Eenentwintigste week.
Vrijdag
62. De olie van de naastenliefde
-Innigheid met Jezus is de olie die het licht van de
naastenliefde brandend houdt. -De schittering van goede werken. -Een licht zijn
voor anderen.
62.1 In het evangelie van vandaag1 lezen we
over een joodse gewoonte die de Heer gebruikt om ons te laten zien hoe waakzaam
wij moeten zijn, persoonlijk en met betrekking tot onze plichten jegens onze
naaste. Jezus vertelt ons: Met het Rijk der hemelen zal het zijn als met tien meisjes
die met hun lampen uittrokken, de bruidegom tegemoet. Het was gebruik dat de bruidsmeisjes in het huis van de bruid
wachtten tot de bruidegom arriveerde. De Heer probeert ons te leren wat voor
soort houding wij moeten aannemen voor zijn komst. Hij komt tot ons, en wij op
onze beurt moeten op Hem wachten met een geest van waakzaamheid, onze liefde
wakker, want, zoals de heilige Gregorius de Grote het zegt in een commentaar op
deze parabel, «slapen is sterven».2
De parabel vertelt ons dat vijf van de meisjes dom waren: ze
hadden niet genoeg olie meegebracht voor het geval dat de bruidegom laat zou
komen. De overige vijf hadden vooruitgekeken -waren verstandig- en namen met hun lampen tevens
kruiken olie mee. Vanwege de lange vertraging vielen ze allemaal
in slaap. Tegen middernacht werden ze wakker door de kreet: Daar is de bruidegom!,
maar de enige bruidsmeisjes die gereed waren en toegelaten werden tot de
bruiloft, waren degenen die eraan gedacht hadden olie mee te nemen. De anderen
moesten, ondanks hun inspanningen, buiten blijven.
De Heilige Geest leert ons dat het niet voldoende is alleen
maar begónnen te zijn op de weg die naar Christus voert; we moeten erop
blíjven, voortdurend alert, want het is de natuurlijke neiging van elke man en
vrouw om het niveau van overgave dat de christelijke roeping vereist, te
verlagen. Beetje bij beetje, bijna zonder het te beseffen, geeft de ziel toe
aan de neiging om Christus' roeping aan te passen aan een gemakkelijk bestaan.
We moeten steeds op onze hoede zijn voor de druk van een omgeving, die zich
laat leiden door de onverzadigbare zucht naar comfort en die de gemakkelijkste
weg altijd zoekt. Zo niet, dan zal het met ons aflopen als met die meisjes:
eerst zijn ze vol goede wil, maar dan worden ze snel moe en kunnen ze niet op
weg gaan om de bruidegom
te ontmoeten, voor wie ze zich de hele dag voorbereid hebben. Als we niet alert
zijn, zal de Heer ons vinden zonder de schittering van goede werken, slapend,
met onze lamp gedoofd. Wat jammer als een christen, na jaren van strijd, aan
het einde van zijn dagen zou moeten ontdekken dat zijn daden beroofd waren van
goddelijke waarde, omdat ze te weinig olie van liefde en naastenliefde hadden!
Laten we niet vergeten dat het licht van de naastenliefde moet doordringen in
heel onze familie en onze sociale relaties, onze omgang met onze vrienden, onze
klanten en zelfs met de mensen die we slechts af en toe ontmoeten.
De theologische deugd van de naastenliefde moet al onze
handelingen verlichten, overal en op elk moment: als we ons goed voelen en
wanneer we ziek zijn, als we moe zijn, in momenten van tegenspoed; als we bij
mensen zijn met wie we een goede verhouding hebben en ook met hen die we
irritanter of moeilijker vinden; op het werk en thuis; kortom, altijd. «De goed
gestemde ziel heeft altijd een levendige, sterke en besliste vastberadenheid om
te vergeven, om te verdragen, om te helpen, en een houding die haar er altijd
toe beweegt daden van naastenliefde te verrichten. Als dit verlangen om te
beminnen, en om belangeloos te beminnen, wortel geschoten heeft in de ziel, zal
dat het meest overtuigende bewijs zijn dat haar communies, biechten, meditaties
en haar hele gebedsleven goed en oprecht en vruchtbaar zijn.»3
De olie die de naastenliefde brandend houdt is gebed dat
aandachtig is en vol liefde: innigheid met Jezus. Het is niet moeilijk te zien
dat naastenliefde vaak niet verricht wordt, zelfs niet door veel mensen die
zichzelf christenen noemen. «Als u echter de dingen zou beschouwen met een
bovennatuurlijke visie, zou u ook de wortel van die steriliteit ontdekken: het
ontbreken van een intense en voortdurende omgang, van persoon tot Persoon, met
de Heer Jezus Christus; en de onbekendheid met het werk van de Heilige Geest in
de ziel, waarvan de naastenliefde nu juist de eerste vrucht is.»4
62.2 De beslissing om Christus te volgen wordt geboren uit de Liefde, en in
de Liefde vindt ze haar voeding. De bereidheid om gemakkelijk toe te geven is
een teken dat het edele ideaal van de Meester volgen zijn aantrekkingskracht
verloren heeft. We moeten heel oprecht zijn jegens God en jegens onszelf als we
altijd open willen staan voor zijn verzoeken en bereid willen zijn om egoïsme
te bestrijden. De ziel die gehecht is aan een gemakkelijke bestaansvorm en die
offer en zelfverloochening vermijdt, of die alleen door persoonlijke
bevrediging gemotiveerd wordt, zal niet de kracht vinden die noodzakelijk is om
zich met heel zijn hart aan God en de naaste te geven.
«Er zijn ook anderen die hun lichamen kwellen met onthouding,
maar juist door deze onthouding van hen zoeken ze materiële compensatie. Ze
onderwijzen anderen, ze geven vele zaken aan de behoeftigen, maar in
werkelijkheid zijn het 'dwaze maagden', want ze zoeken alleen de beloning van
vergankelijke lof.»5 Dit zijn de mensen die te
kort schieten in oprechtheid van bedoeling; hun werken blijven leeg.
De Heer vraagt ons om volharding in liefde. Liefde moet
voortdurend groeien, terwijl ze op ieder moment en in iedere situatie de
vreugde van Christus volgen ervaart. Weest sterk, onverslagen van hart: gij allen die hoopvol de
Heer wacht6, zegt de Heilige Geest
ons; zonder ontmoedigd te raken, volhardend in onze dagelijkse inspanning,
opdat de Liefde ons wachtend zal vinden wanneer Zij komt. «Zijn de verstandige
maagden -zegt de heilige Augustinus- niet zij die volharden tot het einde? Door
geen enkele andere oorzaak, om geen enkele andere reden zouden ze naar binnen
hebben mogen gaan, dan omdat ze volhard hebben tot het einde [...] En omdat hun
lampen helder branden tot het laatste moment, worden de deuren wijd voor hen
geopend en mogen ze binnengaan»7: ze hebben
ontdekt wat in hun leven het belangrijkst is.
Als de ziel haar houding van waakzaamheid verliest, als ze
toegeeft aan dagelijkse zonde en haar vriendschap met de Heer laat bekoelen,
blijft ze in duisternis, zonder licht voor zichzelf of voor hen die recht
hadden op de invloed van haar goede voorbeeld. Als de geest van versterving
verlaten wordt en het gebed veronachtzaamd, wordt het licht zwakker en gaat het
misschien uit, «en na zoveel werken, na zoveel activiteiten, na al die moedige
inspanning en de met moeite behaalde overwinningen op de kwade invloeden van de
natuur, moesten de domme maagden zich beschaamd terugtrekken, hun lampen
gedoofd en hun hoofden omlaag.»8 Liefde tot God
bestaat niet in begonnen zijn -zelfs niet met veel inspanning- maar in
volharden, in steeds maar weer opnieuw beginnen.
Wat betreft de domme maagden, «zij hebben heus niet werkeloos
toegezien. Zij hebben echt geprobeerd iets te ondernemen... Maar zij krijgen
een stem te horen die hun bars antwoordt: Ik ken u niet. Zij hebben niet
geweten hoe ze zich met genoeg ijver moesten voorbereiden of hebben het niet
gewild. Zij vergaten de verstandige voorzorgsmaatregel te nemen tijdig olie te
kopen. Het ontbrak hun aan edelmoedigheid om de kleine taak die hun was
opgedragen tot het einde toe ten uitvoer te brengen. Zij hadden er ruimschoots
de tijd voor, maar ze hebben die verspild.
»Laten we de moed hebben ons leven kritisch te beschouwen.
Waarom vinden we soms niet die paar minuten om het werk dat ons is opgedragen
en dat een middel tot onze heiliging is, liefdevol af te maken? Waarom verwaarlozen
wij onze plichten jegens ons gezin? Waarom zijn we gehaast zodra we gaan bidden
of het heilig Misoffer bijwonen? Waarom ontbreekt het ons aan rust en kalmte
wanneer het erom gaat onze plichten van staat te vervullen, terwijl we geen
greintje haast hebben als het om onze eigen invallen gaat? Wat een
kleinigheden, zult u zeggen. Ja, dat is zo; maar die kleinigheden zijn nu juist
de olie, onze olie, die het vuur laat opvlammen en het licht doet branden.»9
Het verlangen om Christus steeds maar meer lief te hebben, de
bereidheid om te vechten tegen onze fouten en zwakheden, steeds weer opnieuw
beginnen, is wat de vlam brandend houdt. Dit is de olie die het licht van de
liefdadigheid niet laat uitgaan. De Heer wacht op ons op ons werk, thuis, waar
we onze vrije tijd doorbrengen. Wij zijn helemaal van Hem, in welke situatie we
ons ook bevinden. Het licht van de naastenliefde moet altijd schijnen.
62.3 De mensen die ons het meest nabij zijn, zijn degenen die het meest zouden
moeten profiteren van de houding van waakzaamheid waarvan de Heer wil dat wij
die in ons hart hebben. Soms kunnen mensen erg beïnvloed worden door een zuiver
materialistische visie op het leven of door het slechte voorbeeld van mensen
die anderen zouden moeten leiden. We ervaren soms heel sterk het gewicht van
onze hartstochten dat ons omlaag trekt, maar dat kan altijd overwonnen worden
door de kracht van een brandende naastenliefde. Frater qui adiuvatur a fratre quasi civitas firma -
de broeder die door zijn broeder geholpen wordt 10, is zo
sterk als een ommuurde stad die geen vijand kan bestormen. Goed is altijd
sterker dan kwaad. Ons leven is van groot belang, omdat wij moeten zijn als
brandende lampen die de weg verlichten voor vele mensen.
De Heer wil dat wij door onze broederlijke zorg beschutting
en bescherming zijn voor de mensen die ons nabij zijn door banden van bloed of
vriendschap, en voor de hele mensheid: door hen dagelijks te helpen met ons
gebed, door hen op het juiste moment te waarschuwen met een broederlijke
terechtwijzing als we hen zien vervallen in gewoonten of gebruiken die niet in
overeenstemming zijn met hun christelijke staat, door ze nuttige raad te geven
om hun gezinsleven of werk te verbeteren, door snel erbij te zijn met een woord
van opbeuring als ze terneergeslagen zijn, door begrip te hebben voor hun
tekortkomingen en fouten en hen te helpen ze te overwinnen. We kunnen zelfs
mensen veel helpen door de manier waarop we hen groeten, want, zoals de heilige
Thomas van Aquino zegt, «onze groet is een soort gebed»11:
in een groet wensen we mensen vrede in de ziel, dat God hen mag zegenen enz.
De
broeder die door zijn broeder geholpen wordt, is zo sterk als een ommuurde
stad. Als we onszelf laten helpen en we geven ons echt aan de mensen
om ons heen, kunnen we verwachten dat Christus zal komen en dat Hij ons naar
het bruiloftsfeest brengt, naar de mateloze en eindeloze Liefde.
-1. Mt
25,1-13. -2. H. Gregorius de Grote, Preken op de evangeliën,
12,2. -3. B. Baur, Still mit Gott. -4. H. Jozefmaria
Escrivá, Vrienden van God, 236. -5. H. Gregorius de Grote, Preken op de evangeliën,
12,1. -6. Ps
31,25. -7. H. Augustinus, Sermo 93,6. -8. H. Johannes Chrysostomus, Preken op de evangeliën,
78,2. -9. H. Jozefmaria Escrivá, Vrienden van God, 41. -10.
Spr 18,19. -11. H. Thomas van Aquino, Catena Aurea, I, bl. 334.
|