Zesde week. Donderdag
49. De Mis, middelpunt van het
christelijke leven
-Deelname van de gelovigen aan het
eucharistisch offer. -De 'priesterlijke ziel' van de christen en de heilige
mis. -De mis tijdens de dag beleven. Voorbereiding.
49.1 Jezus trok met zijn leerlingen naar de dorpen rond Caesarea van Filippus. Onderweg stelde Hij aan
zijn metgezellen de vraag: Wie zeggen de mensen dat Ik
ben?1 In alle eenvoud vertellen de apostelen Hem wat er over Hem gezegd
wordt: sommigen zeiden Johannes de
Doper; anderen zeggen Elia en weer anderen, dat Gij een van de profeten zijt. Er deden de meest verschillende meningen
over Jezus de ronde. Dan richt Hij zich open en
vriendelijk tot de zijnen en zegt hun: Maar gij, wie zegt gij dat Ik ben? Hij
vraagt hun niet om een meer of minder gunstig oordeel, maar om standvastigheid
van geloof. Nadat ze zoveel tijd met Hem doorgebracht hebben, moeten ze toch
weten wie Hij is, zonder te aarzelen, met zekerheid. Petrus antwoordde
onmiddellijk: Gij zijt de Christus.
De Heer heeft het recht ook van ons een
duidelijke geloofsbelijdenis te vragen -met woorden en daden- in een wereld
waarin verwarring, onwetendheid en dwaling normale dingen lijken te zijn. We
zijn nauw verbonden met Jezus door de doop en deze band is dag na dag sterker
geworden. In dit sacrament werd een diepe, innige eenheid met Christus gesmeed,
want in het doopsel ontvingen wij zijn eigen Geest en werden we verheven tot de
waardigheid van kinderen van God. Het betreft een veel diepere levenseenheid
dan er tussen twee menselijke wezens zou kunnen bestaan. Net zoals de hand, in
vereniging met het lichaam, vervuld is van de levensstroom die door het hele
lichaam vloeit, zo is de christen vervuld van het leven van Christus.2 Hij zelf heeft
ons, met een mooi beeld, geleerd hoe wij met Hem verenigd zijn: Ik ben de wijnstok, gij de ranken...3 En zo sterk is de
eenheid die wij, alle christenen, kunnen bereiken, indien we ervoor strijden om
heilig te worden, dat we uiteindelijk zullen kunnen zeggen: Ik zelf leef niet meer, Christus is het die leeft
in mij.4 Deze nabijheid van Christus moet ons met vreugde vervullen, want als
we een levend deel zijn van het Mystieke Lichaam van Christus, delen we in
alles wat Christus tot stand brengt.
In elke mis offert Christus zich volledig op,
samen met de Kerk, die zijn Mystieke Lichaam is en gevormd wordt door alle
gedoopten. Door deze vereniging met Christus via de Kerk, bieden de gelovigen
het offer samen met Hem aan en bieden zij eveneens zichzelf aan: zij nemen
derhalve aan de mis deel als 'offeraars' en als 'offergaven'. Op het altaar
biedt Jezus Christus aan God de Vader zijn verlossend en heilzaam lijden aan
het kruis aan, en tevens het lijden van zijn broeders. Is er een grotere
intimiteit, een grotere eenheid met Christus mogelijk? Is er een grotere waardigheid
mogelijk? De heilige mis, mits goed beleefd, kan ons leven veranderen. «Wanneer
wij in onze ziel dezelfde gevoelens koesteren als Christus aan het kruis, dan
zal heel ons leven een onophoudelijk eerherstel kunnen worden, een voortdurend
smeekgebed en een blijvend offer voor heel de mensheid, omdat de Heer u een
bovennatuurlijk instinct zal schenken om al uw handelingen te zuiveren, ze te
verheffen tot de orde van de genade en ze tot instrument van apostolaat te
maken.»5
En gij, wie zegt gij dat Ik
ben? In het eucharistisch offer leren wij Christus
goed kennen. Daarin wordt ons geloof versterkt en vinden we de moed om openlijk
te belijden dat Jezus de Messias is, de eniggeboren Zoon van God, die gekomen
is voor ons aller heil.
49.2 De heilige mis wordt opgedragen door de
priesters, maar ook door de gelovigen, omdat zij «door het merkteken dat op de
ziel is gedrukt op het ogenblik van het doopsel, ook in het priesterschap van
Christus delen»6, ofschoon deze deelname wezenlijk
verschilt van die van degenen die het sacrament van de priesterwijding hebben
ontvangen.7
Alleen door de woorden van de priester -in
zoverre hij Christus vertegenwoordigt- komt Christus op het ogenblik van de
consecratie op het altaar tegenwoordig. Maar alle gelovigen delen in de offerande
die aan God de Vader aangeboden wordt voor het welzijn van de hele Kerk. Samen
met de priester bieden zij het offer aan, door zich te verenigen met zijn
intenties van smeekbede, eerherstel, aanbidding en dankzegging; meer nog, zij
verenigen zich met Christus zelf, de eeuwige Priester, en met heel de Kerk.8
In de mis kunnen we elke dag alles wat we
gemaakt hebben aanbieden evenals al onze werken: onze arbeid, ons lijden, het
gezinsleven, onze uitputting en vermoeidheid, de apostolische initiatieven die
we deze dag ten uitvoer willen brengen... Het 'offertorium' is een bijzonder
geschikt moment om onze persoonlijke offergaven aan te bieden, die vervolgens
verenigd worden met het offer van Christus. Wat leggen wij elke dag op de
pateen van de priester? Wat vindt de Heer daar? Geleid door die «priesterlijke
ziel» die ons ertoe aanzet ons te midden van het dagelijkse leven meer met
Christus te vereenzelvigen, zullen we niet alleen de materiële zaken van ons
bestaan, maar ook onszelf aanbieden, in het meest innerlijke van ons wezen.
Bidt, broeders en zusters,
dat mijn en uw offer aanvaard kan worden door God, de almachtige Vader. Moge de
Heer het offer uit uw handen aannemen, tot lof en eer van zijn naam, tot
welzijn van ons en van heel zijn heilige Kerk.10 We moeten
hieraan, evenals aan andere gebeden in de mis, betekenis en persoonlijk gebed
geven. We gaan naar de mis om zijn unieke Offer, dat een oneindige waarde
heeft, tot het onze te maken. We maken het ons eigen en verschijnen voor de
Heilige Drieëenheid, bekleed met de ontelbare verdiensten van Christus,
ongetwijfeld verlangend naar vergeving, naar meer genade in onze ziel en naar
het eeuwige leven. Wij aanbidden zoals Christus aanbad, wij brengen
genoegdoening met de verdiensten van Christus, wij bidden met zijn stem, die
steeds daadkrachtig is. Al het zijne wordt het onze. En al het onze wordt het
zijne: gebed, werk, vreugde, gedachten en verlangens, die aldus een
bovennatuurlijke en eeuwige dimensie verkrijgen. Alles wat we doen verkrijgt
waarde in die mate waarin het op het altaar wordt aangeboden met Christus, die
zowel Priester als Offer is. Als we deze intimiteit met de Heer zoeken,
«verweeft in ons eigen leven het menselijke zich met het goddelijke. Al onze
inspanningen -zelfs de geringste- krijgen opeens een eeuwige dimensie, want ze
zijn dan verenigd met het offer van Jezus aan het kruis.»11
Onze deelname aan de mis bereikt haar
hoogtepunt in de heilige communie, de meest volledige identificatie met
Christus, waarover we nooit konden dromen. Nooit hebben de apostelen, voordat
de Eucharistie werd ingesteld, in de jaren waarin zij met Jezus door Palestina
trokken, zulk een innige vereniging met Hem mogen smaken als wij na de communie
bezitten. Laten we nadenken hoe het gesteld is met onze mis en onze communies.
Bereiden we ons goed voor? Werpen we onmiddellijk elke vrijwillige afleiding
ver van ons af? Stellen we vele aktes van geloof en liefde? Wordt in onze ziel
dikwijls die uitroep, vol van geloof, van Petrus werkelijkheid: Gij zijt de Christus?
49.3 De mis is onze belangrijkste en vruchtbaarste persoonlijke ontmoeting
met God de Vader, Zoon en Heilige Geest. Heel de Drieëenheid is immers
tegenwoordig in het eucharistisch offer, dat de beste -en God meest
welgevallige- manier is om de goddelijke liefde te beantwoorden. De mis is «het
middelpunt en de wortel van het geestelijk leven van de christen.»12 Net zoals de
stralen van een cirkel altijd in één punt samenkomen, allemaal in het midden
ervan, zo moeten al onze handelingen, onze woorden en onze gedachten samenkomen
in het Offer van het altaar. Daar verkrijgt alles wat we doen
verlossingswaarde. Daarom is het hernieuwen van de offerande van onze werken tijdens de mis zulk
een grote steun voor het christelijk leven; we bieden alles aan wat we tijdens
de dag zullen gaan doen, door het te verenigen met de intentie voor de mis van
de volgende dag, of die welke op dat ogenblik ergens dichtbij wordt opgedragen,
of waar ook ter wereld. Zo vormt, op geheimvolle maar werkelijke wijze, onze
dag een deel van de mis, is hij in zekere zin een verlengstuk van het Offer van
het altaar. Ons bestaan en ons doen en laten is als het ware de stof van het
eucharistisch offer, waarop het gericht is en waarin het wordt aangeboden. De
heilige mis ordent en centreert aldus de dag, met zijn vreugde en leed.
Dezelfde zwakheid wordt gezuiverd in zoverre zij deel vormt van een leven dat
aan God wordt aangeboden.
We zullen onze arbeid beter verrichten als we
bedenken dat we die op de pateen van de priester hebben gelegd, of als we ons
op zo'n ogenblik innerlijk verenigen met een andere mis waarbij we fysiek niet
aanwezig kunnen zijn. Hetzelfde zal gebeuren met de andere gebeurtenissen van
de dag: de kleine opofferingen in elk gezinsleven, vermoeidheid, leed...
Tegelijkertijd zijn hetzelfde werk en de voorvallen van de dag een uitstekende
voorbereiding op de mis van de volgende dag. Die voorbereiding zullen we
trachten te intensiveren op de momenten vlak vóór de mis, en daarbij zullen we
alle routine buitensluiten. «Maak het vieren of bijwonen van het heilig offer
nooit tot een gewoonte; doe het daarentegen met zoveel godsvrucht alsof het de
enige mis in uw leven was: in de wetenschap dat daar altijd Christus
tegenwoordig is, God en Mens, Hoofd en Lichaam, en derhalve, bij de Heer heel
zijn Kerk.»13
Om de vruchten te verkrijgen die God ons in
elke mis wil geven, moeten we zorgen voor een goede voorbereiding van onze
ziel. Wij dienen er ook op te letten dat onze deelname aan de liturgische riten
'bewust, godvruchtig en actief' is. Daarom moeten we op tijd zijn, want dat is het
eerste bewijs van fijngevoeligheid jegens God en jegens de andere gelovigen. We
moeten er goed verzorgd uitzien en letten op de manier waarop we gaan zitten of
neerknielen... zoals men zou doen tegenover zijn Vriend, maar ook tegenover zijn
God en Heer, met alle verschuldigde eerbied, het teken van ons geloof en van
onze liefde. We volgen de riten van de liturgische handeling, door het hardop
meebidden en door de gezangen. We nemen ook deel aan de mis door de periodes
van stilte -stil gebed- tot de onze te maken..., rustig, de hele mis vervullend
van akten van geloof en liefde, maar vooral op het moment van de consecratie;
door elk deel van de mis te beleven: van harte om vergeving bidden in de
schuldbelijdenis, aandachtig de lezingen beluisteren...
Als we het heilig Offer godvruchtig en
liefdevol beleven, zullen we naar buiten gaan met het gevoel van immense
vreugde, sterk bereid om de trilling van ons geloof met daden te tonen: Gij zijt de Christus!
Zeer dicht bij Christus zullen we de heilige Maria ontmoeten, die aan de voet
van het kruis stond en op volledige en bijzondere wijze in de verlossing
deelde. Zij zal ons leren met welke gevoelens en in welke gesteldheid wij het
eucharistisch offer, waarin haar Zoon zich aanbiedt, moeten beleven.
-1. Mc 8,27-33. -2. M. Schmaus, Katholische Dogmatik,
V. -3. Joh 15,5. -4. Gal 2,20. -5. H. Jozefmaria Escrivá, Brief, 2 februari
1945. -6. Pius xii, Enc. Mediator Dei, 92. -7. Vaticanum ii, Dogm. const. Lumen gentium, 10. -8. Vgl. Pius xii, o.c. 24. -9. Paulus vi, Eucharisticum Mysterium, 6. -10. Romeins. Missaal, Orde van dienst. -11. H. Jozefmaria
Escrivá, De Kruisweg, Tiende statie, 5. -12. Idem, Als Christus nu langs komt, 87; Vgl. Vaticanum ii, Decr. Presbyterorum
ordinis, 14. -13. H. Jozefmaria Escrivá, Brief, 28 maart
1955. -14. Vaticanum ii, Const. Sacrosanctum
Concilium, 48.
|