22 december
27. DE NEDERIGHEID VAN MARIA
-Nederigheid
van de heilige Maria. Wat is nederigheid? -Fundament van de liefde. Vruchten
van nederigheid. -Wegen om die deugd te verwerven.
27.1 Poorten,
heft uw kroonlijsten op; gaat open, aloude deuren: de Koning der glorie moet
binnengaan.1
Waar zij ook ging, bracht
de heilige Maagd vreugde: zodra de klank van uw groet mijn oor bereikte,
sprong het kind van vreugde op in mijn schoot2, zei Elisabeth haar, waarbij zij verwees
naar Johannes de Doper die in haar schoot groeide. Na de lofprijzing van haar
nicht antwoordt de Maagd met een wondermooie jubelzang. Mijn ziel prijst
hoog de Heer, mijn geest jubelt van vreugde in God, mijn Redder. Het Magnificat
bevat de diepe reden voor alle nederigheid. Maria overweegt, dat God zijn oog
heeft laten vallen op de geringheid van zijn dienstmaagd. Dat zegt zij
omdat aan haar de Almachtige grote dingen gedaan heeft. Dat is de
toonzetting van het leven van Maria: grootsheid en nederigheid. «Wat een
nederigheid, die van mijn Moeder Maria! -Jullie zullen haar niet zien bij de
intocht in Jeruzalem, noch op het moment van de grote wonderen, -uitgezonderd
bij het eerste te Kana. -Maar de smaad van Golgotha ontvlucht zij niet, daar
staat zij, -iuxta crucem Jesu- de Moeder naast het kruis van Jezus.»3
De deugd van nederigheid
-die het hele leven van Maria doorschijnt- is de waarheid4, werkelijk
erkennen wat wij zijn en waard zijn voor God en voor de anderen. Het is ook ons
van onszelf ontledigen en toelaten dat God met zijn genade in ons werkt. «Het
is het verwerpen van uiterlijkheid en oppervlakkigheid; het is de uitdrukking
van de diepgang van de menselijke geest; het is zijn grootsheid.»5 Nederigheid
steunt op de kennis van de plaats die we innemen in de ogen van God en in de
ogen van de mensen en in wijze matiging van onze altijd teugelloze verlangens
naar roem. Deze deugd heeft niets van doen met verlegenheid, kleinzieligheid of
middelmatigheid.
Er is niets tegen dat we
ons bewust zijn van de talenten die we gekregen hebben, noch om die met het
hart op de juiste plaats volledig te benutten. Nederigheid verkleint het hart
niet, zij vergroot het. Nederigheid laat zien, dat al het goede dat wij in ons
hebben, zowel in de natuurlijke orde als in de orde van de genade, aan God
toebehoort. In Christus zijt gij immers in ieder opzicht rijk begiftigd.6 De Heer is heel
onze grootheid. Wij kunnen ons slechts beroemen op te kort schieten en zwak
zijn. Tegenover God ontdekken wij, dat wij schuldenaren zijn die niet weten
hoe te betalen.7 Daarom
wenden we ons tot de Middelares van alle genaden, tot Maria, Moeder van
barmhartigheid en tederheid, tot wie niemand ooit tevergeefs zijn toevlucht
nam. «Zoek vol vertrouwen beschutting in haar moederschoot. Vraag haar, dat de
deugd die haar zo dierbaar was, ook de jouwe mag worden. Wees niet bang
onopgemerkt te blijven. Maria zal die deugd voor jou vragen aan die God die
nederigen verheft en hoogmoedigen verstrooit. En aangezien Maria bij haar Zoon
almachtig is, zal zij met stelligheid verhoord worden.»8
27.2
Nederigheid is de grondslag voor alle deugden. Zonder nederigheid zou geen
enkele deugd tot ontwikkeling kunnen komen. Alle andere deugden zijn zonder
haar «als een enorme berg stro die we opgericht hebben, maar die bij de eerste
windstoot omver geblazen en verspreid wordt. De duivel is in het geheel niet
bang van die devoties die niet gegrondvest zijn in nederigheid, want hij weet
heel goed dat hij die zo kwijt kan raken, als het hem van pas komt.»9 Heiligheid is onbestaanbaar zonder een op winnen
gerichte strijd om die deugd te verwerven. Zonder die deugd zal er geen sprake
kunnen zijn van een authentiek menselijke persoon. Wie nederig is, neigt
bovendien bijzonder makkelijk tot vriendschap, ook bij mensen met een heel
andere smaak, leeftijd enzovoort. Daarmee opent hij de poort naar persoonlijk
apostolaat.
Nederigheid is met name
het fundament van de liefde. Zij verschaft de liefde consistentie en maakt haar
mogelijk: «de verblijfplaats van de liefde is de nederigheid»10, zei de heilige
Augustinus. In de mate waarin de mens zichzelf vergeet, kan hij zich
bezighouden met en vrijhouden voor de anderen. Vaak is het gebrek aan liefde
veroorzaakt door voorafgaande zonden van ijdelheid, trots, zelfzucht, het
verlangen uit te blinken enzovoort. Die twee deugden, nederigheid en liefde,
«zijn de moederdeugden; zij worden gevolgd door de andere, zoals de kloek door
de kuikens.»11
Wie nederig is, voelt er
niets voor te laten zien hoe goed hij is. Hij weet dat de functie die hij
bekleedt, niet de plaats is om in het oog te vallen en complimenten te vergaren,
maar de plaats om te dienen, om een opdracht uit te voeren. Ga dan niet
aanliggen op de voornaamste plaats [...] Maar ga, wanneer ge ergens genodigd
wordt, op de minste plaats aanliggen.12 Als de gelovige zich op een van de
voornaamste plaatsen bevindt, waar hij een uitstekende positie inneemt, weet
hij dat «datgene waarin hij uitblinkt, hem door God gegeven is, opdat het de
anderen ten goede zou komen. In dat opzicht is de mens verplicht het getuigenis
van anderen over zijn voortreffelijkheid te aanvaarden, in zoverre daarin voor
hem de weg ligt tot dat wat de anderen ten voordeel strekt.»13
Op de plaats waar we zijn
-in besprekingen, in het gezin enzovoort- moeten we bezig zijn voor Gods
aangezicht en vermijden dat de eerzucht ons verblindt. Nog veel minder moeten
wij, gedreven door ijdelheid, het leven laten ontaarden in een wedstrijd om
telkens hogere banen. Dan kunnen we misschien op een plaats terechtkomen die
voor ons niet geschikt is. Later zouden wij dan de vernedering moeten ondergaan
het ongenoegen te ervaren van een baan die ons niet past, die niet overeenkomt
met onze begaafdheden. Dat is niet in tegenspraak met de oproep van de Heer
onze talenten tot het uiterste uit te buiten, met veel offers in de juiste
besteding van de tijd. Het is integendeel een gebrek aan oprechtheid in de
bedoelingen, een evident symptoom van hoogmoed. Een nederig mens blijft 'bij zijn
leest'. Hij voelt zich op zijn plaats en is tevreden met wat hij doet.
Bovendien is hij altijd een hulp. Hij kent zijn beperkingen en mogelijkheden.
Hij laat zich niet makkelijk door zijn eerzucht meeslepen. Zijn kwaliteiten
komen hem meer of minder van pas, maar zitten hem nooit in de weg. Hij speelt
zijn rol binnen het geheel.
Een ander blijk van
nederigheid is het zich onthouden van een negatief oordeel over anderen. Het
kennen van onze eigen zwakte zal ons behoeden voor «een enkele slechte gedachte
over iemand, ook al geven woorden of daden van de betrokkene aanleiding om
redelijkerwijs zo te oordelen.»14 Laten we de anderen met respect en begrip bekijken en
hen, als het nodig is, broederlijk vermanen.
27.3 Onder
de wegen die leiden tot het verwerven van de nederigheid is er op de eerste plaats het vurig verlangen
naar deze deugd, haar op waarde schatten
en de Heer erom vragen; het doen groeien van volgzaamheid tegenover de in de
geestelijke leiding ontvangen adviezen, de inspanning deze ten uitvoer te
leggen; het met toenemende blijdschap ontvangen van een fijngevoelige broederlijke
terechtwijzing; het uit liefde tot God in
stilte ondergaan van vernederingen; prompt en van harte gehoorzamen. En wij
zullen nederigheid vooral verwerven door middel van de liefde, het blij dienen van de anderen in
kleine dingen. Jezus is het voorbeeld bij
uitstek van nederigheid. Niemand bezat ooit een waardigheid die met de zijne vergelijkbaar was.
Niemand diende ooit met zoveel ijver de
mensen als Hij het deed: Ik ben onder u als degene die bedient.15 Door de Heer na te volgen zullen we de anderen nemen zoals zij zijn en
voorbijgaan aan een heleboel kleinigheden
die misschien wel niet
goed zijn, maar bijna altijd volstrekt onbelangrijk. Nederigheid vergroot onze geneigdheid tot geduld en
helpt ons geduld te hebben met de gebreken van de mensen om ons heen. En ook
met onze eigen gebreken. Wij zullen de mensen met wie wij dagelijks verkeren, kleine diensten
bewijzen zonder er overdreven belang aan
te hechten en zonder er ooit iets voor terug te vragen. Wij zullen van Jezus en
Maria leren ons leven
te delen met allen, de anderen weten te begrijpen, met inbegrip van hun gebreken. Als wij ervoor zorgen
de anderen te zien zoals de Heer hen ziet, zal het ons makkelijker vallen hen
op te nemen, zoals Hij hen opneemt.
Bij het overwegen van de
passages in het evangelie waarin de onvolmaaktheden van de apostelen naar
buiten treden, zullen wij leren met onze eigen onvolmaaktheden geduld te
oefenen. De Heer houdt overal rekening mee, met
de deugden en met dat bepaalde aspect van ons karakter. Laten we ons
gebed van vandaag besluiten met het beschouwen
van onze heilige Moeder Maria die van haar Zoon deze deugd, die we zo nodig hebben, voor ons zal verkrijgen.
«Kijk naar Maria. Nooit
heeft een schepsel zich met zoveel nederigheid verlaten op de plannen van de
Heer. De nederigheid van de ancilla Domini16, van de dienstmaagd des Heren, is er de
oorzaak van dat wij haar aanroepen als causa
nostrae laetitiae, oorzaak van onze
blijdschap. - Maria belijdt, dat zij de dienstmaagd van de Heer is. En
zíj wordt de Moeder van het Woord van God en
is vervuld van vreugde. Moge de blijdschap van Maria, onze goede Moeder,
zich aan ons allen meedelen. Laten we de heilige Maria in alles navolgen en
daardoor meer op Christus gaan lijken.»17
-1. Introïtus
uit de Mis van vandaag, Ps 23,7. -2. Lc 1,44. -3. H. Jozefmaria Escrivá, De Weg,
507. -4. Vgl. H. Theresia van Avila,
Innerlijke burcht, vi, 10.
-5. Johannes Paulus ii, Angelus,
4 maart 1979. -6. 1 Kor 1,5-6. -7. Vgl. Mt 18,23-35. -8. G. Pecci (Leo xiii), De praktijk van
de nederigheid, 56. -9. H.
Jean-Baptiste Marie Vianney, Preek over de nederigheid. -10. H. Augustinus, De sancta virginitate,
51. -11. H. Franciscus van Sales,
Epistolarium, fragment 17, deel 2, bl. 651. -12. Lc 14,7 e.v.
-13. H. Thomas van Aquino, Summa
Theologiae, II-II, q131, a1, c. -14.
H. Jozefmaria Escrivá, o.c., 442. -15. Lc 22,27. -16. Lc
1,38. -17. H. Jozefmaria Escrivá,
Vrienden van God, 109.
|