Zevenentwintigste week. Donderdag
52. De naam van God en zijn koninkrijk
-Manieren om de naam van God te heiligen. De eerste
smeekbede van het Onze Vader.
-Het koninkrijk van God. -De verbreiding van het Rijk der hemelen.
52.1 «Zodra
wij ons bewust geworden zijn van onze waardigheid als kinderen van God, zullen
wij de tederheid ervaren voor Onze Vader die door alle echte kinderen wordt
gevoeld. Wij zullen niet langer nadenken over onze eigen belangen. Wij zullen
vurig en enthousiast worden voor de eer van Onze Vader. Wij zeggen Hem: Uw naam worde geheiligd.
Door deze uitdrukking bevestigen wij dat heel ons verlangen afhankelijk is van
zijn eer.»1
In deze eerste van de zeven smeekbeden van het Onze Vader vragen wij «dat
God gekend, bemind, geëerd en gediend mag zijn door de hele wereld, vooral door
onszelf.2 Jezus leert ons de juiste volgorde van
prioriteiten in onze gebeden. Het allereerste waarvoor wij behoren te bidden,
is de eer van God. Dit is echt het allerbelangrijkste voor ons schepselen die
maar al te vaak door wereldse zaken geheel in beslag genomen worden. Jezus zei
tot de heilige Catharina van Siëna: «Wees bezorgd om Mij, dan zal Ik bezorgd
zijn om u.» De Heer zal ons niet onverzorgd achterlaten.
Uw naam worde
geheiligd. In de Heilige Schrift hebben namen een grote
betekenis. De naam staat in verband met de diepste identiteit van de persoon.
Daarom vatte Jezus aan het eind van zijn aardse bestaan zijn leer in deze
woorden samen: Ik heb uw Naam
geopenbaard aan de mensen die Gij mij uit de wereld gegeven hebt.3 Hij openbaarde aan de mensheid het mysterie van God.
In het Onze Vader
bidden wij dat God gekend en vereerd mag worden door alle mensen. Wij drukken
ook ons verdriet uit voor al de keren waarbij Gods naam geschonden, verzwegen
of oneerbiedig werd gebruikt. «Wanneer wij zeggen, uw naam worde geheiligd bevestigen wij ons
verlangen dat de heilige naam van de Heer onder de mensen zal worden
hooggehouden en vereerd. Wij bidden, dat zijn naam nooit zal worden misbruikt.»4
Het lijkt alsof men in bepaalde kringen de naam van God niet
in de mond wil nemen. Men spreekt niet over de Schepper, maar over de «wijze
natuur», men bestempelt de Voorzienigheid als «het lot», en zo meer. In
bepaalde gevallen is het een wijze van spreken, maar in andere gaat het om een opzettelijk
doodzwijgen van de naam van God. In die gevallen zouden wij, evenzeer met
opzet, onze Vader God met voorbijgaan aan menselijk opzicht moeten eren. Wij
zouden ons met eenvoud en natuurlijkheid kunnen voegen naar de christelijke
zegswijzen die een uitwendige uitdrukking zijn van ons geloof. De gebruikelijke
bewoordingen uit veel landen, zoals «God zij dank» of «Deo volente» en zo meer,
kunnen in bepaalde omstandigheden een hulpmiddel zijn om de Heer zijn plaats te
geven in het gesprek. Anderzijds hoeven we God ook niet te pas en te onpas
overal bij te halen. Het tweede van de Tien Geboden gebiedt ons de naam van de
Heer onze God niet ijdel te gebruiken.
Als wij God werkelijk liefhebben dan zullen wij ook zijn
heilige naam oprecht liefhebben. Wij zullen deze nooit op oneerbiedige wijze
gebruiken als wij ongeduldig of verrast zijn. Deze liefde voor de naam van God
strekt zich ook uit tot de naam van Maria, zijn moeder, tot de namen van de
heiligen en tot alle voorwerpen die tot zijn dienst gewijd zijn. Telkens
wanneer wij een oefening van eerherstel bidden, eren wij God in ons hart. Wij
dienen dit gebed te bidden wanneer wij geconfronteerd worden met gebrek aan respect
voor Gods naam, wanneer iemand heiligschennis heeft begaan en wanneer wij horen
van gebeurtenissen die onze hemelse Vader beledigen. Wij mogen in ons gebed de
aanroepingen van het eucharistische lof gebruiken: gezegend zij God, gezegend zij zijn heilige naam...
Wij kunnen deze gebeden altijd zeggen in de loop van de dag. Door onze eerbied
voor de heilige naam van God zullen wij met meer liefde de lofgebeden, het
Gloria en Sanctus, in de heilige Mis bidden. We kunnen al deze gebeden ook
bidden altijd dat we aan God eerherstel willen geven
De heilige Teresia van Ávila schreef: «Zorg ervoor, dat je
deze geweldige kans niet mist. Bid het Onze Vader langzaam en zonder haast. Hij
luistert naar je van heel dichtbij. Dit is de beste manier om zijn naam te
loven en te eren.»6
Er zijn schietgebeden die ons gedurende de dag kunnen helpen
om in de tegenwoordigheid van God te blijven: «Vader, uw naam worde geheiligd;
gezegend zij God; gezegend zij zijn heilige
naam; gezegend zij de naam van Jezus; gezegend zij de naam van Maria,
maagd en moeder...»
52.2 Uw rijk kome. De heilige
Johannes Chrysostomus merkt op, dat de Heer «wil dat wij datgene verlangen wat
onze gang naar de hemel versnelt. Terwijl wij hier nog op aarde leven, wil Hij
dat wij al vormgeven aan het hemelse leven.»7
De uitdrukking koninkrijk
Gods heeft een driedubbele betekenis. Het verwijst naar het
koninkrijk Gods dat aanwezig is in onze ziel, als wij in staat van genade
zijn; het koninkrijk Gods dat de Kerk is; en
ook naar het Koninkrijk Gods in de hemel. Wij vragen God om te heersen
in ons hart zoals een koning in zijn hof. Wij vragen zijn hulp om met Hem verenigd
te blijven door de deugden van geloof, hoop en liefde. Wij bidden dat deze
deugden in onze geest, in ons hart en onze wil mogen heersen.8 Wanneer wij dagelijks
bidden voor het komen van het rijk Gods, bidden wij ook om zijn hulp om
de bekoring te overwinnen. Het rijk van God in onze ziel zal zo lang duren, als
wij beantwoorden aan de genade die Hij ons biedt.
De parabels van het koninkrijk komen in ons hart tot
vervulling. Het koninkrijk Gods begint zijn werking zoals de graankorrel die
verborgen ligt in de aarde. Hij groeit om een halm te worden met een volle aar,
rijp voor de oogst. Het koninkrijk is ook als een zuurdesem dat het hele hart
omvormt, totdat het één wordt met God. Het koninkrijk lijkt eveneens op een
mosterdzaadje dat heel klein begint, maar uitgroeit tot een grote omvang. In
onze ziel is het koninkrijk Gods aanwezig door genade, in afwachting van de
blijvende ontmoeting met God onmiddellijk na het sterven. Het koninkrijk Gods
is hier, heel dichtbij, zei Jezus. Want
het rijk Gods is midden onder u.9
Wij kunnen zijn aanwezigheid in onze ziel bespeuren door de werking van de
Heilige Geest.
Wanneer wij zeggen uw rijk kome, vragen wij dat God vollediger in
ons wil komen, dat wij volledig van Hem zullen zijn. Wij vragen, dat Hij ons
zal helpen de moeilijkheden te boven te komen die de goddelijke genade
tegenhouden. «Vroeger waren wij slaven, maar vandaag zijn wij gemachtigd om te
heersen onder de bescherming van Christus.»10
Als ons gebed vol vertrouwen, standvastig en oprecht is,
zullen wij zeker gehoord worden. Wij lezen immers in het evangelie van vandaag:
Want al wie vraagt, verkrijgt; wie
zoekt, vindt; voor wie klopt, wordt opengedaan. Is er soms onder u een vader
die aan zijn zoon een steen zal geven, als deze hem om brood vraagt? Of als hij
om vis vraagt, zal hij hem toch in plaats van vis geen slang geven?11 Hoeveel vertrouwen kunnen wij putten uit deze woorden
van Jezus.
52.3 Wanneer
wij bidden uw rijk kome
vragen wij, dat de Kerk over de hele wereld mag groeien voor het heil van de
mensen. Wij bidden voor haar zending die zij op aarde vervult. Wij stellen ons
beschikbaar om alles te doen wat wij kunnen, om het koninkrijk Gods te
verbreiden. «Het is niet genoeg om voor het rijk Gods te bidden, als wij onze
gebeden niet vergezeld doen gaan van daden.»12
Deze daden zijn de apostolische initiatieven die wij ten uitvoer brengen, hoe
klein ze ook mogen lijken.
Wij mogen niet ontmoedigd raken, omdat de wereld weer lijkt
te vervallen tot heidendom. Het Tweede Vaticaanse Concilie daagt ons uit: «Op
alle christenen rust dus de verheven taak om er zonder ophouden voor te werken,
dat de goddelijke heilsboodschap wordt gekend en aanvaard door alle mensen over
de hele aarde.»13
Onze eerste plicht betreft degenen die God als naasten bij ons
heeft geplaatst, met wie wij regelmatig contact hebben. Wij kunnen onszelf niet
vrijstellen van dit apostolaat. Op het spel staat de eeuwige verlossing van
onze naasten. Wij behoren ook de wereld te richten op Christus: de waardigheid
van de mens, het recht van het geweten, de waardering voor de arbeid en voor de
betaling van een rechtvaardig loon, het oprechte verlangen naar vrede onder de
volken -dit zijn allemaal passende redenen tot zorg voor christenen die midden
in de wereld leven. Zij mogen zich verenigen met alle mensen van goede wil om
deze idealen te verwerkelijken.
Uw rijk kome.
«Jezus Christus herinnert ons er allen aan: en wanneer Ik van de aarde zal zijn omhoog geheven, zal Ik
allen tot Mij trekken (Joh 12,32). Als u Mij in het hart van alle
menselijke activiteiten plaatst, zegt Hij, door uw plicht van ieder ogenblik te
vervullen, door mijn getuigen te zijn in wat groot en in wat klein schijnt, dan
zal Ik alles tot Mij trekken. Mijn koninkrijk zal onder u een werkelijkheid
gaan worden!...
Daartoe zijn wij, christenen, geroepen, dat is onze
apostolische taak, dat is het vuur dat onze ziel moet verteren: het Koninkrijk
van Christus te verwezenlijken, haat en wreedheid te doen verdwijnen, over de
aarde de sterke en vredebrengende balsem van de liefde te verspreiden. Laten
wij vandaag onze Koning smeken, dat Hij ons de nederige en vastbesloten wil
moge verlenen mee te werken aan dit goddelijke plan: samen te voegen wat
verbroken is, te redden wat verloren ging, te ordenen wat de mens verward heeft,
wat verdwaalde naar de rechte weg terug te voeren, kortom: de eendracht in heel
de schepping te herstellen.»14 Laten wij
beginnen, zoals altijd, met de kleine dagelijkse dingen die binnen ons bereik
liggen.
-1. Johannes
Cassianus, Meditaties,
9,18. -2. Catechismus van
Pius X, 290. -3. Joh 17,6. -4. H. Augustinus,
Brief 130, aan Proba.
-5. Jak 4,15. -6. H. Theresia van Ávila, De weg van volmaaktheid,
31,13. -7. H. Johannes Chrysostomus, Homilieën over Matteüs,
19,5. -8. Vgl. Catechismus van
Pius X, 294-295. -9. Lc 17,21. -10. H. Cyprianus, Verhandeling over het Onze Vader,
13. -11. Lc
11,10-11. -12. Romeinse catechismus,
IV, 10,2. -13. Vaticanum ii, Decr. Apostolicam actuositatem, 3.
-14. H. Jozefmaria Escrivá, Als Christus nu langs komt, 183.
|