Tweeëntwintigste zondag door het jaar (C)
3. De plaats op de eerste rang
-Het buitensporig verlangen naar lof en roem. -Middelen om
de nederigheid te beleven. -Weldaden van de nederigheid.
3.1 De
lezingen van vandaag vertellen ons over een deugd die de basis is van alle
andere: nederigheid. Ze is zo noodzakelijk dat Jezus geen gelegenheid voorbij
laat gaan zonder dit aan zijn volgelingen te verklaren. Bij deze bijzondere
gelegenheid wordt de Heer uitgenodigd op een banket in het huis van een van de
belangrijkste Farizeeën. Jezus merkt op hoe de gasten bij aankomst de eervolste
plaatsen aan tafel innemen. Misschien waren allen al gezeten en begonnen met
praten toen de Heer hun een parabel1 vertelde
die eindigt met deze woorden: ga,
wanneer ge ergens genodigd wordt, op de minste plaats aanliggen. Als degene die
u heeft uitgenodigd dan komt, zal hij u zeggen: Vriend, ga wat hoger op. Zo zal
u eer te beurt vallen in het oog van allen die met u aanliggen. Want al wie
zich verheft zal vernederd, en wie zich vernedert zal verheven worden.
Deze parabel herinnert ons aan de noodzaak onze plaats te
kennen, te vermijden verblind te worden door ambitie en het leven te laten
verworden tot een dolle jacht op steeds grotere doelen, waartoe we in veel
gevallen niet geschikt zijn en die vroeg of laat oorzaak van onze vernedering
zullen zijn. Ambitie, een vorm van trots, is vaak oorzaak van een diep gebrek
aan tevredenheid in de persoon die eraan lijdt. «Waarom zoek je naar de
eersterangs plaatsen? Waarom wil je boven de anderen staan?» vraagt de heilige
Johannes Chrysostomus2. Iedereen heeft een
natuurlijke drang -die op de juiste plaats goed en edel kan zijn- naar eer en
roem. Ambitie is eenvoudigweg een buitensporige zucht naar eer, naar het
uitoefenen van autoriteit of naar een positie die op een of andere wijze superieur
is, of dat althans lijkt.
Ware nederigheid is niet tegengesteld aan het gewettigde
verlangen naar persoonlijke vooruitgang in het sociale leven, naar het genieten
van het noodzakelijke professionele prestige, naar het ontvangen van de eer die
iedere mens toekomt. Dit alles is verenigbaar met een diepe nederigheid. Maar
wie nederig is, houdt niet van pronken. Hij weet, dat zijn levensdoel geen
schijn en hoog aanzien is, maar het volvoeren van een missie voor God en ten
dienste van de anderen.
De deugd van nederigheid heeft niets te maken met
verlegenheid, schroom of middelmatigheid. Ze zorgt ervoor dat wij ons volledig
bewust zijn van de talenten die de Heer ons gegeven heeft, en dat we deze,
zonder een oprechte instelling te verliezen, vruchtbaar willen maken in ons leven.
Nederigheid gaat in tegen de neiging te pochen op onze verworvenheden en te
denken dat we geweldig zijn. Ze brengt ons tot een verstandige matiging en laat
ons de verlangens naar eer, die verborgen zijn in elk menselijk hart, tot God
richten: Non nobis, Domine, non
nobis, sed nomini tuo da gloriam3
- niet aan ons, Heer, niet aan
ons, maar aan U zij alle glorie. Nederigheid doet ons altijd
erkennen dat onze talenten en onze deugden, zowel de menselijke deugden als die
in de orde van de genade, van God komen: van zijn volheid hebben wij allen ontvangen.4 Alles wat goed is, komt van God; en alles wat van
ons komt, is onvolkomenheid en zonde. En dus «maakt de levendige beschouwing
van de genade ons nederig, want kennis ervan wekt dankbaarheid op.» 5 Met de hulp van de genade doordringen in wat we
zijn en in de grootsheid van de goddelijke goedheid, helpt ons om op onze
plaats te blijven; allereerst in onze eigen geest: «Ach!, zijn muildieren soms
geen stomme, stinkende dieren meer, alleen omdat ze beladen zijn met de
kostbare en geurende goederen van de vorst?» 6
vraagt de heilige Franciscus van Sales. De parallel die hij ziet tussen het
leven van een mens en dat van lastdieren gaat alleszins op, en de woorden uit
de Schrift weerklinken erin: ut
iumentum factus sum apud te, Domine7:
wij zijn als een ezel die door de meester, als hij dat wenst, beladen wordt met
schatten van grote waarde.
3.2 Om
te groeien in nederigheid moeten we aan de ene kant onze nietigheid beseffen;
en aan de andere kant moeten we alle gaven die God ons gegeven heeft, de
talenten waarvan Hij vrucht verwacht, naar waarde schatten. «Ondanks al onze
gebreken zijn wij dragers van goddelijke schatten van onschatbare waarde: wij
zijn Gods werktuigen. En aangezien wij goede werktuigen willen zijn, zal de
Heer, naarmate wij onszelf kleiner en armzaliger weten en werkelijk nederig
zijn, alles aanvullen wat ons ontbreekt.»8 We
zullen door het leven gaan, bewust van onze wonderbaarlijke waardigheid als
instrumenten van God, waarmee Hij in de wereld werkzaam is. Nederigheid
betekent het erkennen van onze kleinheid, onze nietigheid, en tegelijkertijd
weten dat we dragers zijn van goddelijke schatten van onschatbare waarde. Dit
inzicht, het meest werkelijke van alle inzichten, brengt ons ertoe God
voortdurend dankbaar te zijn en vol te zijn van de grootste geestelijke
dapperheid, omdat we alles op God baseren. Tegelijkertijd zorgt het ervoor, dat
we met groot respect naar onze medemensen kijken, terwijl het ons ervoor
behoedt bedelend om kruimeltjes lof en bewondering, die zo waardeloos en zo
kortstondig zijn, door het leven te gaan. Nederigheid zorgt ervoor dat we geen
minderwaardigheidscomplex ontwikkelen, wat vaak een gevolg van gekwetste trots
is; ze maakt ons vrolijk en dienstbaar aan de anderen en vol verlangen God te
beminnen: De Heer zal alles aanvullen, waarin wij tekort schieten.
Om de weg van de nederigheid te bewandelen, moeten we de
vernederende gebeurtenissen van het leven, die toch onvermijdelijk zijn, leren
aanvaarden. We vragen de Heer dat deze zullen dienen om ons te verenigen met
Hem, en of Hij ons leert ze te beschouwen als een door de hemel gezonden
mogelijkheid om iets te herstellen, om onszelf te zuiveren en steeds meer te
vullen met zijn liefde, zonder ontmoedigd te raken, door steeds naar het
tabernakel te gaan als we gekwetst zijn.
Een zeker middel om te groeien in deze deugd is volkomen
oprechtheid: allereerst tegenover jezelf, wat leidt tot een zelfkennis die je
alleen kunt verkrijgen door een gewetensonderzoek in de aanwezigheid van God;
vervolgens tegenover God, wat ons vaak om vergeving doet vragen, omdat we vele
zwakheden hebben; en oprechtheid tegenover de persoon die belast is met ons
geestelijk welzijn.
Bereidheid om onze geest te veranderen is ook een zeker teken
van nederigheid: «Alleen domme mensen zijn koppig. Erg domme mensen erg
koppig».9 Aardse zaken laten altijd meer dan een
enkele oplossing toe. «Onthoud dat als het over menselijke onderwerpen gaat,
ook de anderen gelijk kunnen hebben: ze zien hetzelfde vraagstuk als jij, maar
vanuit een ander gezichtspunt, in een ander licht, met andere nuances»10 en deze confrontatie van meningen verrijkt je
altijd. Wie trots is en nooit bereid anderen ruimte te geven, altijd gelooft
dat hij gelijk heeft in zaken die een opinie verlangen, kan nooit deelnemen aan
een open en verrijkende dialoog. Sterker nog, onze fout erkennen als we ons
vergist hebben, is niet alleen een zaak van nederigheid, maar van elementaire
eerlijkheid.
Elke dag zijn er veel gelegenheden voor het beoefenen van
deze deugd; door volgzaam te zijn in de geestelijke leiding; door
aanwijzigingen en terechtwijzingen die we krijgen, ter harte te nemen; door te
vechten tegen de altijd aanwezige bekoring van de ijdelheid; door de neiging
altijd het laatste woord te willen hebben te onderdrukken; door te aanvaarden
dat we ons vergist hebben in zaken waarin we misschien dachten absoluut gelijk
te hebben; door te proberen onze naaste altijd in een optimistisch en positief
licht te zien; door niet te denken dat we onvervangbaar zijn.
3.3 De
heilige Franciscus van Sales herinnert ons eraan dat er een vorm van valse
nederigheid is die ons doet zeggen, «dat we niets zijn, dat we het ongeluk zelf
zijn en het uitschot van de wereld, maar we zouden het erg jammer vinden als
iemand ons aan ons woord zou houden of aan anderen zou vertellen dat we echt
zulke sukkels zijn als we zeggen. Integendeel, we doen alsof we ons
terugtrekken en verbergen, zodat de wereld ons gaat nalopen en opsporen. We
doen alsof we willen dat men ons beschouwt als de laatsten in het gezelschap,
en aan het laagste eind van de tafel willen plaatsnemen, maar dat doen we met
het oogmerk dat men van ons zal verlangen naar het hoogste einde op te
schuiven. Ware nederigheid maakt geen vertoning van zichzelf en gebruikt weinig
nederige woorden.» 11 En hij voegt eraan toe:
«Laten we onze ogen nooit neerslaan tenzij we ons hart nederig maken. Laten we
niet de laagsten lijken te zijn, tenzij we het met heel ons hart verlangen.» 12 Ware nederigheid is vol eenvoud en komt voort uit
de diepste hoeken van het hart, want het is bovenal een houding tegenover God.
Er vloeit een immens aantal weldaden voort uit de
nederigheid. De eerste is de genade van het geloof, want trots is de grootste belemmering
die tussen God en ons kan komen. Nederigheid trekt de liefde van God en de
waardering van de mensen aan, terwijl trots deze alle twee afstoot. Daarom
raadt de eerste lezing van vandaag13 ons aan: Wat gij doet, mijn zoon, doe dat met
zachtheid, en gij zult meer bemind worden dan iemand die geschenken geeft.
En dezelfde passage zegt: Hoe
hoger gij staat, des te kleiner moet gij u maken, en gij zult genade vinden bij
de Heer. Velen zijn wel hoogverheven en vermaard, maar aan de zachtmoedigen
openbaart Hij zijn geheimen. De nederige ziel heeft makkelijker
contact met de goddelijke wil en weet op ieder moment wat God wil. En daarom is
zij altijd in harmonie, weet ze haar plaats te vinden en is ze altijd
hulpvaardig; ze heeft zelfs een groter inzicht in menselijke aangelegenheden,
als gevolg van haar natuurlijke eenvoud. De trotse ziel daarentegen sluit de
deur voor de wil van God, waarin het geluk van de mens besloten ligt, omdat ze
alleen oog heeft voor haar eigen weg, haar eigen voorkeuren, haar eigen
ambitie, het verwerven van haar eigen doelen; zelfs in menselijke
aangelegenheden vergist ze zich vaak, omdat alles wat ze ziet, vervormd is door
haar ziekelijke blik.
Nederigheid geeft samenhang aan alle deugden. Wie nederig is
respecteert op bijzondere wijze anderen, hun meningen en hun zaken, en hij
bezit een bijzondere kracht, aangezien hij zich voortdurend verlaat op de
goedheid en almacht van God: als
ik zwak ben, dan ben ik sterk14,
zegt de heilige Paulus. Onze Moeder de heilige maagd Maria, in wie God grote
dingen deed omdat Hij haar nederigheid zag, zal ons leren onze juiste plaats in
te nemen voor God en voor de mensen. Zij zal ons helpen om te groeien in deze
deugd en haar te beminnen als een kostbare gave.
-1. Lc 14,1,7-11.
-2. H. Johannes Chrysostomus, Homilieën over Matteüs,
65,4. -3. Ps 115,1.
-4. Joh 1,16. -5. H. Franciscus van Sales, Inleiding tot het devote leven. -6. Ibidem. -7. Ps 73,22. -8. H. Jozefmaria Escrivá, Brief, 24 maart 1931. -9. H. Jozefmaria Escrivá, De Voor, 274. -10. Ibidem, 275. -11. H. Franciscus
van Sales, Inleiding
tot het devote leven. -12. Ibidem. -13. Sir 3,17-20;30-31. -14. 2 Kor 12,10.
|