Eenentwintigste zondag door het jaar (A)
55. De paus, fundament van de eenheid
-Jezus belooft dat Petrus de rots zal zijn waarop Hij de
Kerk zal bouwen. -Liefde voor de paus. -Waar Petrus is, daar is de Kerk, daar
is God. Luisteren naar het onderricht van de paus en het bekendmaken.
55.1 Het evangelie van vandaag1 toont ons
Jezus en zijn leerlingen in de buurt van Caesarea van Filippus. Ze waren daar
aangekomen nadat ze Betsaïda verlaten hadden en de noordelijke weg genomen
hadden langs de oever van het meer.2 Onderweg
vraagt Jezus aan de apostelen: Wie is, volgens de opvatting van de mensen, de Mensenzoon? Dan, nadat ze de diverse meningen die de mensen hebben, opgesomd
hebben, vraagt Jezus hun rechtstreeks: Maar gij, [...] wie zegt gij dat Ik ben? «We kennen allemaal dit moment -zegt Johannes Paulus ii- dat we bij het spreken over Jezus niet meer kunnen
volstaan met herhalen wat anderen gezegd hebben. Je moet zeggen wat je denkt,
en geen mening citeren. Je moet getuigenis afleggen, je gebonden voelen door
het getuigenis dat je afgelegd hebt en deze verbintenis dragen tot haar
uiterste consequenties. De beste vrienden, volgelingen en apostelen van
Christus zijn altijd diegenen geweest die op een dag in zich de definitieve,
onontkoombare vraag gehoord hebben, bij welke alle andere secundair en
ondergeschikt worden: 'Wie ben Ik voor jóu?'»3
Het leven van een persoon, zijn hele toekomst «hangt af van het duidelijke,
oprechte en ondubbelzinnige antwoord, zonder retoriek of uitvlucht, dat hij
geeft op deze vraag.»4
Deze vraag die Jezus stelt aan al zijn volgelingen vindt een
speciale weerklank in het hart van Petrus die, bewogen door een bijzondere
genade, antwoordt: Gij
zijt de Christus, de Zoon van de levende God. Jezus noemt Petrus
zalig vanwege zijn waarachtige antwoord, waarmee hij openlijk de goddelijkheid
belijdt van Hem in wiens gezelschap hij al een paar maanden heeft doorgebracht.
Dit is het moment dat door Christus gekozen is om Petrus te zeggen dat op hem
het primaat van de hele Kerk zal rusten. Op mijn beurt zeg Ik u: Gij zijt Petrus; en op deze
steenrots zal Ik mijn Kerk bouwen en de poorten der hel zullen haar niet
overweldigen. Ik zal u de sleutels geven van het Rijk der hemelen en wat gij
zult binden op aarde, zal ook in de hemel gebonden zijn en wat gij zult
ontbinden op aarde, zal ook in de hemel ontbonden zijn. Hij zal
de steenrots zijn, de vaste fundering waarop Christus zijn Kerk zal bouwen, op
zodanige wijze dat geen macht haar zal kunnen overweldigen. En de Heer zelf
heeft gewild dat Petrus zich iedere dag gesteund en beschermd voelt door de
verering, de liefde en het gebed van alle gelovigen. Hoe bidden we elke dag
voor de paus en zijn intenties? Hij heeft een ontzaglijke verantwoordelijkheid
en we kunnen hem niet alleen laten. Als we echt verenigd willen zijn met
Christus, moeten we op de eerste plaats verenigd zijn met de persoon die zijn
plaats inneemt hier op aarde. «Moge het dagelijks overwegen van de zware last
die drukt op de paus en de bisschoppen je aanzetten hen te eren, hen met echte
genegenheid te beminnen en hen te helpen met je gebed.»5
55.2 Ik zal u de sleutels geven van
het Rijk der hemelen en wat gij zult binden op aarde, zal ook in de hemel
gebonden zijn.
De sleutels beduiden macht: De sleutels van Davids huis leg ik hem op de
schouders, lezen we in de eerste lezing van vandaag6, en het heeft betrekking op Eljakim, de dienaar van
het koninklijk paleis. De macht die aan Petrus beloofd is, die aan hem verleend
zal worden na de verrijzenis7, is geweldig veel
groter dan deze. Hem worden niet de sleutels van een aards koninkrijk gegeven,
maar van het koninkrijk der hemelen, het koninkrijk dat niet van deze wereld is
maar dat hier gevoed wordt en voor altijd zal duren. Petrus heeft de macht om
te binden en te ontbinden, dat wil zeggen om te vergeven of te veroordelen, om
bijeen te brengen of uit te sluiten. Deze macht is zo groot dat wat hij beslist
op aarde, in de hemel bekrachtigd zal worden. Om ze uit te oefenen rekent hij
op de bijzondere hulp van de Heilige Geest.
Vanaf de eerste dag dat hij Jezus ontmoet had, zal hij voor
altijd bekend zijn als Kefas, Petrus, de rots. Op mijn beurt zeg Ik u: Gij zijt Petrus; en op deze
steenrots zal Ik mijn Kerk bouwen.8
Door zijn naam te veranderen wilde de Heer de nieuwe missie die Hij zijn
apostel Simon gegeven had, onderstrepen: de vaste fundering te zijn van het
nieuwe bouwwerk van de Kerk. De heilige Leo de Grote schrijft: «Het is alsof de
Heer tegen hem gezegd had: Ik ben de onbreekbare steen, Ik ben de hoeksteen,
[...] de fundering zonder welke niemand kan bouwen. Maar jij bent ook de
'rots', omdat je door mijn macht zo'n vastheid verkregen hebt dat jij, door
deelname, met Mij de macht deelt die Ik rechtens heb.»9
Vanaf het allereerste begin van het christendom hebben de
christenen de paus vereerd. De prins van de apostelen wordt overal genoemd vóór
de anderen10 en hij maakt regelmatig gebruik van
zijn bijzondere primaat en gezag over de overigen: hij stelt de verkiezing van
een nieuwe apostel voor om de plaats van Judas in te nemen11; hij spreekt met Pinksteren tot de massa en doet de
eerste bekeringen12; hij antwoordt aan het
Sanhedrin namens allen13; hij straft Ananias en
Safira met volledig gezag14; hij laat Cornelius,
de eerste niet-jood, toe in de Kerk15; en hij
zit het Concilie van Jeruzalem voor en verwerpt de pogingen van de joodse
christenen om de besnijdenis op te leggen aan de bekeerden uit het heidendom,
door vast te leggen dat redding alleen verkregen kan worden door geloof in
Christus.16
Deze grote geestelijke macht is Petrus gegeven voor het
welzijn van de Kerk, en daar de Kerk tot aan het einde der tijden moet duren,
is deze macht in de geschiedenis doorgegeven aan hen die de plaats van Petrus
innamen. Het leergezag van de Kerk heeft dit punt altijd onderstreept. In de
dogmatische constitutie over de Kerk van het Tweede Vaticaans Concilie lezen
we: «Deze heilige kerkvergadering, in de voetstappen tredend van het Eerste
Vaticaans Concilie en zich daarbij aansluitend, leert en verklaart dat Jezus
Christus, de eeuwige Herder [...], de heilige Petrus aan het hoofd van de
andere apostelen gesteld heeft en in hem het blijvend en zichtbaar beginsel en
fundament van de eenheid in geloof en gemeenschap heeft vastgelegd. Deze leer
nu over de instelling, de eeuwige duur, de macht en de aard van het gewijde
primaat van de paus van Rome en over zijn onfeilbaar leergezag, houdt de
heilige kerkvergadering nogmaals als vast te geloven aan alle gelovigen voor.»17 De bisschop van Rome, de paus, is de opvolger van
Petrus; verenigd met hem zijn we verenigd met Christus. Hij is zijn plaatsbekleder
hier op aarde, degene die zijn plaats vervangt.
Onze liefde voor de paus is niet slechts een natuurlijke
genegenheid, gefundeerd op zijn heiligheid, zijn innemendheid enz. Als wij op
reis gaan om de paus te zien, om te luisteren naar wat hij te zeggen heeft,
doen we dat om Petrus te zien, aan te raken en te horen, de plaatsvervanger van
Christus. Hij is, wie het ook mag zijn, , in de woorden van de heilige
Catharina van Siëna. «Bovendien dient je grootste liefde, je grootste achting,
je diepste verering, je meest toegewijde gehoorzaamheid, je grootste
genegenheid uit te gaan naar de Vice-Christus op aarde, naar de paus. -Wij
katholieken moeten bedenken, dat de heilige Vader in de hiërarchie van de
liefde en het gezag na God en onze Moeder de allerheiligste Maagd komt.»18
55.3 Een oude formule somt in een paar woorden heel de leer op over de paus
van Rome: «Ubi Petrus, ibi Ecclesia, ibi Deus»19.
Waar Petrus is, daar is de Kerk, daar is God. «De paus van Rome -zegt het
Tweede Vaticaans Concilie- als opvolger van Petrus, is het blijvend en
zichtbaar beginsel en fundament van de eenheid zowel van de bisschoppen als van
de menigte der gelovigen.»20 «En wat zou er
worden van deze eenheid als er niet een hoofd over de hele Kerk was, om haar te
zegenen en voor haar te zorgen en om al haar leden te verenigen in het belijden
van één geloof en hen samen te brengen in de band van naastenliefde en
eenheid?»21 De eenheid zou in duizend stukjes
verbrijzelen en we zouden ronddolen als verstrooide schapen, zonder een zeker
geloof waarin we konden geloven, zonder een duidelijk pad dat we konden volgen.
Wij willen bij Petrus zijn, omdat we met hem de Kerk hebben.
Met hem hebben we Christus; en zonder hem zullen we God niet vinden. En omdat
we van Christus houden, houden we van de paus -met dezelfde liefde. En
aangezien we attent zijn op Jezus, op zijn wensen, op zijn handelingen, op zijn
hele leven, zijn we op dezelfde wijze verenigd met de paus, zelfs in de
kleinste dingen: we beminnen hem boven alles omdat hij de Ene vertegenwoordigt,
van wie hij het instrument is. «Bemin en eer de paus, bid en doe verstervingen
-elke dag met meer verknochtheid- voor de Romeinse Opperherder, grondsteen van
de Kerk die onder alle mensen, in de loop der eeuwen en tot aan het eind der
tijden het heiligingswerk en de leiding voortzet welke Jezus aan Petrus toevertrouwde.»22
In de Handelingen van de Apostelen vinden we een duidelijk
bewijs van de liefde en de toewijding die de eerste christenen voor Petrus
hadden: Men bracht zelfs
de zieken op straat en legde ze neer op bedden en draagbaren in de hoop dat,
als Petrus voorbijging, ten minste zijn schaduw op een van hen zou vallen.23 Ze waren gelukkig als ze het moesten stellen met de
schaduw van Petrus. Ze wisten goed dat Christus heel dicht bij hem was! Zijn
woord schenkt ons de helderheid van de dag midden in de verwarde chaos van
meningen die, vandaag als in vroeger tijden, door zoveel valse profeten en
valse leraren verkondigd worden. Laten we honger hebben naar het onderricht van
de paus en het in onze omgeving bekend maken. Dat is het licht dat het geweten
van de mens verlicht. Laten we het voornemen maken om zijn woord met innerlijke
volgzaamheid en gehoorzaamheid, met liefde te ontvangen.24
-1. Mt
16,13-20. -2. Vgl. Mc
8,27; Lc
9,18. -3. Johannes Paulus ii, Homilie te Belo Horizonte,
1 juli 1980. -4. Ibidem. -5.
H. Jozefmaria Escrivá, De Smidse, 136.
-6. Jes
22,19-23. -7. Vgl. Joh
21,15-18. -8. Mt
16,18; vgl. Joh
1,42. - 9. H. Leo de Grote, Sermo 4. -10. Mt 10,2 e.v.; Hnd 1,13. -11. Hnd 1,15-22. -12. Hnd 2,14-36. -13. Hnd 4,8 e.v. -14. Hnd 5,1 e.v. -15. Hnd 10,1 e.v. -16.
Hnd 15,7-10.
-17. Vaticanum ii, Dogm. const. Lumen Gentium, 18.
-18. H. Jozefmaria Escrivá, De Smidse, 135.
-19. H. Ambrosius, Commentaar op Psalm 12,
40,30. -20. Vaticanum ii, Dogm. const. Lumen Gentium, 23.
-21. Gregorius XVI, Commissum divinitus,
15 juni 1835. -22. H. Jozefmaria Escrivá,
De Smidse, 134.
-23. Hnd
5,15. -24. Vgl. Vaticanum ii,
Dogm. const. Lumen
Gentium, 25.
|