Vijftiende zondag door het jaar (A)
1. De parabel van de Zaaier
-Het zaad en de weg. Gebrek aan innerlijke bezinning
verhindert vereniging met God. -De rotsachtige grond en de doornen. De noodzaak
van offer en onthechting in het bovennatuurlijke leven. -Instemming met de
genade. Vruchten voortbrengen.
1.1 De heilige Matteüs vertelt
ons in het evangelie van vandaag dat Jezus aan de oever van het meer zat en dat
er zo'n grote menigte rondom Hem samenkwam om Zijn woorden te horen, dat Hij in
een boot moest stappen zodat zij vanaf de kant naar Hem konden luisteren. Nu in
een kleine vissersboot gezeten, begon Hij hen te onderrichten: Een zaaier ging uit om te
zaaien. En het zaad waarover Hij sprak viel op zeer
verschillende soorten grond.
In Galilea, waar het land zeer oneffen en heuvelachtig was,
waren het alleen de smalle stroken grond in de dalen en die aan de oevers van
de rivier grensden, die met zaad werden bestrooid. Getrouw noteert de parabel
voor ons de landbouwkundige toestand van die bepaalde streek. De zaaier wierp
zijn zaad breed uit, daarom zou er wat van op de weg vallen. Het zaad dat op
die wegen viel zou snel door vogels worden opgegeten of platgetrapt onder de
voeten van voorbijgangers. Het detail van de rotsgrond, wellicht slechts door
een dunne laag aarde bedekt, kwam ook overeen met de werkelijkheid. Wegens het
gebrek aan diepte van de grond, schiet het zaad sneller op, om alleen maar even
snel door de hitte te verdrogen, daar het geen diepe wortel heeft.
De aarde waarop het goede zaad valt is de hele wereld; het
vertegenwoordigt elke individuele persoon. Ook wij zijn aarde voor het
goddelijke zaad. Zelfs ofschoon het zaaien met grote liefde wordt gedaan -het
is God die Zichzelf in onze zielen uitstort- hangen de resultaten grotendeels
af van de toestand van de aarde waarop het valt. De woorden van Christus
spreken ons nadrukkelijk over de verantwoordelijkheid die de mens heeft om zich
voor te bereiden de genade van God te ontvangen en eraan te beantwoorden.
Een
gedeelte viel op de weg en de vogels kwamen het opeten. Zo dikwijls iemand het
woord van het Koninkrijk wel hoort maar niet begrijpt, komt de boze en rooft
weg wat gezaaid ligt in zijn hart. De weg is aarde die zo is
platgelopen dat ze hard geworden is. Die samengeperste stukken grond zijn
losgeslagen, lege zielen, alleen bereid uiterlijke dingen te aanvaarden. Zulke
zielen zijn niet in staat hun gedachten bijeen te brengen en hun zintuigen te
bewaken. Zij hebben geen orde in hun genegenheden en zijn niet bijzonder op hun
hoede voor hun gevoelens, zodat zij herhaaldelijk in hun verbeelding bezig zijn
met gedachten zonder waarde. Deze zielen, met hun gezicht altijd van God
afgekeerd, zijn als grond die nooit is bewerkt of ontgonnen. Hun harten zijn
verhard, zoals die voortdurend belopen wegen. Zij horen Gods woord, maar de
duivel rooft het gemakkelijk van hen weg. «Hij zit nooit stil. Hij is juist
altijd wakker en staat voortdurend klaar om de gift die jij niet gebruikt, weg
te grissen.»2
Wij moeten de Heer om sterkte vragen opdat wij nooit worden
zoals «de weg waarop het zaad viel: onoplettend, lauw en vol spot.»3 Verwaarlozing en lauwheid zijn uitingen van een
gebrek aan wroeging en berouw, en van onze mislukking vastberaden te vechten
tegen dagelijkse zonden. De eerste maal dat de goddelijke Zaaier zijn zaad op
de aarde van onze ziel uitstrooide, was bij het doopsel. Hoe vaak heeft Hij
sindsdien ons een overvloed van Zijn genade gegeven! Hoe dikwijls is Hij dicht
bij ons voorbij gegaan, ons helpend, bemoedigend en vergevend! Op dit ogenblik,
in de intimiteit van ons gebed, kunnen we zachtjes tegen Hem zeggen: «O Jezus,
ik zie hoe ik geweest ben -arme ik- en toch hebt Gij gedaan wat Ge gedaan
hebt..., als ik daaraan beantwoord had, wat zou Gij dan gedaan hebben?
»Die waarheid moet jou tot een onvoorwaardelijke
grootmoedigheid brengen. Ween, rouw om jezelf met pijn en liefde, want de Heer en
zijn gezegende Moeder verdienen van jouw kant een ander optreden.»4
1.2 Een ander
gedeelte viel op de rotsachtige plekken, waar het niet veel aarde had; het
schoot snel op omdat het in ondiepe grond lag; maar toen de zon was opgekomen
kreeg het te lijden van de hitte zodat het verdorde bij gebrek aan wortel. Deze steenachtige grond vertegenwoordigt oppervlakkige zielen met
weinig innerlijke diepte, zielen die onbestendig zijn en onbekwaam om door te
zetten. Zij hebben een goede aard; zij ontvangen de genade zelfs met vreugde,
maar wanneer zij moeilijkheden het hoofd moeten bieden, haken zij af. Zij zijn
niet in staat om zich op te offeren om de voornemens ten uitvoer te brengen die
zij hebben gemaakt, zodat deze verloren gaan zonder vrucht te dragen.
De heilige Theresia zei dat er mensen zijn die, nadat zij de
eerste vijanden van het innerlijk leven hebben overwonnen, «ophouden ook maar
enige inspanning te doen; zij verliezen de moed» en geven de strijd op «als zij slechts een
paar stappen van de bron van het leven verwijderd zijn -het water waarover de
Heer de Samaritaanse vrouw vertelde dat wie ook ervan dronk nooit dorst zou
hebben.»5 Wij moeten de Heer om standvastigheid
vragen in onze voornemens en om een geest van offer, zodat wij niet opgeven bij
moeilijkheden, die zeker zullen komen. Wij moeten telkens weer opnieuw beginnen,
met een heilige koppigheid, en we moeten ons altijd inspannen de heiligheid te
bereiken waartoe Jezus ons oproept en waarvoor Hij ons alle genade geeft die
wij nodig hebben. De heilige Johannes van het Kruis leerde dat «de ziel die God
echt liefheeft nooit vadsigheid toelaat, want die verhindert haar alles te doen
om de Zoon van God, haar Geliefde, te vinden. En nadat zij alles heeft gedaan
wat ze kon, zal zij nog niet tevreden zijn en wat zij gedaan heeft als 'niets'
beschouwen.»6
Weer een
ander gedeelte viel onder de distels en deze schoten op, zodat het verstikte...
Die gezaaid werd tussen distels is hij die het woord wel hoort, maar dit wordt
door de zorgen van de wereld en de begoocheling van de rijkdom verstikt en zo
blijft het zonder vrucht.
Verlangen naar rijkdom, een wanordelijk streven naar invloed
of macht en een overdreven zorg voor welzijn en een gemakkelijke levenswijze
zijn als scherpe doornen die elke eenheid met God verhinderen. De zielen van
mensen die alleen die dingen zoeken, zijn zielen ondergedompeld in materiële
zaken, gehuld in een «eindeloze gierigheid die ons ertoe drijft alleen maar
waarde te hechten aan wat tastbaar is; onze ogen blijven als het ware aan de
aardse dingen kleven en zijn daarom niet in staat de bovennatuurlijke
werkelijkheid te ontdekken.»7 Zij zijn als het
ware blind voor alles wat werkelijk van belang is.
Als ons hart gehecht raakt aan geld, invloed of lof; als wij
ons hart richten op het nieuwste comfort; als wij toegeven aan onze grillen en
zoveel volkomen onbelangrijke dingen najagen, dan laten wij toe dat zich een ernstige
belemmering voor de liefde van God in ons hart nestelt. Voor ieder die bezeten
is van het verlangen naar almaar meer bezit en die voortdurend het aangenaamste
zoekt, is het moeilijk om niet in zonde te vallen. In verband hiermee merkt de
heilige Johannes van het Kruis op: «Daarom noemt de Heer ze in het evangelie
'doornen', opdat wij zouden begrijpen dat ieder die koestert zulke dingen, door
een of andere zonde zal worden verwond.»8
De heilige Paulus leert dat een ieder die zijn zinnen op
aardse dingen zet alsof zij het volmaakt goede waren, een soort van
afgodendienst pleegt.9 Deze wanorde in de ziel
leidt dikwijls tot een gebrek aan versterving en tot zinnelijkheid, zodat we
geen oog meer hebben voor het bovennatuurlijke. Die woorden van Jezus worden
altijd vervuld: want waar
uw schat is zal ook uw hart zijn.10
Zonder enige twijfel zal in die slechte grond het zaad van de genade zeker
verstikken.
1.3 Wat op goede grond werd gezaaid, is van wie het woord hoort en het
begrijpt; inderdaad brengt hij vruchten voort, in één geval honderdvoudig, in
een ander zestigvoudig en in nog een ander dertigvoudig.
God hoopt dat wij goede grond zullen zijn die zijn genade zal
ontvangen en vrucht zal dragen. Hoe groter onze edelmoedigheid ten opzichte van
God, hoe beter en overvloediger de vruchten zullen zijn die wij voortbrengen.
De heilige Johannes Chrysostomus merkt op: «Het enige wat van belang is, is dat
wij geen platgetreden weg zijn, of rotsachtige bodem of doornen, maar dat wij
goede grond zijn. Onze harten moeten niet dat pad zijn waarop de vijand, net
als de vogels, het door de voorbijgangers vertrapte zaad weggrist. Onze harten moeten
ook niet de rotsachtige bodem zijn, waarop het zaad vanwege de ondiepe bodem
meteen begint te ontkiemen en zodoende door de zon wordt verschroeid. Onze
harten moeten geen distelbed zijn van menselijke hartstochten, gewurgd door de
zorgen van deze wereld.»11
Alle mensen, hoe hun leven in het verleden ook geweest mag
zijn, zijn in staat om grond te worden dat bereid is Gods genade te ontvangen.
God stort Zichzelf in onze zielen uit, afhankelijk van de ontvangst die Hem
daar geboden wordt.
God geeft ons zoveel genade omdat Hij iedereen van ons
vertrouwt; er is geen grond die te ondoordringbaar is of te onontgonnen voor
Hem, zolang het bereid is te veranderen en aan Hem gehoor te geven. Elke ziel
kan rijke weidegrond worden, ofschoon het voordien niets anders was als
woestijn, omdat Gods genade ons nooit in de steek laat, en zijn zorg groter is
dan van de meest bekwame landman. Als de genade eenmaal is verleend, hangen de
resultaten alleen van de mens af, die vrij is in te stemmen of niet. «De bodem
is goed, de zaaier is dezelfde en ook het zaad is hetzelfde, in elk van de
gevallen. Maar hoe komt het dan toch, dat het ene honderdvoudige, het ander
zestigvoudige en weer een ander dertigvoudige vrucht geeft? Het is duidelijk
dat dit verschil afhangt van degene die het ontvangt, want zelfs als de bodem
goed is, bestaat er een groot verschil tussen de ene en de andere lap grond. U
kunt zien dat noch de zaaier noch het zaad de schuld gegeven kan worden, maar
alleen de bodem waarop gezaaid werd. Dat is niet het gevolg van de natuur, maar
van de gesteldheid van de wil.»12
Laat ons in ons gebed van vandaag overwegen of wij
beantwoorden aan de genade die God ons geeft, en of wij het bijzonder
gewetensonderzoek toepassen op die schadelijke wortels in onze ziel die de groei
van het goede zaad verhinderen. Raken wij het giftige onkruid kwijt door
regelmatig biechten? Proberen wij het aantal akten van berouw, die onze ziel zo
goed voorbereiden om Gods ingevingen te ontvangen, te vermeerderen? «Wij kunnen
niet tevreden zijn met wat wij doen in onze dienst aan God, zoals een
kunstenaar zich niet voldaan voelt over het schilderij of het beeld dat uit
zijn handen te voorschijn is gekomen. Iedereen zegt: het is prachtig. De
kunstenaar zelf denkt: nee, nog niet, ik zou meer willen. Dat moet ook onze
reactie zijn. Bovendien geeft de Heer ons veel, Hij heeft het recht op ons
meest volledige antwoord..., en je moet met Hem gelijke tred houden.»13
-1. Mt
13,1-23. -2. Kard. J.H.
Newman, Homilie
voor de zondag van Sexagesima, Calls of grace. -3. H. Johannes Chrysostomus, Homilieën over Matteüs, 44,3. -4. H. Jozefmaria Escrivá,
De Smidse, 388.
-5. H. Theresia van Ávila, De Weg van Volmaaktheid,
19,2. -6. H. Johannes van het Kruis, Geestelijk Hooglied,
3,1. -7. H. Jozefmaria Escrivá, Als Christus nu langs komt,
6. -8. H. Johannes van het Kruis, Bestijging van de berg Karmel,
3,18,1. -9. Vgl. Kol
3,5. -10. Lc
12,34. -11. H. Johannes Chrysostomus,
Sermo 101, 3. -12. H. Johannes Chrysostomus, o.c. -13. H.
Jozefmaria Escrivá, De Smidse, 385.
|