De Boog
... voor eenheid in geloof en leven

ZOEK   EEN BOEK  
 
e-mailadres: 
Klant:   
Registreer Klantnummer vergeten?
Kort Bestek
Andere pockets
Arco Reeks
Van Jozefmaria Escriva
Spreken met God
Over Jozefmaria Escriva
Voor kinderen
Jade Reeks
Theologie Atrium
Theologie andere boeken
DVD
Navarre bible NT
Navarre bible OT
Gezin
Medische Ethiek

Francisco en Jacinta van Fatima
Over 2 Portugese kinderen aan wie Onze Lieve Vrouw in 1917 in Fatima verscheen. Meer ...

Home >  De parabel van de zaaier

Vijftiende zondag door het jaar (A)

1. De parabel van de Zaaier

-Het zaad en de weg. Gebrek aan innerlijke bezinning verhindert vereniging met God. -De rotsachtige grond en de doornen. De noodzaak van offer en onthechting in het bovennatuurlijke leven. -Instemming met de genade. Vruchten voortbrengen.

1.1 De heilige Matteüs vertelt ons in het evangelie van vandaag dat Jezus aan de oever van het meer zat en dat er zo'n grote menigte rondom Hem samenkwam om Zijn woorden te horen, dat Hij in een boot moest stappen zodat zij vanaf de kant naar Hem konden luisteren. Nu in een kleine vissersboot gezeten, begon Hij hen te onderrichten: Een zaaier ging uit om te zaaien. En het zaad waarover Hij sprak viel op zeer verschillende soorten grond.

In Galilea, waar het land zeer oneffen en heuvelachtig was, waren het alleen de smalle stroken grond in de dalen en die aan de oevers van de rivier grensden, die met zaad werden bestrooid. Getrouw noteert de parabel voor ons de landbouwkundige toestand van die bepaalde streek. De zaaier wierp zijn zaad breed uit, daarom zou er wat van op de weg vallen. Het zaad dat op die wegen viel zou snel door vogels worden opgegeten of platgetrapt onder de voeten van voorbijgangers. Het detail van de rotsgrond, wellicht slechts door een dunne laag aarde bedekt, kwam ook overeen met de werkelijkheid. Wegens het gebrek aan diepte van de grond, schiet het zaad sneller op, om alleen maar even snel door de hitte te verdrogen, daar het geen diepe wortel heeft.

De aarde waarop het goede zaad valt is de hele wereld; het vertegenwoordigt elke individuele persoon. Ook wij zijn aarde voor het goddelijke zaad. Zelfs ofschoon het zaaien met grote liefde wordt gedaan -het is God die Zichzelf in onze zielen uitstort- hangen de resultaten grotendeels af van de toestand van de aarde waarop het valt. De woorden van Christus spreken ons nadrukkelijk over de verantwoordelijkheid die de mens heeft om zich voor te bereiden de genade van God te ontvangen en eraan te beantwoorden.

Een gedeelte viel op de weg en de vogels kwamen het opeten. Zo dikwijls iemand het woord van het Koninkrijk wel hoort maar niet begrijpt, komt de boze en rooft weg wat gezaaid ligt in zijn hart. De weg is aarde die zo is platgelopen dat ze hard geworden is. Die samengeperste stukken grond zijn losgeslagen, lege zielen, alleen bereid uiterlijke dingen te aanvaarden. Zulke zielen zijn niet in staat hun gedachten bijeen te brengen en hun zintuigen te bewaken. Zij hebben geen orde in hun genegenheden en zijn niet bijzonder op hun hoede voor hun gevoelens, zodat zij herhaaldelijk in hun verbeelding bezig zijn met gedachten zonder waarde. Deze zielen, met hun gezicht altijd van God afgekeerd, zijn als grond die nooit is bewerkt of ontgonnen. Hun harten zijn verhard, zoals die voortdurend belopen wegen. Zij horen Gods woord, maar de duivel rooft het gemakkelijk van hen weg. «Hij zit nooit stil. Hij is juist altijd wakker en staat voortdurend klaar om de gift die jij niet gebruikt, weg te grissen.»2

Wij moeten de Heer om sterkte vragen opdat wij nooit worden zoals «de weg waarop het zaad viel: onoplettend, lauw en vol spot.»3 Verwaarlozing en lauwheid zijn uitingen van een gebrek aan wroeging en berouw, en van onze mislukking vastberaden te vechten tegen dagelijkse zonden. De eerste maal dat de goddelijke Zaaier zijn zaad op de aarde van onze ziel uitstrooide, was bij het doopsel. Hoe vaak heeft Hij sindsdien ons een overvloed van Zijn genade gegeven! Hoe dikwijls is Hij dicht bij ons voorbij gegaan, ons helpend, bemoedigend en vergevend! Op dit ogenblik, in de intimiteit van ons gebed, kunnen we zachtjes tegen Hem zeggen: «O Jezus, ik zie hoe ik geweest ben -arme ik- en toch hebt Gij gedaan wat Ge gedaan hebt..., als ik daaraan beantwoord had, wat zou Gij dan gedaan hebben?

»Die waarheid moet jou tot een onvoorwaardelijke grootmoedigheid brengen. Ween, rouw om jezelf met pijn en liefde, want de Heer en zijn gezegende Moeder verdienen van jouw kant een ander optreden.»4

1.2 Een ander gedeelte viel op de rotsachtige plekken, waar het niet veel aarde had; het schoot snel op omdat het in ondiepe grond lag; maar toen de zon was opgekomen kreeg het te lijden van de hitte zodat het verdorde bij gebrek aan wortel. Deze steenachtige grond vertegenwoordigt oppervlakkige zielen met weinig innerlijke diepte, zielen die onbestendig zijn en onbekwaam om door te zetten. Zij hebben een goede aard; zij ontvangen de genade zelfs met vreugde, maar wanneer zij moeilijkheden het hoofd moeten bieden, haken zij af. Zij zijn niet in staat om zich op te offeren om de voornemens ten uitvoer te brengen die zij hebben gemaakt, zodat deze verloren gaan zonder vrucht te dragen.

De heilige Theresia zei dat er mensen zijn die, nadat zij de eerste vijanden van het innerlijk leven hebben overwonnen, «ophouden ook maar enige inspanning te doen; zij verliezen de moed» en geven de strijd op «als zij slechts een paar stappen van de bron van het leven verwijderd zijn -het water waarover de Heer de Samaritaanse vrouw vertelde dat wie ook ervan dronk nooit dorst zou hebben.»5 Wij moeten de Heer om standvastigheid vragen in onze voornemens en om een geest van offer, zodat wij niet opgeven bij moeilijkheden, die zeker zullen komen. Wij moeten telkens weer opnieuw beginnen, met een heilige koppigheid, en we moeten ons altijd inspannen de heiligheid te bereiken waartoe Jezus ons oproept en waarvoor Hij ons alle genade geeft die wij nodig hebben. De heilige Johannes van het Kruis leerde dat «de ziel die God echt liefheeft nooit vadsigheid toelaat, want die verhindert haar alles te doen om de Zoon van God, haar Geliefde, te vinden. En nadat zij alles heeft gedaan wat ze kon, zal zij nog niet tevreden zijn en wat zij gedaan heeft als 'niets' beschouwen.»6

Weer een ander gedeelte viel onder de distels en deze schoten op, zodat het verstikte... Die gezaaid werd tussen distels is hij die het woord wel hoort, maar dit wordt door de zorgen van de wereld en de begoocheling van de rijkdom verstikt en zo blijft het zonder vrucht.

Verlangen naar rijkdom, een wanordelijk streven naar invloed of macht en een overdreven zorg voor welzijn en een gemakkelijke levenswijze zijn als scherpe doornen die elke eenheid met God verhinderen. De zielen van mensen die alleen die dingen zoeken, zijn zielen ondergedompeld in materiële zaken, gehuld in een «eindeloze gierigheid die ons ertoe drijft alleen maar waarde te hechten aan wat tastbaar is; onze ogen blijven als het ware aan de aardse dingen kleven en zijn daarom niet in staat de bovennatuurlijke werkelijkheid te ontdekken.»7 Zij zijn als het ware blind voor alles wat werkelijk van belang is.

Als ons hart gehecht raakt aan geld, invloed of lof; als wij ons hart richten op het nieuwste comfort; als wij toegeven aan onze grillen en zoveel volkomen onbelangrijke dingen najagen, dan laten wij toe dat zich een ernstige belemmering voor de liefde van God in ons hart nestelt. Voor ieder die bezeten is van het verlangen naar almaar meer bezit en die voortdurend het aangenaamste zoekt, is het moeilijk om niet in zonde te vallen. In verband hiermee merkt de heilige Johannes van het Kruis op: «Daarom noemt de Heer ze in het evangelie 'doornen', opdat wij zouden begrijpen dat ieder die koestert zulke dingen, door een of andere zonde zal worden verwond.»8

De heilige Paulus leert dat een ieder die zijn zinnen op aardse dingen zet alsof zij het volmaakt goede waren, een soort van afgodendienst pleegt.9 Deze wanorde in de ziel leidt dikwijls tot een gebrek aan versterving en tot zinnelijkheid, zodat we geen oog meer hebben voor het bovennatuurlijke. Die woorden van Jezus worden altijd vervuld: want waar uw schat is zal ook uw hart zijn.10 Zonder enige twijfel zal in die slechte grond het zaad van de genade zeker verstikken.

1.3 Wat op goede grond werd gezaaid, is van wie het woord hoort en het begrijpt; inderdaad brengt hij vruchten voort, in één geval honderdvoudig, in een ander zestigvoudig en in nog een ander dertigvoudig.

God hoopt dat wij goede grond zullen zijn die zijn genade zal ontvangen en vrucht zal dragen. Hoe groter onze edelmoedigheid ten opzichte van God, hoe beter en overvloediger de vruchten zullen zijn die wij voortbrengen. De heilige Johannes Chrysostomus merkt op: «Het enige wat van belang is, is dat wij geen platgetreden weg zijn, of rotsachtige bodem of doornen, maar dat wij goede grond zijn. Onze harten moeten niet dat pad zijn waarop de vijand, net als de vogels, het door de voorbijgangers vertrapte zaad weggrist. Onze harten moeten ook niet de rotsachtige bodem zijn, waarop het zaad vanwege de ondiepe bodem meteen begint te ontkiemen en zodoende door de zon wordt verschroeid. Onze harten moeten geen distelbed zijn van menselijke hartstochten, gewurgd door de zorgen van deze wereld.»11

Alle mensen, hoe hun leven in het verleden ook geweest mag zijn, zijn in staat om grond te worden dat bereid is Gods genade te ontvangen. God stort Zichzelf in onze zielen uit, afhankelijk van de ontvangst die Hem daar geboden wordt.

God geeft ons zoveel genade omdat Hij iedereen van ons vertrouwt; er is geen grond die te ondoordringbaar is of te onontgonnen voor Hem, zolang het bereid is te veranderen en aan Hem gehoor te geven. Elke ziel kan rijke weidegrond worden, ofschoon het voordien niets anders was als woestijn, omdat Gods genade ons nooit in de steek laat, en zijn zorg groter is dan van de meest bekwame landman. Als de genade eenmaal is verleend, hangen de resultaten alleen van de mens af, die vrij is in te stemmen of niet. «De bodem is goed, de zaaier is dezelfde en ook het zaad is hetzelfde, in elk van de gevallen. Maar hoe komt het dan toch, dat het ene honderdvoudige, het ander zestigvoudige en weer een ander dertigvoudige vrucht geeft? Het is duidelijk dat dit verschil afhangt van degene die het ontvangt, want zelfs als de bodem goed is, bestaat er een groot verschil tussen de ene en de andere lap grond. U kunt zien dat noch de zaaier noch het zaad de schuld gegeven kan worden, maar alleen de bodem waarop gezaaid werd. Dat is niet het gevolg van de natuur, maar van de gesteldheid van de wil.»12

Laat ons in ons gebed van vandaag overwegen of wij beantwoorden aan de genade die God ons geeft, en of wij het bijzonder gewetensonderzoek toepassen op die schadelijke wortels in onze ziel die de groei van het goede zaad verhinderen. Raken wij het giftige onkruid kwijt door regelmatig biechten? Proberen wij het aantal akten van berouw, die onze ziel zo goed voorbereiden om Gods ingevingen te ontvangen, te vermeerderen? «Wij kunnen niet tevreden zijn met wat wij doen in onze dienst aan God, zoals een kunstenaar zich niet voldaan voelt over het schilderij of het beeld dat uit zijn handen te voorschijn is gekomen. Iedereen zegt: het is prachtig. De kunstenaar zelf denkt: nee, nog niet, ik zou meer willen. Dat moet ook onze reactie zijn. Bovendien geeft de Heer ons veel, Hij heeft het recht op ons meest volledige antwoord..., en je moet met Hem gelijke tred houden.»13

-1. Mt 13,1-23. -2. Kard. J.H. Newman, Homilie voor de zondag van Sexagesima, Calls of grace. -3. H. Johannes Chrysostomus, Homilieën over Matteüs, 44,3. -4. H. Jozefmaria Escrivá, De Smidse, 388. -5. H. Theresia van Ávila, De Weg van Volmaaktheid, 19,2. -6. H. Johannes van het Kruis, Geestelijk Hooglied, 3,1. -7. H. Jozefmaria Escrivá, Als Christus nu langs komt, 6. -8. H. Johannes van het Kruis, Bestijging van de berg Karmel, 3,18,1. -9. Vgl. Kol 3,5. -10. Lc 12,34. -11. H. Johannes Chrysostomus, Sermo 101, 3. -12. H. Johannes Chrysostomus, o.c. -13. H. Jozefmaria Escrivá, De Smidse, 385.






Nieuwsbrief & e-Book

naam:
e-mail adres:
Meer info ...

Betaal Informatie

iDeal

Klanten service

Bestellen
Per e-mail
Tel. (035) 694 63 50

Adres

Bezoek- en verkoopadres:
Stichting Leesgoed, Keizersgracht 218-B, Amsterdam
Dinsdag t/m donderdag van 10:30 tot 13:15 uur.
Zondag van 12:15 tot 13:15 uur