
edelmoedig en met persoonlijke offers aan de anderen denkt. Van een vriend
wordt verwacht dat hij beantwoordt aan het vertrouwensklimaat, dat door
ware vriendschap wordt gevestigd. We
verwachten dat we geaccepteerd worden zoals we zijn, en zo nodig dat onze
vriend ons helder en openlijk verdedigt.»5
Vanaf het begin is «vriendschap» de natuurlijke
bedding geweest, waardoor velen tot het geloof in Jezus Christus zijn gekomen
en ook de eigen roeping tot een vollediger overgave hebben gevonden. Het is een
natuurlijke en eenvoudige weg, die veel hindernissen en moeilijkheden wegneemt.
De Heer maakt vaak van dit middel gebruik om zichzelf bekend te maken. De
eerste leerlingen die de Heer ontmoetten, gingen de Blijde Boodschap meedelen
aan hen die zij liefhadden, vóórdat ze die aan anderen vertelden. Andreas
bracht zijn broer Petrus naar Hem toe, Filippus zijn vriend Natanaël en
Johannes heeft zonder twijfel zijn broer Jakobus de weg naar de Heer gewezen.6 Doen wij dit ook?
Willen wij zo snel mogelijk het hoogste goed dat we gevonden hebben, meedelen
aan hen die we het meest achten? Spreken we over God met onze familieleden,
vrienden, studiegenoten en collega's? Dient onze vriendschap tot bedding om
anderen te helpen dichter bij Christus te komen?
5.3 Bij zijn apostolische taak moet de christen nog andere menselijke
deugden beoefenen, als hij een goed instrument van God voor de herevangelisatie
van de wereld wil zijn: 'sterkte' om de hindernissen te overwinnen, die zich op
een of andere wijze bij iedere apostolische activiteit zullen voordoen;
'standvastigheid en geduld', want zoals een zaadje, heeft de ziel tijd nodig om
vruchten voort te brengen, en wat in Gods voorzienigheid misschien maanden of
zelfs jaren zal gaan duren, kunnen wij niet in enkele dagen tot stand brengen;
'stoutmoedigheid' om in onze gesprekken diepgaande onderwerpen aan te snijden,
die niet zullen opkomen, tenzij ze op het juiste moment worden uitgelokt, en
eveneens om op hogere idealen
te wijzen die onze vrienden uit zichzelf niet zien; 'waarachtigheid en
waarheidsgetrouwheid', zonder welke geen daadwerkelijke vriendschap kan
bestaan...
Onze wereld heeft mannen en vrouwen uit één
stuk nodig, die een voorbeeld zijn bij het vervullen van hun taken. Mannen en
vrouwen zonder complexen, die sober zijn, sereen, diep menselijk, vastberaden,
vol begrip maar tevens onverzettelijk in de leer van Christus, vriendelijk,
rechtvaardig, loyaal, blijmoedig, optimistisch, edelmoedig, arbeidzaam,
eenvoudig, dapper... Op deze manier zijn zij goede medewerkers van Gods genade,
want «de Heilige Geest gebruikt mensen als instrument.»7 Dan krijgt hun
werk een goddelijke doeltreffendheid, zoals een stuk gereedschap, dat uit
zichzelf niet in staat is iets te produceren, maar in handen van een goede
vakman meesterstukken tot stand kan brengen.
Wat een vreugde voor die mensen uit het
evangelie, als zij met hun vriend die naar lichaam en ziel genezen is, naar
huis terugkeren. Hun ontmoeting met Christus heeft hun vriendschap nog meer
versterkt; zo gebeurt het in elk echt apostolaat. Bedenken we, dat er geen
ziekte is die Christus niet kan genezen en dat we mensen met wie we elke dag
omgaan -medestudenten, collega's, familieleden, buren...- nooit voor ongeneeslijk
zieken mogen houden. Vele van hen zijn als het ware gehandicapt om dichter bij
Jezus Christus te komen. Het is aan ons om hen, met de hulp van de genade, tot
Hem te leiden. Een grote liefde voor Christus zal ons aanzetten tot een
werkzaam geloof, zonder menselijk opzicht, zonder stil te staan bij de
moeilijkheden die wij logischerwijs zullen ondervinden. Als we vandaag dicht
bij het tabernakel komen, moeten we zeker met de Meester over deze vrienden
spreken die we naar Hem toe willen brengen, opdat Hij hen zal genezen.
-1. Mc 2,1-12. -2. H. Ambrosius, Commentaar op het evangelie volgens Lucas. -3. Vgl. Rom 8,6-8. -4. H. Thomas van
Aquino, Ethica
aan Nikomachus, 9,13. -5. H. Jozefmaria Escrivá, Brief, 11 maart 1940. -6.
Vgl. Joh 1,41-46. -7. H. Thomas van
Aquino, Summa Theologiae, II-II, q177, a1.
|