Achtste zondag door het jaar (C)
3. DE OVERWINNING OP DE DOOD
-De dood, een gevolg van de zonde. Van dit leven houden wij
alleen de verdiensten van de goede werken en de straf voor de zonden over.
-Christelijke betekenis van de dood. -Vruchten van het overwegen van de
uitersten.
3.1 De heilige Paulus leert ons
in de tweede lezing van de mis1, dat wanneer het
verrezen en verheerlijkte lichaam bekleed wordt met onsterfelijkheid, de dood
definitief overwonnen zal zijn. Dan zullen wij kunnen vragen: Dood, waar is uw overwinning? Dood, waar is uw angel? De angel
van de dood is de zonde... De zonde heeft de dood in de wereld gebracht.
Toen God de mens schiep, met alle bovennatuurlijke gaven van de genade,
verleende Hij hem ook andere gaven die zijn natuur in haar eigen orde vervolmaakten.
Een daarvan was de lichamelijke onsterfelijkheid, die onze stamouders samen met
het leven aan hun nakomelingschap hadden moeten doorgeven. De erfzonde bracht
met zich mee het verlies van de vriendschap met God en van deze gave van
onsterfelijkheid. De dood, het loon van de zonde2, kwam in een wereld die ontworpen was voor het
leven. De Openbaring leert ons: God heeft de dood niet
gemaakt en Hij vindt geen vreugde in de ondergang van hen die leven.3
Met de zonde echter kwam de dood over allen. «De rechtvaardige
sterft net zo goed als de goddeloze, de goede evenals de slechte, de zuivere en
de onreine, wie offers brengt en wie het niet doet. Hetzelfde lot treft de
goede mens en de zondaar. Hij die zweert, hetzelfde als wie de eed vreest.
Mensen en dieren worden op gelijke wijze weer stof en as.»4 Al het stoffelijke komt tot een einde: alles heeft
zijn uur. De lichamelijke wereld en alles wat daarin bestaat, komt ooit tot een
einde. Ook wij.
Bij de dood verliest de mens alles wat hij tijdens zijn leven
bezat. Zoals tot de rijke uit de parabel, zal de Heer tot degene die alleen aan
zichzelf, aan zijn welzijn en aan zijn gemak dacht, zeggen: Dwaas! ... al die voorzieningen die je
getroffen hebt, voor wie zijn die dan? 5 Iedereen
neemt alleen maar met zich mee de verdiensten van zijn goede werken en de straf
voor zijn zonden. Zalig de doden die in de Heer sterven,
van nu af. Ja waarlijk, zegt de Geest, laat hen uitrusten van hun moeiten, want
hun daden vergezellen hen.6 Met de dood
eindigt de mogelijkheid verdiensten te verwerven voor het eeuwig leven, zoals
de Heer ons vermaant: Er komt een nacht en dan kan niemand
werken.7 Met de dood hecht de wil zich
aan goed of aan kwaad, voor immer. Zij zal voor eeuwig in vriendschap met God
blijven, of zijn barmhartigheid afwijzen.
Het overwegen van ons einde in deze wereld zet ons aan te reageren
tegen lauwheid, tegenzin als het de zaken van God betreft, gehechtheid aan
dingen van hier beneden die we weldra zullen moeten achterlaten. Deze
overweging helpt ons het werk te heiligen en in te zien, dat dit leven een
korte periode is om verdiensten te verwerven.
Laten wij er vandaag aan denken, dat wij stof zijn die
vergaat, maar ook dat wij geschapen zijn voor de eeuwigheid, dat de ziel nooit
sterft, en dat ons eigen lichaam ooit verheerlijkt zal verrijzen om zich met de
ziel te herenigen. Dat vervult ons met blijdschap en vrede, en motiveert ons te
leven als kinderen van God in de wereld.
3.2 Met de Verrijzenis van
Christus is de dood overwonnen. De dood houdt de mens niet langer in slavernij.
Hij is heer en meester over de dood.8 En die
soevereiniteit bereiken wij in de mate waarin wij verenigd zijn met Hem die de sleutels van de dood 9 bezit.
De echte dood is gelegen in de zonde die een afschuwwekkende scheiding is -de
scheiding van de ziel van God-; in vergelijking hiermee die andere scheiding,
de scheiding van de ziel van het lichaam, minder belangrijk, en bovendien
tijdelijk. Wie in Mij gelooft -zegt de Heer- zal leven, ook al is hij gestorven, en ieder die leeft in geloof
aan Mij, zal in eeuwigheid niet sterven.10
«In Christus heeft de dood haar macht verloren, is haar angel uitgerukt, de
dood is verslagen. Die waarheid van ons geloof kan paradoxaal lijken, wanneer
wij in onze omgeving nog steeds zien dat mensen getroffen worden door de
zekerheid van de dood, door folterende pijn. Zeker, pijn en dood brengen de menselijke
geest in verwarring en zij blijven een raadsel voor hen die niet in God
geloven, maar door het geloof weten wij, dat zij overwonnen zullen worden, dat
de overwinning al behaald is door dood en verrijzenis van Jezus Christus, onze
Verlosser.»11
Het materialisme tracht, in al haar verschijningsvormen in de
loop der tijden, door het ontkennen van het voortbestaan van de ziel na de
dood, het eeuwigheidsverlangen te sussen dat God in het mensenhart heeft ingestort.
Het heeft de gewetens zoet gehouden met de troost van een voortbestaan in de
werken die men nalaat, en in de herinnering en genegenheid van hen die nog in
deze wereld leven. Het is goed dat de mensen die na ons komen, zich ons
herinneren, maar de Heer leert ons meer: Weest niet
bevreesd voor hen die wel het lichaam kunnen doden maar niet de ziel; vreest
veeleer Hem die en ziel en lichaam in het verderf kan storten in de hel.12 Dat is het heilige ontzag voor God dat ons bij
gelegenheid zo veel kan helpen ons verre te houden van de zonde.
Voor elk schepsel is de dood een hachelijke overgang, maar na
de verlossing die door Christus bewerkstelligd is, heeft het moment van de dood
een volledig andere betekenis. Het is niet alleen de zware schatting die iedere
mens moet betalen voor de zonde, als terechte straf voor de schuld: het is
vooral het toppunt van onze overgave in de handen van onze Verlosser, de
overgang van deze wereld naar de Vader13; de doortocht
naar een nieuw leven van eeuwig geluk. Als wij aan Christus trouw zijn, zullen
wij met de psalmist kunnen zeggen: Moest ik gaan door het
dal van de schaduw des doods, kwaad zou ik niet vrezen. Want naast mij gaat Gij.14 Deze hemelse rust en dit optimisme tegenover het
laatste ogenblik komen voort uit de stellige hoop op Jezus Christus; Hij wilde
immers de menselijke natuur volledig aannemen met alle zwakheden van dien, met
uitzondering van de zonde15, om door zijn dood de vorst van de dood, de duivel, te onttronen, en hen te
bevrijden die door de vrees voor de dood heel hun leven aan onvrijheid
onderworpen waren.16 Daarom onderricht de
heilige Augustinus, dat «onze erfenis bestaat in de dood van Christus».17 Door deze dood kunnen wij het Leven verwerven.
De onzekerheid van ons einde moet ons ertoe aanzetten te vertrouwen
op Gods barmhartigheid en heel trouw te zijn aan de ontvangen roeping, door ons
leven te besteden in dienst aan God en aan de Kerk op de plaats waar wij zijn.
Wij moeten altijd, en in het bijzonder wanneer het laatste ogenblik komt, voor
ogen houden dat de Heer een goede Vader is, vol tederheid voor zijn kinderen.
Onze Vader God zal ons welkom heten. Christus zegt ons dan ook: kom, gezegende van mijn Vader...
De vriendschap met Jezus Christus, de christelijke betekenis
van het leven, het besef dat wij kinderen van God zijn, dit alles zal ons in
staat stellen de dood in alle rust tegemoet te zien en te aanvaarden: het zal
de ontmoeting zijn van een kind met zijn Vader, die hij zijn hele leven heeft
trachten te dienen. Moest ik gaan door het dal van de
schaduw des doods, kwaad zou ik niet vrezen. Want naast mij gaat Gij.
3.3 De Kerk beveelt het mediteren
over de uitersten aan, in de overweging ervan kunnen wij immers veel vruchten
oogsten. Het denken over de kortheid van het leven moet ons niet afhouden van
de dingen die God ons in handen heeft gegeven: gezin, familie, werk,
liefhebberijen... Het helpt ons onthecht te zijn van de stoffelijke goederen,
deze de plaats te geven waar ze thuishoren, en de aardse werkelijkheid, waarmee
wij de hemel moeten verdienen, te heiligen. Als een vriend, een familielid, een
geliefd persoon sterft, kan dat, onder meer, een geschikt moment zijn om deze
onvermijdelijke waarheden in ogenschouw te nemen.
De Heer zal zich misschien aandienen, wanneer wij daar het
minst op bedacht zijn: Hij zal komen als een dief in de nacht18, en moet ons bereid, waakzaam, los van het aardse
aantreffen. Zich vastklampen aan de zaken hier beneden, wanneer we die al weer
zo snel moeten achterlaten, zou een blunder van de eerste orde zijn. Wij moeten
met beide benen op de grond staan; wij bevinden ons midden in de wereld, en
onze roeping als christen leidt ons daarheen, maar zonder te vergeten, dat wij
reizigers zijn, op weg naar Christus en zijn rijk, dat het uiteindelijke rijk
zal zijn. Wij moeten alle dagen leven in het bewustzijn dat wij pelgrims zijn
die -in allerijl- onderweg zijn naar hun ontmoeting met God. Elke morgen doen
wij weer een stap nader tot Hem, elke avond treft ons dichterbij aan. Daarom
moeten wij leven, alsof de Heer ons het volgend ogenblik zou kunnen roepen. De
onzekerheid omtrent het eind van ons aardse leven, waarin de Heer ons laat
verkeren, helpt ons elke dag te leven alsof het de laatste was, altijd paraat
en bereid om te verhuizen.19 Hoe dan ook, die
dag «kan niet ver meer zijn»20, elke dag kan de
laatste zijn. Vandaag sterven er duizenden in de meest verschillende
omstandigheden. Velen zullen zich mogelijkerwijs nooit voorgesteld hebben, dat
zij nu al geen tijd meer zouden hebben om verdiensten te verwerven.
Al onze dagen zijn een blanco vel waarop wij wonderen kunnen
schrijven, of dat wij kunnen vullen met vergissingen en vlekken. En wij weten
niet hoeveel bladzijden er nog resten om het boek af te maken, dat de Heer eens
zal inzien.
De vriendschap met Jezus Christus, de liefde tot onze moeder
Maria, de christelijke zin die we aan al ons doen en laten hebben gegeven,
zullen ons in staat stellen onze uiteindelijke ontmoeting met God met een
gerust hart tegemoet te zien. De heilige Jozef, patroon van de zalige dood, die
aan zijn zijde het zoete gezelschap van Jezus en Maria had in het uur van zijn
overgang uit deze wereld, zal ons leren dag na dag ons voor te bereiden op deze
onzegbare ontmoeting met God onze Vader.
De heilige Paulus neemt afscheid van de eerste christenen van
Korinte met die troostrijke woorden waarmee de tweede lezing van de mis van
vandaag besluit. Wij kunnen ze beschouwen, alsof ze tot ieder van ons in het
bijzonder gericht zijn: Daarom, geliefde broeders, weest
standvastig en onwankelbaar, en gaat altijd voort met het werk des Heren; gij
weet toch dat uw inspanning, dank zij Hem, niet vergeefs is. Onze Moeder
-bij het einde van ons gebed nemen wij onze toevlucht tot de allerheiligste
Maagd- zal voor ons van haar Zoon de genade verkrijgen altijd en in alles het
doel van de hemel voor ogen te hebben: te werken met inspanning, met de blik
gericht op de eeuwigheid: Heilige Maria, Moeder van God,
bid voor ons zondaars, nu en in het uur van onze dood. Amen.
-1. 1 Kor 15,54-58. -2. Rom 6,23. -3. Wijsh 1,13. -4. H. Hiëronymus, Brief 39,3. -5. Lc 12,20. -6. Apok 14,13. -7. Joh 9,4. -8. Vgl.
Gal
4,7 -9. Apok 1,18. -10. Joh 11,25-26. -11. Johannes Paulus ii, Homilie, 16
februari 1981. -12. Mt 10,28. -13. Vgl. Joh 13,1. -14. Ps 23,5. -15.
Vgl. Heb 4,15. -16. Heb
2,14-15. -17. H. Augustinus, Brief
4, 94. -18. 1 Tes 5,2. -19. Vgl. H. Jozefmaria Escrivá, De Weg, 744. -20. H. Hiëronymus, Brief 60,
14.
|