Dertigste week. Dinsdag
14. De openbaring van de kinderen Gods
-Wat ons goddelijk kindschap betekent. -Kinderen
in de Zoon. -Gevolgen van het goddelijk kindschap.
14.1 In Psalm 2 lezen we de volgende
woorden, die in de eerste plaats van toepassing zijn op de Messias: De Heer sprak tot mij: gij zijt mijn zoon; Ik riep u
heden in het leven.1
Van eeuwigheid roept de Vader de Zoon in het leven en geheel het wezen van de
Tweede Persoon van de Allerheiligste Drieëenheid ligt in het kindschap, in het
Zoon zijn. Het heden waarover de psalm ons spreekt, betekent een voortdurend, eeuwig
'altijd', waarin de Vader het wezen aan zijn Eniggeborene geeft.2
Om over kindschap in de strikte betekenis van
het woord te spreken is gelijkheid van natuur vereist.3
Daarom is alleen Jezus Christus de Eniggeboren Zoon van de Vader. In ruimere
zin kan men zeggen, dat alle schepselen -in het bijzonder de mensen en de
engelen-kinderen van God zijn, hoewel hun kindschap erg onvolmaakt is, want hun
gelijkheid met de Schepper is geenszins een gelijkheid van natuur.
Toch kwam er door het doopsel in onze ziel een
regeneratie tot stand, een nieuwe geboorte, een bovennatuurlijke verheffing,
die ons deelgenoot maakte van de goddelijke natuur. Deze bovennatuurlijke
verheffing was het begin van een goddelijk
kindschap dat het eigen menselijk kindschap van elk schepsel oneindig
ver overtreft. In de proloog van zijn evangelie leert Johannes ons dat aan allen die Hem [Christus] aanvaardden, aan hen
die in zijn naam geloven, Hij het vermogen gaf om kinderen van God te worden;
zij zijn niet uit bloed noch uit de begeerte van het vlees of de wil van een
man, maar uit God geboren.4
«Gods Zoon is mens geworden -zo legt de heilige Athanasius uit- opdat de
kinderen van de man, de kinderen van Adam, kinderen van God zouden worden [...].
Hij is de Zoon van God van nature; wij vanwege de genade.»5
Het goddelijk kindschap neemt een centrale
plaats in de boodschap van Jezus Christus in; het is een voortdurend thema van
onderricht in de prediking van de Blijde Boodschap, als een welluidend teken
van Gods liefde voor de mensen. Hoe
groot is de liefde die de Vader ons betoond heeft! Wij worden kinderen van God
genoemd, en we zijn het ook6, schrijft Johannes. Deze toestand van kind zijn zal zijn volheid pas
in de hemel bereiken, maar is ook in dit leven reeds een vreugdevolle en
hoopvolle werkelijkheid. Zoals de heilige Paulus tot ons zegt, in een van de
lezingen van de heilige Mis van vandaag, verlangt nu de schepping vurig naar de openbaring van Gods kinderen
[...]. Wij weten immers dat de hele natuur kreunt en barensweeën lijdt, altijd
door. En niet alleen zij, ook wij zelf, die toch reeds de eerstelingen van de
Geest hebben ontvangen, ook wij zuchten over ons eigen lot, zolang wij nog
wachten op de verlossing van ons lichaam...7 De apostel duidt hier op de volheid van
de aanneming als kinderen, want reeds hier op aarde zijn wij kinderen van God
geworden, onze grootste eer en hoogste titel: Je bent dus niet langer slaaf, maar zoon; en als je zoon bent, dan ook
erfgenaam, door toedoen van God.8
De woorden die de Vader van eeuwigheid op zijn
Eniggeborene toepast, gebruikt Hij nu voor ons. Tot ieder van ons zegt Hij: Gij zijt mijn zoon; Ik riep u heden in het
leven. Dat heden is ons aardse leven, want God geeft ons iedere dag dat nieuwe wezen.
«Hij zegt ons: Gij zijt mijn zoon. Geen vreemdeling, geen dienaar die met welwillendheid behandeld
wordt, geen vriend... dat zou al veel zijn. Zoon! Zelf effent Hij de weg voor ons
opdat wij Hem met de liefde van een zoon benaderen, of met de schaamteloosheid
van een zoon aan wie de Vader niets kan weigeren.»9
14.2 Gij zijt mijn zoon...
De Heer heeft
voortdurend tot zijn leerlingen over deze verbazingwekkende werkelijkheid gesproken. Soms
rechtstreeks, door hen te leren zich tot God te richten als tot een Vader10, door
hun de heiligheid te leren als kinderlijke navolging van de Vader11, en eveneens door talrijke gelijkenissen, waarin
God wordt afgebeeld als Vader.12
Goddelijk kindschap dient te worden opgevat als
meer dan een symbolische betrekking tussen God en ons, alsof Hij ons zou willen
behandelen zoals Hij het zijn kinderen zou doen. Hij heeft ons als zijn eigen
kinderen gewild. Natuurlijk kan ons kindschap niet vergeleken worden met dat
van de Godmens. Toch is ons kindschap iets buitengewoons. Het is een gave
waarvan we de omvang en betekenis nauwelijks kunnen bevatten.13
Ons kindschap is een delen in het volle
kindschap, dat uitsluitend bestaat en vorm krijgt in de Tweede Persoon van de
Allerheiligste Drieëenheid. Van «natuurlijk kindschap -verklaart de heilige
Thomas- is voor velen het kindschap door een zekere gelijkheid en deelname afgeleid.»14 Vanuit dit kindschap treden we binnen in de
intimiteit van de Heilige Drieëenheid; het is een waarlijk delen in het leven
van de Vader, de Zoon en de Heilige Geest. Ten aanzien van onze verhouding tot
de goddelijke Personen kan men zeggen, dat wij kinderen zijn van de Vader in de
Zoon door de Heilige Geest.15 «Door de genade
die hij heeft ontvangen bij het doopsel, deelt de mens in de eeuwige geboorte
van de Zoon vanuit de Vader, want hij is aangenomen zoon van God geworden: zoon
in de Zoon.»16 «Wanneer hij uit het water van de
heilige bron stapt, hoort iedere christen opnieuw de stem die ooit werd
vernomen aan de oevers van de Jordaan: Gij zijt mijn Zoon, de welbeminde, in wie Ik mijn welbehagen heb gevonden (Lc 3,22); en hij begrijpt dat hij verenigd wordt met zijn uitverkoren
Zoon en aldus aangenomen zoon (Gal 4,4-7) en broeder van Christus.»17
Het goddelijk kindschap moet op alle
ogenblikken van de dag aanwezig zijn, maar het moet zich met name openbaren als
we ooit de hardheid van het leven sterker voelen. «Het lijkt alsof de wereld
jou terneer drukt. Je ontwaart rondom geen enkele uitweg. Het is deze keer
onmogelijk om de moeilijkheden te overwinnen. -Maar, ben je wederom vergeten
dat God jouw Vader is? Almachtig, alwetend, barmhartig? Hij kan je niets
slechts toezenden. Datgene wat jou bezorgd maakt, is goed voor jou, ook al zijn
op dit moment je ogen verblind. -Omnia
in bonum! Alles strekt ten goede! Heer, dat uw
allerwijste wil nog eens geschiede, en altijd!»18
14.3 Het goddelijk kindschap is niet
eenvoudigweg een deel tussen veel andere van het leven van een christen. Het is
iets wezenlijks dat gevolgen heeft in alle aspecten van ons leven. Het
goddelijk kindschap is strikt genomen niet een welomschreven deugd maar de
permanente staat waarin iedere gedoopte verkeert. De vroomheid die voortkomt
uit deze nieuwe status van de mens die Christus' schreden volgt «is een
grondhouding van de ziel die uiteindellijk het hele bestaan vervult. Vroomheid
is aanwezig in alle gedachten, alle verlangens, in alles waar ons hart naar uitgaat.»19 Als wij acht slaan op het goddelijk plan, kunnen we
zeggen dat alle genadegaven ervoor zijn om van ons kinderen van God te maken,
om uiteindelijk alter Christus, ipse
Christus te zijn.20
Wij moeten steeds meer op Hem gelijken. Ons leven moet een weerspiegeling zijn
van zijn leven. Daarom moet het goddelijk kindschap zeer vaak motief van ons
gebed en onze overweging zijn; dan zal onze ziel vervuld worden van vrede te
midden van de grootste bekoringen of tegenslagen, omdat wij ons leven in Gods
handen hebben gelegd. Natuurlijk blijven we ervoor vechten om betere mensen te
worden en alle beschikbare menselijke middelen aanwenden in tijden van ziekte,
ontberingen, eenzaamheid... Houden we daarbij het voorbeeld van de heiligen in
gedachte. Zelfs te midden van vele beproevingen was hun leven er een van serene
gemoedsrust en innerlijke vreugde
Het goddelijk kindschap is eveneens de basis
van de christelijke broederlijkheid, die zeer ver uitstijgt boven de band van
saamhorigheid die onder mensen bestaat. In de ander dienen wij kinderen van God
te zien, broeders van Jezus Christus, die allen geroepen zijn tot een bovennatuurlijke
bestemming. Op die wijze zullen wij hun makkelijk die kleine dagelijkse hulp
kunnen verlenen die wij allemaal van elkaar nodig hebben, en vooral zullen wij
voor hen de weg vergemakkelijken die naar de gemeenschappelijke Vader leidt.
Onze heilige Moeder Maria zal ons leren die
woorden van Psalm 2, die we aan het begin van deze overweging hebben gelezen,
te proeven als tot ieder van ons gericht: Gij zijt mijn zoon; Ik riep u heden tot het leven.
-1. Ps 2,7. -2. Vgl. Johannes Paulus ii, Algemene audiëntie, 16
oktober 1985. -3. Vgl. H. Thomas van
Aquino, Summa Theologiae III, q32, a3 c. -4. Joh 1,12-13. -5. H. Athanasius, De Incarnatione contra arianos, 8. -6. 1 Joh 3,1. -7. Rom 8,19-23. -8. Gal 4,7. -9. H. Jozefmaria Escrivá, Als
Christus nu langs komt, 185. -10. Vgl. Mt 6,9. -11. Vgl. Mt 5,48. -12. Vgl. J. Bauer, Diccionario de Teología Bíblica, Herder,
Barcelona 1967, trefwoord: filiación, cols 407-412. -13. Vgl. M.C. Calzona, Filiación divina y cristiana en el mundo,
in La misión del laico en la Iglesia y
en el mundo, EUNSA Pamplona 1987, bl. 301. -14. H. Thomas van Aquino, Commentaar op het evangelie van Johannes, 1,8. -15. Vgl. F. Ocáriz, Hijos de Dios en Cristo,
EUNSA, Pamplona 1972, bl. 98. -16. Johannes
Paulus ii. Homilie 23 maart 1980. -17. Idem, Apost. exhort. Christifideles laici,
30 december 1988, 11. -18. H. Jozefmaria
Escrivá, Kruisweg, IX,4. -19. Idem, Vrienden van God, 146. -20. Vgl. Idem, Als Christus nu langs komt, 96.
|